Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

    Records 1 - 20 / 97

    • help
    • print

      Print search results

    • export

      Export search results

    Check title to add to marked list
    Discovery of three toxic proteins of klebsiella phage fHe-Kpn01
    Spruit, Cindy M. ; Wicklund, Anu ; Wan, Xing ; Skurnik, Mikael ; Pajunen, Maria I. - \ 2020
    Viruses 12 (2020)5. - ISSN 1999-4915
    Antibiotic resistance - Antibiotics - Bacteriophage - Capsule type - Drulisvirus - Hypothetical proteins of unknown function - Klebsiella pneumoniae - Podoviridae - Toxic proteins

    The lytic phage, fHe-Kpn01 was isolated from sewage water using an extended-spectrum beta-lactamase-producing strain of Klebsiella pneumoniae as a host. The genome is 43,329 bp in size and contains direct terminal repeats of 222 bp. The genome contains 56 predicted genes, of which proteomics analysis detected 29 different proteins in purified phage particles. Comparison of fHe-Kpn01 to other phages, both morphologically and genetically, indicated that the phage belongs to the family Podoviridae and genus Drulisvirus. Because fHe-Kpn01 is strictly lytic and does not carry any known resistance or virulence genes, it is suitable for phage therapy. It has, however, a narrow host range since it infected only three of the 72 tested K. pneumoniae strains, two of which were of capsule type KL62. After annotation of the predicted genes based on the similarity to genes of known function and proteomics results on the virion-associated proteins, 22 gene products remained annotated as hypothetical proteins of unknown function (HPUF). These fHe-Kpn01 HPUFs were screened for their toxicity in Escherichia coli. Three of the HPUFs, encoded by the genes g10, g22, and g38, were confirmed to be toxic.

    A Toxicity Screening Approach to Identify Bacteriophage-Encoded Anti-Microbial Proteins
    Mohanraj, Ushanandini ; Wan, Xing ; Spruit, Cindy M. ; Skurnik, Mikael ; Pajunen, Maria I. - \ 2019
    Viruses 11 (2019)11. - ISSN 1999-4915
    antibacterials - assay - bacteriophages - HPUF - screening - toxic - φR1-RT

    The rapid emergence of antibiotic resistance among many pathogenic bacteria has created a profound need to discover new alternatives to antibiotics. Bacteriophages, the viruses of microbes, express special proteins to overtake the metabolism of the bacterial host they infect, the best known of which are involved in bacterial lysis. However, the functions of majority of bacteriophage encoded gene products are not known, i.e., they represent the hypothetical proteins of unknown function (HPUFs). In the current study we present a phage genomics-based screening approach to identify phage HPUFs with antibacterial activity with a long-term goal to use them as leads to find unknown targets to develop novel antibacterial compounds. The screening assay is based on the inhibition of bacterial growth when a toxic gene is expression-cloned into a plasmid vector. It utilizes an optimized plating assay producing a significant difference in the number of transformants after ligation of the toxic and non-toxic genes into a cloning vector. The screening assay was first tested and optimized using several known toxic and non-toxic genes. Then, it was applied to screen 94 HPUFs of bacteriophage φR1-RT, and identified four HPUFs that were toxic to Escherichia coli. This optimized assay is in principle useful in the search for bactericidal proteins of any phage, and also opens new possibilities to understanding the strategies bacteriophages use to overtake bacterial hosts.

    Ecologische ontwikkeling binnen een voor menselijke activiteiten gesloten gebied in de Nederlandse Waddenzee : tussenrapportage achtste jaar na sluiting (najaar 2013)
    Fey-Hofstede, F.E. ; Dankers, N.M.J.A. ; Meijboom, A. ; Leeuwen, P.W. van; Cuperus, J. ; Weide, B.E. van der; Jong, M.L. de; Dijkman, E.M. ; Cremer, J.S.M. - \ 2014
    Wageningen : Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu (IMARES rapport C041/15) - 38
    bodembiologie - fauna - waddenzee - menselijke activiteit - referentiegronden - wadden - soil biology - fauna - wadden sea - human activity - benchmark soils - tidal flats
