Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

    Records 1 - 20 / 1223

    • help
    • print

      Print search results

    • export
      A maximum of 250 titles can be exported. Please, refine your queryYou can also select and export up to 30 titles via your marked list.
    Check title to add to marked list
    Integrated assessment of deforestation drivers and their alignment with subnational climate change mitigation efforts
    Bos, Astrid B. ; Sy, Veronique De; Duchelle, Amy E. ; Atmadja, Stibniati ; Bruin, Sytze De; Wunder, Sven ; Herold, Martin - \ 2020
    Environmental Science & Policy 114 (2020). - ISSN 1462-9011 - p. 352 - 365.
    Efforts to reduce emissions from deforestation and forest degradation and enhancing forest carbon stocks (REDD+) have evolved over the past decade. Early REDD+ programs and local/subnational projects used various interventions (i.e. enabling measures, disincentives and incentives), implemented by government, the commercial and non-commercial private sector, but are currently understudied vis-à-vis their effectiveness to address site-specific drivers of deforestation and forest degradation (DD). We assess how well REDD+ interventions addressed DD at five project sites in Peru (1), Brazil (1), Vietnam (1) and Indonesia (2). Our study design includes an integrated assessment of remotely sensed, spatially modelled, and locally reported drivers. First, we observe follow-up land use from high resolution imagery as proxy for direct deforestation drivers. Second, spatial Random Forest modelling of DD drivers allows for influence quantification of topographic, climatic and proximity variables at each site. Third, we report direct and indirect DD drivers from pre-intervention surveys and semi-structured interviews with five REDD+ implementers, 40 villages and 1200 households. Data gathered included perceived changes in forest cover and quality, and their causes. We found general agreement between observed, modelled and reported local DD drivers, yet some were inadequately addressed by interventions. Intra-site differences in drivers underscores the importance of analysing micro-level DD drivers. Our interdisciplinary approach reveals the complexities of local direct and indirect DD drivers, and the complementarity of remotely sensed, spatially modelled and locally reported methods for driver identification. A better understanding of the alignment between DD drivers and REDD+ interventions is vital for practitioners and policy makers to enhance the effectiveness, efficiency, equity and co-benefits of REDD+ at the local level.
    Verkenning maximaal haalbarekwaliteiten gerecyclede PET uit schalen : Praktische studie naar de maximaal haalbare kwaliteit van mechanisch gerecyclede PET uitschalen
    Thoden van Velzen, E.U. ; Smeding, I.W. ; Molenveld, K. - \ 2020
    Wageningen : Wageningen Food & Biobased Research (Rapport / Wageningen Food & Biobased Research 2069) - ISBN 9789463954662 - 37
    Dit rapport beschrijft een technische verkenning naar de maximaal haalbare kwaliteit gerecycled poly(ethyleen tereftalaat) (rPET) die verkregen kan worden uit PET-schalen met een mechanisch recyclingproces. PET is een veel gebruikt verpakkingsmateriaal voor verschillende verse levensmiddelen als vlees, vis, kaas, maaltijdsalades, noten, etc. Voor flessen zijn goed functionerende mechanische recyclingprocessen ontwikkeld waarmee food-grade rPET wordt verkregen. Voor de grotere markt van PET-schalen is dit tot nu toe nog niet op industriële schaal gelukt, ondanks meerdere pogingen door verschillende bedrijven. Deze pogingen om uit het sorteerproduct PET-schalen PET te recyclen zijn tot nu toe gestrand op te lage massa-opbrengsten PET-product, teveel afvalstromen en een te lage kwaliteit van het eindproduct. PET-schalen zijn een ingewikkelde grondstof: ze zijn divers in grootte, kleur en samenstelling. Bovendien bestaan PET-schalen uit meerdere componenten en materialen. Mede hierdoor zijn er ook problemen met de kwaliteit van het gerecyclede PET materiaal, die de toepasbaarheid van het gerecyclede PET-materiaal aanzienlijk beperken. Om te bepalen wat de maximaal haalbare kwaliteit gerecycled PET uit schalen is, werden vier soorten schone PET-schalen getest in dit onderzoek. Het ging hier om mono-PET-schalen, maar ook om schalen met een sealmedium, een PE-laag of een rest top-folie. Al deze soorten schalen werden apart van elkaar gemalen, gedroogd, geëxtrudeerd en spuit-gegoten tot testsamples. De materiaaleigenschappen van deze mechanisch gerecyclede schalen-PET-soorten werden bestudeerd in relatie tot de samenstelling van de ingaande PET-schalen. Hieruit bleek dat gerecycled PET gemaakt van zuivere PET-schalen, waaraan dus geen sealmedium is toegevoegd, transparant en nauwelijks gekleurd is. Helaas was de intrinsieke viscositeitswaarde van dit soort gerecycled PET veel te laag, waardoor het materiaal te bros wordt. Dit materiaal zal eerst een nacondensatie-proces moeten ondergaan. Hierna zal dit materiaal sterker zijn, eenvoudiger te verwerken en breder toe te passen. Een andere en aanvullende optie om de intrinsieke viscositeit te verhogen is bijmengen met nieuw PET. In het geval de grondstof voor recycling nog een sealmedium of een restant top-folie bevat, wordt het gerecyclede PET grijs en ondoorzichtig. De intrinsieke viscositeitwaarden voor deze typen gerecycled PET waren wel iets beter, maar eigenlijk nog steeds te laag om goed te kunnen verwerken. Ook deze soorten gerecycled PET zullen dus een nacondensatie moeten ondergaan. Voor deze soorten gerecycled PET bestaat momenteel geen markt van betekenis. Deze resultaten laten zien dat de gewenste kwaliteit van transparante gerecyclede PET alleen kan worden verkregen uit PET-schalen die ook echt alleen uit PET bestaan en waaraan dus geen andere materialen zijn toegevoegd. Dit betekent dat PET-schalen die ontworpen worden voor mechanische recycling alleen uit PET mogen bestaan en uit andere verpakkingscomponenten (zoals labels) die met zeer hoge efficiëntie kunnen worden afgescheiden tijdens het wasproces. Overigens is de afwasbaarheid van verpakkingscomponenten niet onderzocht in deze studie, aangezien dit buiten de opdrachtbeschrijving valt. Deze studie opent – op basis van de eigenschappen van het gerecyclede materiaal - mogelijkheden voor de mechanische recycling van een deel van de PET-schalen. Het gaat om het deel waarvoor een gegarandeerde luchtdichte afsluiting niet noodzakelijk is, en waarvoor dus geen sealmedium nodig is, zoals bij klemdeksels voor druiven, tomaten, zacht-fruit, noten, etc. Voor PET-schalen die wel gegarandeerd luchtdicht afgesloten moeten worden (vlees, vis, kaas, vleeswaar, vleesvervangers, etc.) is een seal-systeem nodig dat of verenigbaar is met PET of volledig afgescheiden kan worden in het mechanische recyclingproces. Om verder te komen met de mechanische recycling van PET-schalen is meer onderzoek naar een dergelijk sealsysteem en de afwasbaarheid daarvan in een mechanisch recyclingproces noodzakelijk. In de tussentijd kan alleen een beperkte hoeveelheid PET-schalen mechanisch worden gerecycled mits er een sorteertechnologie wordt ontwikkeld om de zuivere PET-schalen uit het mengsel van PET-schalen te halen. Los hiervan, blijven er nog uitdagingen met het beperkte massa-rendement van het mechanische recycling proces.---A technical exploration study has been executed to define the maximal achievable quality of recycled poly(ethylene terephthalate) (rPET) that can be made from PET trays with a standard mechanical recycling process. PET is a versatile packaging material used to package multiple fresh food products such as meat, fish, cheese, salads, nuts, etc. Multiple recycling processes have been developed for PET bottles that deliver food-grade rPET. For the larger market of PET trays this has not been successful, yet, on an industrial scale, despite multiple attempts by various companies. The attempts to process the sorted product PET trays into recycled PET have failed because of low mass yields for the PET product, large volumes of waste being generated and insufficient quality of the final product. Sorted PET trays are a complicated feedstock. It is heterogeneous in size, colour and composition. Moreover, PET trays are composed of multiple components and materials. This translates in quality issues with the recycled PET material, which limit the applicability of the PET material largely. To determine the maximum achievable quality of rPET that can be made from trays, four types of trays were studied. It