    IMARES Wageningen UR volgt de jaarlijkse ontwikkeling van bodemdieren in de geulen in een voor menselijke activiteiten gesloten gebied (referentiegebied: Schild en Boschwad) en vergelijkt dit met een gebied waar zulke activiteiten wel toegestaan zijn (controlegebied: Zuidoost-Lauwers en Spruit). Om de ontwikkeling van het referentiegebied te volgen, is vóór de instelling van het gebied (2002, 2003 en 2005) de startsituatie wat betreft het voorkomen van bodemdieren vastgesteld. Na de instelling van het referentiegebied (november 2005) worden jaarlijks bemonsteringen uitgevoerd. Prioriteit gaat hierbij uit naar benthische mariene fauna en de bodembedekking in de geul. De basale jaarlijkse bemonstering heeft het karakter van ‘vinger aan de pols’. Om (statistisch) betrouwbare verschillen aan te kunnen tonen tussen gebieden, zijn uitgebreide bemonsteringen een minimale vereiste. Daarom worden de resultaten in de jaarrapportages niet statistisch geanalyseerd en geven zij alleen een basaal beeld van de ontwikkeling in het betreffende jaar. Deze tussenrapportage beslaat de voorlopige resultaten van de basale bemonstering van het jaar 2013. Hierin worden de gegevens van voorgaande jaren aangevuld met de gegevens uit 2013. Trefwoorden: bodemdieren, geulen, Waddenzee, referentiegebied Rottum
    Precisieplant tulp : basis voor precisielandbouw
    Baltissen, A.H.M.C. ; Gude, H. ; Lans, A.M. van der; Haaster, A.J.M. van - \ 2014
    Lisse : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving, Business Unit Bloembollen, Boomkwekerij & Fruit - 17
    bloembollen - tulpen - beplanten - precisielandbouw - technieken - globale plaatsbepalingssystemen - proeven - doelstellingen - methodologie - ornamental bulbs - tulips - planting - precision agriculture - techniques - global positioning systems - trials - objectives - methodology
    Precisielandbouw wordt gezien als een middel om het rendement van de teelt te verbeteren en een “license tot produce” te behouden. In de bloembollenteelt worden ook diverse technieken toegepast en de mogelijkheden van nieuwe precisielandbouw technieken onderzocht. Opzet van dit onderzoek was na te gaan of gericht planten in volvelds verband (economische) voordelen biedt wat betreft opbrengst. Rechtop planten en regelmatig planten in een bed, zodat elke bol evenveel ruimte heeft kost een extra investering waarbij het onduidelijk is welke extra opbrengst dan wordt gerealiseerd. Het ultieme doel is daarbij de bollen zodanig te richten dat ze rechtop gezet worden waardoor de spruit de kortste weg naar boven neemt. Het precisieplanten kan dan de basis zijn voor verdere ontwikkeling van een aantal precisielandbouw technieken.
    Vroege bloemverdroging bij narcis cultivar Bridal Crown
    Vink, P. ; Vreeburg, P.J.M. ; Leeuwen, P.J. van - \ 2013
    Lisse : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving BBF - 9
    narcissus - bloembollen - verdroging - bloemen - afwijkingen - diagnostiek - landbouwkundig onderzoek - narcissus - ornamental bulbs - desiccation - flowers - abnormalities - diagnostics - agricultural research
    In de zomer van 2011 bleek dat in een aanzienlijk aantal partijen narcisbollen van cultivar Bridal Crown sprake was van vroege bloemverdroging. Daarbij was na de oogst van de bollen sprake van een ver ontwikkelde spruit met deels of volledig verdroogde bloemknoppen. Uitwendig zagen de bollen er steeds volkomen normaal en gezond uit waardoor het zowel voor de teelt als de handel lastig tot onmogelijk was om de gezondheid en gebruikswaarde van de partijen goed vast te stellen. Als eenmaal vroege bloemverdroging bij de handel was vastgesteld dan werd de partij meestal terug gestuurd naar de teler om als plantgoed te kunnen worden opgeplant. Bij narcissen is vroege bloemverdroging echter een zeer uitzonderlijk fenomeen waarvan de oorzaak tot nu toe onbekend is. Omdat het soms om aanzienlijke percentages vroege bloemverdroging ging is op verzoek van zowel telers als bloembollenhandelaren geprobeerd om de oorzaak te achterhalen. Daartoe zijn van zowel partijen Bridal Crown met en zonder vroege bloemverdroging verschillende partijgegevens verzameld bij diverse bloembollentelers en met elkaar vergeleken. Ook zijn weerkaarten met temperatuur- en neerslaggegevens van het KNMI opgevraagd en beoordeeld. Het bleek uit de verzamelde gegevens van diverse telers van Bridal Crown, en uit de weerkaarten van het KNMI, dat bij zowel de partijen met als zonder vroege bloemverdroging sprake was geweest van droge en warme omstandigheden in het voorjaar van 2011. Dus warmte en droogte konden niet de enige oorzaak zijn van de vroege bloemverdroging. Narcisbollen van Bridal Crown worden bovendien normaliter langdurig warm en