involved PET trays that were composed of only PET, but also PET trays with a sealing layer on the flange, PET trays with a PE coating on the inside and PET trays with sealing layers and residues of top-film. All these trays were separately comminuted, dried, extruded and injection moulded into test specimen. The material properties of the mechanically recycled PET trays were studied in relation to the composition of the feedstock trays. This revealed that recycled PET made from pure PET trays, to which no seal medium has been added, is transparent and hardly coloured. The intrinsic viscosity of this type of recycled PET is unfortunately too low, which results in a brittle material. This material will first have to be subjected to a solid-state post-condensation process. This will make the material stronger, easier to process and wider applicable. An additional and alternative option to increase the intrinsic viscosity is to mix with virgin PET. In case the feedstock contains a seal medium or a residue of top-film the rPET turns grey and hazy. Although the intrinsic viscosities of these types of rPET were slightly better, they are still too low to process the material smoothly. Also these types of rPET will need to be subjected to solid state postcondensation. For these types of recycled PET there is currently no market of significance. These results show that the desired quality of transparent recycled PET can only be obtained from PET trays that are solely composed of PET and to which no other material has been added. This implies that PET trays that are designed for mechanical recycling are only allowed to be composed of PET and the packaging components (such as labels) should be removed during recycling with very high separation efficiencies. The removal efficiency of packaging components during the washing step of the recycling process was not analysed, as this fell outside the scope of this study. According to this study the mechanical recycling should be possible for the subset of PET trays that does not rely on a gas tight closure of the trays, such as clam shells for grapes, tomatoes, soft fruit, nuts, etc. For PET trays used in modified atmosphere packages, that hence need to be sealed hermetically (meat, fish, cheese, cured meats, meat replacements, etc.), first a sealing system is required that is either compatible with PET or can be completely removed during recycling. To progress with the mechanical recycling of PET trays, further research into such a sealing system, including its removal during a mechanical recycling process, is paramount. In the meantime, only a limited amount of PET trays can be mechanically recycled, provided that a sorting technology is developed that can sort out pure PET trays from a mixture of PET trays. Besides these challenges, also the limited mass yield of the mechanical recycling process for PET trays has to be resolved.
    Ontwikkelingen van bodemgebonden vis en epibenthos in de Oosterschelde in de periode 1970-2018
    Mulder, I.M. ; Tulp, I. ; Ysebaert, T. - \ 2020
    Yerseke : Wageningen Marine Research (Wageningen Marine Research rapport C029/20) - 32
    In het kader van de systeemrapportage Oosterschelde zijn de ontwikkelingen van vis in de Oosterschelde geanalyseerd gebruik makend van de data uit de Demersal Fish Survey (DFS) die sinds 1970 elk jaar wordt uitgevoerd in onder andere de Oosterschelde waarbij de op de bodem levende vis en bodemdieren worden bemonsterd met een garnalenkor. Met deze methode wordt een deel van de visgemeenschap bemonsterd: grotere, snel zwemmende vis en vissen in de waterkolom vallen buiten het bereik van de methode. De tijdseries van dichtheid en biomassa van de totale hoeveelheid gevangen vis zijn geanalyseerd, naast algemene trends van vissoorten die zijn gegroepeerd in ecologische- en voedselgildes. Daarnaast zijn een aantal individuele soorten geanalyseerd, waaronder commerciële soorten zoals schol, tong en bot waarvoor de Oosterschelde fungeert als een kinderkamer. Alle trends zijn berekend voor de Oosterschelde als geheel en per deelgebied: de monding, het middengebied, de noordtak en de kom. Zowel de biomassa als dichtheden laten een sterke daling zien vanaf ca. 1986, met een korte opleving net voor 2000, gevolgd door een verdere daling. Ook voor sommige individuele soorten zoals schol en schar is een sterke daling waarneembaar, en lijkt het omslagpunt te liggen rond 1988. Daarnaast is er in alle deelgebieden, vooral in de monding en het middengebied van de Oosterschelde, rond 2005 een sterke daling te zien in visbiomassa. De ontwikkelingen zijn ook waarneembaar in de gildes. Zo wordt de biomassa voornamelijk gedomineerd door mariene juvenielen maar sinds 2010 verschuift het grootste aandeel van de biomassa voornamelijk naar estuariene residenten zoals grondel, zandspiering, vijfdradige meun, zeedonderpad, glasgrondel en zwarte grondel. De verschuiving is het duidelijkst te zien in de kom waar in 2018 bijna de gehele biomassa wordt vertegenwoordigd door estuariene residenten. Vergelijkbare ontwikkelingen zijn zichtbaar in de voedselgildes waar groepen zoals planktivoren en piscivoren een steeds groter deel van de biomassa gaan vertegenwoordigen. Naast de trends in dichtheden en biomassa laten bepaalde soorten een sterkere verandering zien in lengteverdeling over de tijd dan andere soorten. Zo zijn voornamelijk voor platvis zoals schol, schar en tong veranderingen te zien waarbij een afname te zien is in individuen groter dan 10 cm. Dit vormt ook een groot deel van de verklaring van de afname in biomassa. Ontwikkelingen in andere soorten zoals zeebaars zijn lastiger te interpreteren aangezien er met het gebruikte tuig en de gehanteerde vissnelheid wel juveniele maar geen volwassen zeebaars gevangen wordt. Vergelijkbare dalende trends in biomassa, dichtheden en grootte zijn waarneembaar in de Waddenzee en de kustgebieden, die eenzelfde functie hebben als de Oosterschelde voor kinderkamersoorten. Hierbij spelen waarschijnlijk factoren op een regionale schaal zoals temperatuurveranderingen en mogelijk veranderingen in voedselaanbod, predatiedruk en visserij een rol. Dit wijst er mogelijk op dat niet alleen lokale factoren (e.g. voedselaanbod) de oorzaak zijn van de afname van visbiomassa en dichtheden, maar dat ook andere factoren zoals de stijging van de watertemperatuur door klimaatverandering invloed kunnen hebben. Opvallend hierbij is wel dat in de kustgebieden de neergaande trend zich ook weer heeft gekeerd, maar in de Oosterschelde en Waddenzee niet. Voor begrip van dergelijke trendmatige gebiedspecifieke veranderingen is een gedetailleerde studie nodig. Mogelijk biedt een vergelijking met de Westerschelde (als niet afgesloten zeearm) hier enig houvast, maar waarschijnlijk is een mechanistische studie naar welke processen verantwoordelijk zijn voor de waargenomen veranderingen noodzakelijk.
    Bestandsoverzicht van snoekbaars, baars, blankvoorn en brasem en de evaluatie van potentiële oogstregels voor snoekbaars en baars : In het IJssel-/Markermeer 2020
    Tien, N. ; Mosqueira Sanchez, I. ; Brunel, T. ; Hammen, T. van der; Molla Gazi, K. ; Donk, S. van; Foekema, E. ; Leeuw, J. de - \ 2020
    IJmuiden : Wageningen Marine Research (Wageningen Marine Research rapport C041/20) - 105
    Het beheer van de visserij op snoekbaars, baars, blankvoorn en brasem in het IJssel-/Markermeer is in visseizoen 2014/2015 aangepast als eerste stap richting verduurzaming van deze visserij. De aanpassing bestond toen hoofdzakelijk uit verminderde toegestane inspanning in de visserij met staande netten en zegens, om verdere achteruitgang in de bestanden een halt toe te roepen. Het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit werkt aan een verdere verduurzaming van de visserij op deze bestanden. In 2019 is in het Bestuurlijk Overleg een drietal beheerdoelstellingen opgesteld, die gehaald dienen te worden in 2027: (1) de hoogst mogelijke commerciële vangsten die duurzaam opgevist kunnen worden, waarbij wel (2) meer grote vis in het bestand aanwezig moet zijn, zoals gevraagd vanuit de Kaderrichtlijn Water en (3) voedselreservering moet plaatsvinden voor het potentieel aan vogels, zoals omschreven in de Natura2000-doelstellingen. Voor deze beheerdoelstellingen zijn oogstregels ontwikkeld voor snoekbaars en baars. Ook worden de ontwikkelingen in de vier bestanden gepresenteerd, met als belangrijkste vraag: zijn sinds het aangepaste beheer in visseizoen 2014/2015 verbeteringen in het bestand te zien, in zowel de bestandsgrootte als de bestandsopbouw?