droog bewaard zonder dat problemen met verdroogde bloemen in de bol ontstaan. Wel werd duidelijk dat sommige telers van partijen met vroege bloemverdroging hun bollen wat minder diep hadden geplant dan gemiddeld, waardoor een zekere invloed van een hogere bodemtemperatuur de ontwikkeling (in de grond) van de bloemknoppen in de bol kan hebben beïnvloed. Bij narcis vindt de bloemaanleg vanaf mei plaats en is bij rooien veelal al voltooid. Ook bleek dat in de maanden juli en augustus 2011 sprake was geweest van uitzonderlijk veel regenval waardoor percelen met bloembollen soms blank moeten hebben gestaan of op zijn zachts gezegd erg nat zijn geweest. Metname in het teeltgebied in Noord Holland, waar de meeste problemen met vroege bloemverdroging waren vastgesteld, is sprake geweest van extreme nattigheid tot wel 116 mm neerslag meer dan normaal, met half juli meer dan 50mm op één dag. Zonder 100% bewijs in handen te hebben bestaat wel een sterk vermoeden dat hoogstwaarschijnlijk onder invloed van droogte en warmte in het voorjaar van 2011 de bloemknopontwikkeling gemiddeld verder is geweest dan normaal. Dit kan helaas niet worden gestaafd aan andere informatie omdat nog nooit systematisch de bloemontwikkeling bij Bridal Crown tijdens het teeltseizoen is gevolgd en vastgelegd. De verschijnselen van vroege bloemverdroging zijn mogelijk daarna ontstaan onder invloed van extreme regelval en uitzonderlijk natte grond in juli en augustus (de periode kort vóór het rooien) waardoor mogelijk een vorm van verstikking is opgetreden en de bloemknoppen vroeg (direct na het rooien) zijn gaan verdrogen. Op basis van dit vermoeden is het advies aan telers van narcissen cv. Bridal Crown om de bollen voldoende diep te planten zodat warmte en droogte minder effect heeft op de bloemknopontwikkeling. Neerslag is helaas niet te sturen, maar een goede structuur van de grond en voldoende afwatering van een perceel kunnen wel helpen om te natte omstandigheden zo veel mogelijk te beperken.
    Calcium in de bol en bladkiep bij tulpen : Onderzoek naar de voorspellende waarde van het calciumgehalte in tulpenbollen in het voorspellen van de kans op blad- en stengelkiep
    Dam, M.F.N. van - \ 2012
    Lisse : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving, Bollen en Bomen - 21
    tulipa - forceren van planten - afwijkingen, planten - cultuurmethoden - plantenziektebestrijding - bloembollen - tulpen - landbouwkundig onderzoek - nederland - tulipa - forcing - plant disorders - cultural methods - plant disease control - ornamental bulbs - tulips - agricultural research - netherlands
    Bladkiep in tulp is de grootste oorzaak van uitval in de hedendaagse broeierij van tulpen. Bij het ontstaan van dit probleem spelen allerlei factoren een rol, zoals bemesting, luchtvochtigheid, temperatuur, groeisnelheid en het systeem waarin wordt gebroeid (potgrond, stilstaand water en stromend water). Men kan deze factoren beïnvloeden en daarmee een deel van de uitval voorkomen. Dikke bolmaten van gevoelige cultivars kunnen echter bijna niet zonder problemen worden gebroeid in december en januari. Naast de genoemde factoren blijkt verder dat niet alle cultivars en partijen tulpenbollen in dezelfde mate gevoelig zijn voor bladkiep. Omdat bekend is dat calcium in stengel en blad een belangrijke rol speelt in het voorkómen van bladkiep is in het verleden onderzocht of het calciumgehalte van de bollen een indicatie zou kunnen zijn voor de kans op bladkiep. Er bleek slechts een zwakke correlatie te bestaan tussen het calciumgehalte van bollen en de kans op bladkiep. In dit project is onderzocht of het calciumgehalte van specifieke onderdelen van de bol (spruit, bolbodem en bolrokken) een betere maat is voor de kans op bladkiep. In 8 cultivars, waarvan sommige in twee bolmaten, werden in een proef de calciumgehaltes van bol-onderdelen bepaald en vergeleken met de later gevonden percentages uitval door blad- of stengelkiep. De gevonden relaties bleken maar zwak. Als voorspellende waarde voor kiepen is de calciumbepaling van boldelen daarom niet geschikt gebleken. Sommige gevonden trends waren zelfs verrassend tegengesteld aan de verwachting. Een hoger calciumgehalte van de spruit zou meer kiepers geven. Het gehalte van de bolrokken leek wel enigszins te correleren met het uiteindelijk gehalte van de plant. De conclusie blijft echter dat er met een calciumbepaling vooraf geen betrouwbare voorspelling kan worden gedaan voor de kiepgevoeligheid.