    Reisverslag kustsurvey Natuurlijk Veilig : juni 2020
    Vrooman, Jip ; Dijkman-Dulkes, Andre ; Hal, Ralf van - \ 2020
    IJmuiden : Wageningen Marine Research) (Wageningen Marine Research rapport C071/20) - 23
    In de periode van 16 tot 23 juni 2020 heeft Wageningen Marine Research in opdracht van Rijkswaterstaat in het kader van Natuurlijk Veilig opnieuw een kustlangse survey uitgevoerd in de vooroever. Dit jaar is bemonsterd vanaf IJmuiden tot aan Texel en aanvullend in de westelijke Waddenzee (Balgzand). De survey is opgezet om de verspreiding en abundantie van (plat)vis in de vooroever te bepalen en gegevens te verzamelen over (a)biotische factoren die deze verspreiding bepalen. Het doel van de bemonstering is om mogelijke effecten van zandsuppleties in de vooroever op vis in kaart te brengen. De dit jaar uitgevoerde bemonsteringen zijn, ondanks een gedeeltelijk andere opzet, bedoeld als aanvulling op eerdere werkzaamheden binnen het Natuurlijk Veilig project, welke zijn uitgevoerd in 2017, 2018 en 2019. Vanaf IJmuiden naar het noorden toe en in de westelijke Waddenzee zijn er om de paar kilometer op verschillende waterdieptes in totaal 81 locaties succesvol bemonsterd. Iedere locatie is bemonsterd voor vis met een 3 meter boomkor (het DFS-tuig). Daarnaast is op iedere locatie (m.u.v. 3 locaties) een sedimentmonster genomen en zijn er gegevens verzameld over doorzicht, watertemperatuur en saliniteit. In totaal zijn in de 81 vistrekken 90.796 vissen gevangen verdeeld over 36 soorten. Daarnaast zijn er 37 overige soorten (o.a. benthos) geregistreerd. De meest gevangen vissoorten waren haring (incl. clupeidae), zandspiering en schol en voor de overige soorten waren dit gewone garnaal, gewone zwemkrab en strandkrab.
    Energietransitie: geothermie voor productie van vis en groenten met aquaponics
    Boedijn, Alexander - \ 2020
    Mucous membrane in gills keeps fish healthy
    Wiegertjes, Geert - \ 2020
    Ethics and the Welfare of Fish
    Bovenkerk, B. ; Meijboom, Franck - \ 2020
    In: The welfare of fish / Kristiansen, T.S., Fernö, A., Pavlidis, M.A., van de Vis, H., Cham : Springer (Animal Welfare ) - ISBN 9783030416744 - p. 19 - 42.
    To what extent fish can experience suffering and enjoyment is not just an empirical question, but one that also calls for ethical reflection. This is firstly, because animal welfare research is value laden and secondly, because the empirical evidence requires a normative framework in order to become action guiding in practices involving fish, such as aquaculture. In this chapter, we describe the role of ethics and different ethical theories that have been applied in animal ethics and that are relevant for discussions on fish welfare. We particularly focus on utilitarian, rights based, relational, and virtue ethical animal ethics theories. We furthermore argue that fish welfare is a term that combines moral norms and biological concepts. After all, when we implement fish welfare measures we have already made certain normative choices. We illustrate the integration between ethics and science in seven steps, from implementing fish welfare at the farm level, to weighing welfare against other values, defining and measuring welfare, to the questions of why welfare is morally relevant and what this means for the moral status of fish. We then consider the question of whether fish should be attributed to moral status and hence whether their welfare should be taken into account in our moral deliberations. However, not all moral concerns regarding our treatment of fish can be addressed by focussing on welfare. We discuss a number of concerns beyond welfare that need to be taken into consideration in a moral discussion on how to relate to fish: does the killing of fish constitute a moral harm? and how should we morally evaluate the process of domesticating fish in aquaculture? The chapter concludes by pointing out a number of moral issues in four practices involving fish: aquaculture, wild fisheries, experimentation, and recreation.
    What Have We Learned?
    Fernö, Anders ; Pavlidis, M.A. ; Vis, J.W. van de; Kristiansen, T.S. - \ 2020
    In: The welfare of fish / Kristiansen, T.S., Fernö, A., Pavlidis, M.A., van de Vis, H., Cham : Springer (Animal Welfare ) - ISBN 9783030416744 - p. 509 - 515.