    Kernrot in tulp : de effecten van cultivar, ethyleeen, bollenmijten en stromijten
    Lommen, S.T.E. ; Duyvestein, R. ; Breeuwsma, S.J. ; Boer, F.A. de; Haaster, A.J.M. van; Leijden, J.P.H. van; Gude, H. - \ 2012
    Lisse : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving BBF - 45
    tulpen - bollen - mijten - rhizoglyphus - tyrophagus - rassen (planten) - cultivars - ethyleen - landbouwkundig onderzoek - tulips - bulbs - mites - rhizoglyphus - tyrophagus - varieties - cultivars - ethylene - agricultural research
    Kernrot is het (gedeeltelijk) wegrotten van de spruit binnenin de tulpenbol. Deze schade is aan de buitenkant van de bol niet zichtbaar, waardoor ogenschijnlijk gezonde bollen na planten geen of een misvormde bloem geven. Het is nooit opgehelderd welke mijten precies kernrot veroorzaken: bollenmijten (waarmee in dit geval mijten van het geslacht Rhizoglyphus worden bedoeld), stromijten (mijten van het geslacht Tyrophagus) of beide. In dit project werd de rol van bollen- en stromijten in het ontstaan van kernrot onderzocht. Hiervoor werden verschillende cultivars gebruikt (4 parkiettulpen en 3 andere typen) die aan verschillende omstandigheden blootgesteld werden.
    Te warm voor spruit
    Vliet, Arnold van - \ 2012
    Machinale detectie van geelziek in hyacint : toepassing van vision technieken om symptomen, veroorzaakt door Xanthomonas hyacinthi in hyacint op te sporen : consultancy project
    Baltissen, A.H.M.C. ; Doorn, J. van; Polder, G. ; Roothans, J. ; Gelderblom, J. - \ 2012
    Praktijkonderzoek Plant & Omgeving BBF - 35
    hyacinthus - bloembollen - bacterieziekten - xanthomonas hyacinthi - detectie - monitoring - symptomen - aantasting - automatisering - hyacinthus - ornamental bulbs - bacterial diseases - xanthomonas hyacinthi - detection - monitoring - symptoms - infestation - automation
    Ziekzoeken (het door experts in het veld laten zoeken naar symptomen in het gewas) wordt toegepast bij verschillende (bol-) gewassen om vroegtijdig besmettingen op te sporen en door vernietiging in te perken. Dit betreft naast virus in tulp onder andere ook geelziek in hyacint. Dit is een makkelijk verspreidbare bacterieziekte, veroorzaakt door Xanthomonas hyacinthi. Geelziek geeft meestal duidelijke symptomen in hyacint: van spetters (eerste symptomen gedurende het groeiseizoen) tot aan zwartrand en vlaggers. Deze laatsten zijn symptomen, veroorzaakt door aantasting van de spruit door X. hyacinthi in de bol in het groeiseizoen ervoor: zogenaamde secundaire symptomen. Het ziekzoeken in hyacint vergt deskundigheid en personele inzet. Door de ontwikkeling van de ziekzoekkar in tulp is de mogelijkheid aanwezig om deze innovatie ook te gebruiken in hyacint. Bij goede resultaten met geelziek zijn er in de toekomst bijvoorbeeld misschien zelfs mogelijkheden om Erwinia-aantastingen op te sporen. De doelstelling van deze oriënterende studie is, om de mogelijkheden te verkennen voor de toepassing van machinale detectie, zoals ontwikkeld voor tulp, voor geelzieksymptomen in hyacint.
    Ziek en Zeer : Vorstschade bij Zantedeschiaknollen
    Vink, P. - \ 2011
    BloembollenVisie 2011 (2011)235. - ISSN 1571-5558 - p. 29 - 29.
    knollen - zantedeschia - beschadigingen door vorst - gevoeligheidsanalyse - landbouwkundig onderzoek - symptomen - tubers - zantedeschia - frost injury - sensitivity analysis - agricultural research - symptoms
    De gevoeligheid van Zantedeschiaknollen voor vorst wordt als vanzelfsprekend beschouwd. Toch was geen onderzoek bekend waarin dit haarfijn was uitgezocht. Daarom is bij Diagnostiekservice van PPO onderzoek gedaan naar de vorstgevoeligheid van Zantedeschiaknollen. Ook is nagegaan of vorstschade te meten is aan de hand van suikerbepalingen van het spruit- en knolweefsel. Het bleek zoals verwacht dat Zantedeschiaknollen uiterst gevoelig zijn voor vorst. Er werd geen betrouwbaar verband gevonden tussen suikergehalte en vorstschades in Zantedeschiaknollen.
    Vorstschade bij Zantedeschiaknollen
    Vink, P. ; Leeuwen, P.J. van; Trompert, J.P.T. - \ 2010
    Lisse : PPO Bloembollen en Bomen - 19
    zantedeschia - knollen - beschadigingen door vorst - bloembollen - opslag - zantedeschia - tubers - frost injury - ornamental bulbs - storage
    Een aantal gespecialiseerde bedrijven die zich in Nederland bezig houden met de teelt en handel van Zantedeschiaknollen zijn geconfronteerd met het fenomeen van vermeende vorstschade in knolmateriaal van Zantedeschia waardoor problemen in de bloementeelt zouden zijn ontstaan. Uit dit onderzoek is duidelijk geworden dat Zantedeschiaknollen uitermate gevoelig zijn voor het ontstaan van vorstschade. Wel kunnen lang bewaarde, en meer uitgedroogde Zantedeschiaknollen voor een zeer korte tijd nog net een temperatuur van 0°C verdragen terwijl verse knollen daarbij al snel vorstschade kunnen oplopen. Uit de suikerbepalingen bleek dat in de lang bewaarde Zantedeschiaknollen meer suiker kon worden gemeten dan in de vers geoogste Zantedeschiaknollen (oude knol = 20,2% en nieuwe knol = 11,9%). Er was echter geen betrouwbaar verschil in suikerwaarde te meten tussen de controle (aanvang meting) en de -2°C bewaring. Vooralsnog moet dan ook op basis van de nu vastgestelde suikergehaltes worden gesteld dat suikerbepalingen van spruit- of knolweefsel van Zantedeschiaknollen geen betrouwbare indicatie oplevert voor vorstschade. De geplante Zantedeschiaknollen (oude oogst) gaven een normale opkomst te zien van knollen uit de bewaring van 9°C en 0°C. Uit de Zantedeschiaknollen die waren bewaard bij -2°C groeiden geen normale planten uit en gingen de knollen verloren door secundair bederf.
    De problematiek van de kasgrondteelten: Mogelijke oplossingen aangedragen door ondernemers met substraatbedden in het bijzonder
    Wurff, A.W.G. van der; Blok, C. ; Labrie, C.W. ; Vermeulen, T. ; Voogt, W. - \ 2009
    Bleiswijk : Wageningen UR Glastuinbouw (Rapporten GTB 1114) - 30
    glastuinbouw - substraten - gewasbescherming - emissie - voedingsstoffen - pesticiden - vragenlijsten - greenhouse horticulture - substrates - plant protection - emission - nutrients - pesticides - questionnaires
    De kasgrond glastuinbouw ziet zich geconfronteerd met stijgende kosten en een afname van de hoeveelheid toegelaten gewasbeschermingsmiddelen. Het middelenpakket tegen schadelijke bodemschimmels en aaltjes wordt mogelijk verkleind (Spruit e.a. 2008). Op dit moment is grondstomen nog een optie, maar door de sterk toenemende energie- en arbeidskosten wordt grondstomen steeds duurder. In voorgaande gesprekken met ondernemers en betrokkenen blijkt dat een teeltsysteem dat relatief goedkoop, en gemakkelijk in de praktijk is in te passen, de voorkeur heeft. Doelstelling van dit project is daarom het in kaart brengen van problemen met mogelijke oplossingen ten aanzien van bodemproblematiek in kasgrondteelten.
    Feather damaging behaviour in parrots: A review with consideration of comparative aspects
    Zeeland, Y.R.A. van; Spruit, B.M. ; Rodenburg, T.B. ; Riedstra, B. ; Hierden, Y.M. van; Buitenhuis, A.J. ; Korte, S.M. ; Lumeij, J.T. - \ 2009
    Applied Animal Behaviour Science 121 (2009)2. - ISSN 0168-1591 - p. 75 - 95.
    obsessive-compulsive disorder - gallus-gallus-domesticus - young amazon parrots - regulates neuroendocrine responses - reuptake inhibitor citalopram - different social conditions - quantitative trait loci - open-field response - laying hen chicks - 2 different age
    Feather damaging behaviour (also referred to as feather picking or feather plucking) is a behavioural disorder that is frequently encountered in captive parrots. This disorder has many characteristics that are similar to trichotillomania, an impulse control disorder in humans. Unfortunately, to date much of the information regarding the aetiology and treatment in both syndromes is based on ‘expert’ opinion rather than on experimentally founded results. Comparative research in humans and parrots might therefore be mutually beneficial. Feather damaging behaviour (FDB) may also share similarities with behavioural disorders present in other bird species. Feather pecking (FP) in poultry is of particular interest in this case. Because of the major impacts on welfare and economy, the disorder has been thoroughly investigated. It has been shown that genetic, socio-environmental and neurobiological factors all play a role in FP. Several theories have been postulated about the different motivational systems that affect the behaviour, of which (redirected) foraging appears to be the most generally accepted. FDB may result from similar motivations and underlying mechanisms, but has also been regarded as a grooming disorder. Grooming or preening is behaviour that serves both physical and social purposes. In the presence of stressors, such as novelty, so-called displacement grooming may develop that can result in excessive grooming when chronic stress is experienced (maladaptive behaviour). Adrenocorticotropic hormone, opiate, dopaminergic and serotoninergic systems have been shown to influence the onset, development and maintenance of this behaviour. Primary brain dysfunction (malfunctional behaviour) may also explain the occurrence of various abnormal behaviours. Differences in neurotransmitter levels and distribution have been found between high and low feather pecking lines of laying hens, and psychopharmacological interventions in humans and parrots suggest similar alterations. The exact pathways via which neurotransmitters influence the execution of these behaviours have not been identified. It is also not clear which brain areas are involved in this dysfunction, and why the behaviour sometimes persists despite intervention. For these purposes it is important to consider the current system-level insights on different types of abnormal repetitive behaviour, to which these disorders may be classified