    So, what have we learned from The Welfare of Fish book? To understand and evaluate the welfare of fishes is certainly a challenge. However, given the available information, we have in many cases been able to draw quite firm conclusions. Although some of them can certainly be modified and perhaps even refuted by some researchers, we will here skip phrases and words such as “this suggests”, “it cannot be excluded”, “mostly”, “presumably”, and the like. This is the editors’ current understanding of the cognitive capacity, consciousness, and welfare of fishes after we have read the book chapters . We also suggest three important areas for research.
    Welfare of Farmed Fish in Different Production Systems and Operations
    Vis, J.W. van de; Kolarevic, Jelena ; Stien, L.H. ; Kristiansen, T.S. ; Gerritzen, M.A. ; Braak, Karin van de; Abbink, W. ; Saether, B.S. ; Noble, C. - \ 2020
    In: The welfare of fish / Kristiansen, T.S., Fernö, A., Pavlidis, M.A., van de Vis, H., Cham : Springer (Animal Welfare ) - ISBN 9783030416744 - p. 323 - 361.
    When fish are reared for food production in aquaculture, they can be held in different types of rearing systems and subjected to various husbandry routines and operations. Each of these systems or operations can present different welfare risks to the fish, which in turn are dependent upon both the species and its life stage. In this chapter, we address and outline potential welfare hazards the fish may encounter in a wide range of existing and emerging rearing systems used for on-growing. These systems include: (1) pond-based aquaculture, (2) flow-through systems, (3) semi-closed containment systems, (4) RAS, (5) net cages and (6) farming offshore using sea cages in exposed conditions. We also outline potential welfare hazards for two key farming operations: transport and slaughter. We present the tools the farmer can use to assess fish welfare during on-growing and also outline relevant welfare actions that can be taken to militate against welfare hazards.
    The Welfare of Fish
    Fernö, Anders ; Pavlidis, A. ; Vis, J.W. van de; Kristiansen, T.S. - \ 2020
    Cham : Springer (Animal Welfare ) - ISBN 9783030416744 - 515 p.
    This book investigates how fish experience their lives, their amazing senses and abilities, and how human actions impact their quality of life. The authors examine the concept of fish welfare and the scientific knowledge behind the inclusion of fish within the moral circle, and how this knowledge can change the way we treat fish in the future. In many countries fish are already protected by animal welfare legislation in the same way as mammals, but in practice there is still a major gap between how we ethically view these groups and how we actually treat them. The poor treatment of fish represents a massive animal welfare problem in aquaculture and fisheries, both in terms of the number of animals affected and the severity of the welfare issues.

    Thanks to its interdisciplinary scope, this thought-provoking book appeals to professionals, academics and students in the fields of animal welfare, cognition and physiology, as well as fisheries and aquaculture management.
    Natuurlijk veilig: Meetplan kustsurvey 2020
    Volwater, Joey ; Hal, Ralf van - \ 2020
    Den Helder : Wageningen Marine Research (Wageningen Marine Research rapport C044/20) - 18
    Suppleties van zand op vooroever of strand worden in opdracht van Rijkswaterstaat uitgevoerd om de Nederlandse kust tegen erosie te beschermen en om voldoende zand in het kustfundament te houden. Een groot deel van de suppleties vindt plaats in of nabij de kuststrook die binnen de Natura2000 regelgeving wordt beschermd, de Noordzeekustzone. Het is dus van belang de eventuele effecten van deze praktijk op de natuur zorgvuldig te bestuderen, zodat dit effect kan worden afgezet tegenover het algemene nut voor de maatschappij. Betere kennis van de effecten kan leiden tot beperking van eventuele schade aan- en mogelijk zelfs tot versterking van- gewenste natuurwaarden en ecosysteemdiensten. Tot nog toe is er in vergelijking met benthos relatief weinig aandacht geweest voor de gevolgen van suppleren op vispopulaties, terwijl de kinderkamerfunctie van de ondiepe kustzone voor vis een zeer belangrijke economische