    Ecologische ontwikkeling in een voor menselijke activiteiten gesloten gebied in de Nederlandse Waddenzee: Tussenrapportage drie jaar na sluiting (najaar 2008)
    Fey-Hofstede, F.E. ; Dankers, N.M.J.A. ; Meijboom, A. ; Leeuwen, P.W. van; Verdaat, J.P. ; Jong, M.L. de - \ 2009
    TEXEL : IMARES (Rapport / IMARES Wageningen UR C073/09) - 45
    functionele biodiversiteit - garnalen - visserij - referentienormen - monitoring - indicatoren - mariene gebieden - aquatische ecologie - waddenzee - functional biodiversity - shrimps - fisheries - reference standards - monitoring - indicators - marine areas - aquatic ecology - wadden sea
    De Nederlandse overheid heeft in november 2005 een referentiegebied ingesteld om te voldoen aan de internationale verplichting dat voldoende grote gebieden in de Waddenzee worden aangewezen waarbinnen geen exploitaties en verstorende activiteiten mogen plaatsvinden. In dit project wordt de nadruk gelegd op het volgen van de ontwikkeling van het ecosysteem in een voor de garnalen- en schelpdiervisserij gesloten gebied (Schild en Boschwad) en dit te vergelijken met een gebied waar garnalenvisserij zal blijven (Zuidoost Lauwers en Spruit). Om de ontwikkeling van dit ongestoorde gebied te volgen zijn er vóór de instelling van dit gebied bemonsteringen uitgevoerd door IMARES (2002, 2003 en 2005). Na de instelling van het referentiegebied (november 2005) worden jaarlijks bemonsteringen uitgevoerd. In dit rapport wordt een weergave gegeven van de ontwikkelingen in het referentiegebied drie jaar na sluiting. Prioriteit gaat hierbij uit naar benthische mariene fauna (jaarlijks), maar ook de litorale mosselbanken (jaarlijks), de visfauna (elke 5 jaar), de zeehondenpopulatie (elke 5 jaar) en de vogelvoorkomens (elke 5 jaar) worden in dit project meegenomen.
    Optimale moment voor dompelen Zantedeschia in gibberillinezuur (GA) voor bloemaanleg
    Leeuwen, P.J. van; Trompert, J.P.T. - \ 2009
    Lisse : PPO Bloembollen en Bomen - 29
    zantedeschia - plantmateriaal - gibberellinezuur - plantengroeiregulatoren - bloei - teelt - bloembollen - zantedeschia - planting stock - gibberellic acid - plant growth regulators - flowering - cultivation - ornamental bulbs
    In dit onderzoek is getracht een antwoord te vinden op de vraag wat het optimale moment is om een Zantedeschiaknol te behandelen met gibberellinezuur ten behoeve van bloeibevordering en welk ontwikkelingsstadium van de spruit daarbij hoort. Daardoor zou het moment van behandelen van de knol gekozen kunnen worden op basis van uiterlijke kenmerken. Daarvoor zijn twee cultivars gedurende twee jaren op twee verschillende momenten, februari en augustus, in een kas geplant. Tijdens de bewaring zijn de knollen warm (17 °C) of koel (9 °C) bewaard en op drie momenten tijdens de bewaring gedompeld in gibberellinezuur, of niet (controle). Voor het planten eind februari zijn de knollen gedompeld in december, of januari of februari en voor het planten in augustus zijn de knollen gedompeld in december, april of eind juli.
    Effectiviteit slakkenkorrels in spruitkool : vergelijking in vier praktijkpercelen van de effectiviteit van Caragoal GR en Ferramol Slakkenkorrels bij toepassing na 1 september, 2008
    Huiting, H.F. ; Ester, A. - \ 2008
    Lelystad : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving, Sector AGV - 28
    akkerbouw - veldgewassen - vollegrondsteelt - spruitjes - koolsoorten - gewasbescherming - slakkenbestrijding - plagenbestrijding - deroceras reticulatum - arion silvaticus - arion circumscriptus - arable farming - field crops - outdoor cropping - brussels sprouts - cabbages - plant protection - mollusc control - pest control - deroceras reticulatum - arion silvaticus - arion circumscriptus
    Slakken kunnen vraatschade aanrichten in diverse akkerA en tuinbouwgewassen. In de teelt van spruitkool is de slak één van de voornaamste belagers. Slakken zijn vooral actief in het voorA en najaar, maar ook in koele natte zomers kunnen zich problemen voordoen. Slakken kunnen grote schade veroorzaken in de periode van spruitvorming tot aan de oogst. De slakken kruipen gedurende de koele, vochtige periode met weinig wind, dus meestal 's nachts, in de plant en vreten aan de buitenste blaadjes van de spruit. De ontstane schade geeft een declassering bij de verkoop. De meest voorkomende slak is de akkeraardslak (Deroceras reticulatum (Müller)), die tot boven in de spruitkoolplanten voorkomt. Naast deze soort komen o.a. Arion silvaticus en Arion circumscriptus voor. Binnen de dringend vereiste toelating mogen producten op basis van metaldehyde, twee keer worden toegepast in de spruitkoolteelt. Ecostyle, dat de Ferramol Ecostyle Slakkenkorrels in haar pakket voert, heeft bezwaar aangetekend tegen het verlenen van een Dringend vereiste toelating, met het argument dat haar product een afdoende alternatief voor de in de markt verkrijgbare slakkenkorrels is. Besloten werd om in een proef een vergelijking van het effect van toepassingen van Caragoal GR en Ferramol Ecostyle Slakkenkorrels op de aantasting van spruitjes door slakken uit te voeren.
    Ecologische ontwikkeling in een voor menselijke activiteiten gesloten gebied in de Nederlandse Waddenzze: tussenrapportage twee jaar na sluiting (najaar 2007)
    Fey-Hofstede, F.E. ; Dankers, N.M.J.A. ; Meijboom, A. ; Leeuwen, P.W. van; Verdaat, J.P. ; Jong, M.L. de; Heusinkveld, J.H.T. ; Dijkman, E.M. ; Kimmel, V. ; Cremer, J.S.M. - \ 2008
    Den Burg : IMARES (Rapport / Wageningen IMARES nr. C053/08) - 43
    biodiversiteit - garnalen - visserij - referentienormen - monitoring - indicatoren - mariene gebieden - aquatische ecologie - waddenzee - biodiversity - shrimps - fisheries - reference standards - monitoring - indicators - marine areas - aquatic ecology - wadden sea
    De Nederlandse overheid heeft in november 2005 een referentiegebied ingesteld om te voldoen aan de internationale verplichting dat voldoende grote gebieden in de Waddenzee worden aangewezen waarbinnen geen exploitaties en verstorende activiteiten mogen plaatsvinden. In dit project wordt de nadruk gelegd op het volgen van de ontwikkeling van het ecosysteem in een voor de visserij gesloten gebied (Schild en Boschwad) en dit te vergelijken met een gebied waar garnalenvisserij zal blijven (Zuidoost Lauwers en Spruit). Om de ontwikkeling van dit ongestoorde gebied te volgen zijn er vóór de instelling van dit gebied bemonsteringen uitgevoerd door IMARES. Na de instelling van het referentiegebied (november 2005) worden jaarlijks bemonsteringen uitgevoerd. In dit rapport wordt een weergave gegeven van de ontwikkelingen in het referentiegebied twee jaar na sluiting
    Monitoring van de grond- en oppervlaktewaterkwaliteit op het melkveebedrijf Spruit 2004-2006
    Vos, J.A. de; Knotters, M. ; Hoving, I.E. ; Kleef, J. van - \ 2008
    Wageningen : Alterra (Alterra-rapport 1603) - 58
    melkveebedrijven - waterkwaliteit - grondwater - oppervlaktewater - monitoring - oppervlaktewaterkwaliteit - grondwaterkwaliteit - veenweiden - utrecht - dairy farms - water quality - groundwater - surface water - monitoring - surface water quality - groundwater quality - peat grasslands - utrecht
    De grond- en oppervlaktewaterkwaliteit is gemonitord op het melkveebedrijf Spruit, op en rond percelen waar experimenten met bovengronds uitrijden van mest plaatsvonden, met als doel om vast te stellen of milieunormen voor grond- en oppervlaktewaterkwaliteit werden gehaald. Monitoring van nutriëntenvrachten op polderschaal gecombineerd met monitoring van nutriëntenbalansen op bedrijfsschaal lijkt een betere methode voor het kwantificeren van de nutriëntenverliezen van een bedrijf dan monitoring van concentraties en waterstroming op bedrijfsschaal. Om de oppervlaktewaterkwaliteit op bedrijfsschaal te kunnen beoordelen zijn voor melkveebedrijven in het veenweidegebied wellicht andere normen nodig dan de stringente MTR-waarden.
    Symptoombeschrijving, detectie en bestrijding van krokusaaltje bij narcis Tête-à-Tête
    Vreeburg, P.J.M. ; Vink, P. ; Doorn, J. van; Pham, K.T.K. ; Korsuize, C.A. - \ 2007
    Lisse : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving, Bloembollen, Boomkwekerij & Fruit
    aphelenchoides - nematoda - narcissus - symptomen - plantenziekten - forceren van planten - plantenziektebestrijding - bloembollen - potplanten - landbouwkundig onderzoek - nederland - aphelenchoides - nematoda - narcissus - symptoms - plant diseases - forcing - plant disease control - ornamental bulbs - pot plants - agricultural research - netherlands
    In de eerste maanden van 2004 ontving PPO vanuit de buitenlandse pottenbroei monsters van Tête-à-Tête die aangetast waren met krokusknolaaltjes (Aphelenchoides subtenuis (Cobb)). Tot op dat moment was aantasting met krokusknolaaltje vooral bekend bij oa. Krokus, Allium en bij een enkele narciscultivar zoals Bridal Crown, maar niet bij Tête-à-Tête. De gewas- en bolsymptomen van krokusknolaaltje bij Tête-à-Tête waren niet of nauwelijks bekend. Niet uitgesloten werd dat het meer voorkwam, maar dat de uitval aan andere veel voorkomende ziekten werd toegeschreven. Tête-à-Tête is met een derde van het areaal zeer belangrijk en komt vaak voor in een vruchtwisseling met krokus. Omdat het aantonen van het krokusknolaaltjes alleen mogelijk was met een microscoop door een deskundige, was behoefte aan een DNA-toets. Deze is betrouwbaar en ontwikkeling ervan is van belang voor alle gewassen die gevoelig zijn voor het krokusknolaaltje. In dit onderzoek is gezocht naar herkenbare symptomen in teelt en broei, zijn de mogelijkheden van een warmwaterbehandeling zeer snel na rooien onderzocht, voorafgaande aan afbroei en is een snelle DNA-toets ontwikkeld om Aphelenchoides subtenuis aan te tonen. Tête-à-Tête bleek geen makkelijk aan te tasten waardplant te zijn. Symptomen in het veld en tijdens de bewaring werden noch in de praktijk noch in onderzoek gevonden. Alleen bij afbroei werden bij besmette planten in beperkte mate symptomen gevonden: op het oog gave bollen met slechte beworteling, achterblijvende spruitgroei, bleek groene en soms bruine bladeren en bruine bolrokken, vooral rond de spruit. De blad- en bolaantasting kunnen verward worden met een aantasting door stengelaaltjes. Een warmwaterbehandeling van 4 uur 47°C kort na rooien kon zonder gewasschade voor afbroei worden uitgevoerd, mits voldoende voorwarmte werd gegeven. Er is een snelle DNA-toets ontwikkeld, die zowel met zuivere aaltjes als met bolmateriaal werkt.
    Het voorkomen van schade door de warmwaterbehandeling tegen stengelaaltjes bij hyacint
    Vreeburg, P.J.M. ; Korsuize, C.A. - \ 2006
    Lisse : PPO Bloembollen - 25
    hyacinthus - schade - heetwaterbehandeling - ditylenchus - plantenziektebestrijding - bloembollen - hyacinthus - damage - hot water treatment - ditylenchus - plant disease control - ornamental bulbs
    Als er stengelaaltjes bij hyacint worden geconstateerd dan mag er, indien de besmetting niet te zwaar is, een warmwaterbehandeling worden gegeven. De behandeling betreft ook belendende bedden en wordt vaak uit voorzorg aan het overige plantgoed gegeven. Het bestaande advies (ca 3 weken 30°C + voorweken + warmwaterbehandeling 4 uur 45°C) geeft echter in sommige gevallen een schade-effect dat pas in de tweede nateelt zichtbaar wordt. In die nateelt, hetgeen vaak de broei is, blijken dan bosjesplanten te worden gevonden. Dit schadebeeld is ook bekend als een tweejarig schade-effect van de heetstook van plantgoed tegen geelziek. Het eerste jaar is deze vorm van schade veelal niet te zien. Bij de doorteelt blijkt er geen centrale spruit te zijn en wordt een bosjesplant gevormd doordat er een aantal klisters ontstaan. Niet duidelijk is wanneer en waarom dit optreedt. Deze onverwachte schade in het tweede jaar is na het rooien meestal niet uitwendig zichtbaar aan de bollen. De schade wordt vaak pas zichtbaar bij inhalen in de kas en kost dan relatief veel geld, vooral als er meerdere bollen op een pot staan. De schade bij droogverkoop is minder zichtbaar doordat die bollen de tuintjes in gaan; een percentage bosjesplanten valt dan minder op. Reden voor dit onderzoek was de slechte ervaring met het koken van grotere bolmaten en de grote schade die dit met zich meebrengt. De warmwaterbehandeling wordt dan ook uit angst zo min mogelijk toegepast. Dit onderzoek had tot doel om na te gaan of de oorzaak van deze schade een gevolg kan zijn van de voorbehandeling. Uiteindelijk moet dit leiden tot het voorkomen van deze vorm van meerjarige schade. Uit oude gegevens, onder andere verzameld op de afdeling Diagnostiek van PPO en bij navraag bij bedrijven werd geen duidelijke oorzaak gevonden, deels omdat details over de uitgevoerde behandeling niet meer bekend zijn en omdat de schade pas na 1,5 jaar zichtbaar is.
    Check title to add to marked list
    << previous | next >>

    Show 20 50 100 records per page

     
    Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.