ecosysteemdienst levert. Kennis van de omgevingsfactoren die het voorkomen van juveniele vis in de ondiepe kustzone bepalen, leidt tot een verbeterd inzicht in de gevolgen van suppleties op vispopulaties en daarvan afhankelijk overig zeeleven. In overleg met natuurorganisaties en de kennisinstituten Deltares en Wageningen Marine Research is in 2016 het document `Ecologische effecten van zandsuppleties’ (Herman et al., 2016) geschreven met als doel onderzoek te formuleren naar ecologische effecten van zandsuppleties. In het onderdeel ‘uitvoeringsplan’ (deel C in Herman et al. 2016) zijn 3 onderzoekslijnen (ook wel Krachtlijnen genoemd) gedefinieerd, te weten: Vooroever, Duinen en Waddenzee. Het hier beschreven meetplan voor een survey in 2020 valt onder de onderzoekslijn Vooroever. De onderzoeksvraag luidt: “Wat zijn de cumulatieve gevolgen van reguliere suppleties op samenstelling en functioneren van het ecosysteem van de ondiepe vooroever van de Nederlandse kust?” Deze volgt uit de prioritering van de krachtlijn Vooroever: (cumulatieve) gevolgen van reguliere suppleties op samenstelling en functioneren van het ecosysteem van de vooroever. Het onderdeel dat in onze monitoring de hoogste prioriteit heeft gekregen is vis en dan met name de bodemgebonden (plat)vis omdat hier het meest directe effect van een verandering in sedimentsamenstelling door suppleties is te verwachten. Om de verspreiding en abundantie van deze vis in relatie tot omgevingsvariabelen zoals sedimentsamenstelling beter te begrijpen is er in 2017, 2018 en 2019 bemonsterd in de ondiepe vooroever (<10m) waarbij verschillende omgevings-variabelen zijn bepaald. In 2017 en 2018 is dit gedaan voor specifieke gebieden met een experimentele opzet. Vanwege de beperkt beschikbare tijd (en de noodzaak van goede weersomstandigheden binnen dit tijdsbestek) leverde dit minder resultaten op dan vooraf verwacht. Vandaar dat in 2019 besloten is een andere opzet te kiezen waarbij de experimentele opzet minder van belang was. Er werd toen uitgebreider gekeken naar het ruimtelijke beeld langs de gehele Nederlandse kustzone. In navolging van 2019 wordt er voor 2020 opnieuw een kustlangse survey voorgesteld. Gedurende een week wordt er vanaf het onderzoeksschip de Luctor met een 3 m boomkor gevist en wordt er op dezelfde locaties een sedimentmonster genomen. Voorlopige analyses van de eerder verzamelde gegevens laten zien dat de vangsten van schol in de kustzone vele malen lager zijn dan die in publicaties over de Waddenzee. Dit zou een werkelijk verschil in aanwezigheid van schol kunnen zijn, maar waarschijnlijk speelt de vangstefficiëntie van de gebruikte vistuigen hierin ook een rol. Om hier zicht op te krijgen, is er voor 2020 voorgesteld om in beide gebieden te bemonsteren met hetzelfde tuig. Om deze aanpassing op de kustlangse bemonstering zoals uitgevoerd in 2019 mogelijk te maken, is ervoor gekozen om het meest zuidelijke transect, langs de Zandmotor, uit de 2019 bemonstering te laten vervallen. Hiervoor in de plaats wordt een dag gebruikt om een transect op het Balgzand in de Waddenzee te bemonsteren. In 2020 gaat er vanuit IJmuiden tot aan Texel langs de kust op een diepte tussen 4-5 m bemonsterd worden, aangevuld met bemonsteringen op het Balgzand. In 2019 zijn twee raaien naar dieper water (12m) bemonsterd om inzicht te krijgen of de verspreiding van jonge schol zich enkel beperkt tot de 4-5m diepte zone, of dat ze in het voorjaar ook al aanwezig zijn in diepere wateren. Om meer inzicht op deze ruimtelijke verspreiding te krijgen zal er langs de kust in 2020 opnieuw geprobeerd worden een aantal raaien naar dieper water (12m) te bemonsteren.
    Vismonitoring Zoete Rijkswateren en Overgangswateren t/m 2019 : Deel II, Toegepaste methoden
    Keeken, O.A. van; Bruijn, P.J.A. de; Griffioen, A.B. ; Os-Koomen, E. van; Wiegerinck, J.A.M. - \ 2020
    IJmuiden : Wageningen Marine Research (Wageningen Marine Research rapport C047/20) - 102
    Om een inschatting te krijgen van de toestand van de zoete rijkwateren en overgangswateren worden diverse vismonitoringsprogramma’s uitgevoerd. Deze programma’s maken deel uit van het Wettelijke Onderzoekstaken (WOT) programma in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) en het Programmaplan Vis-en Biotamonitoring 2018-2023 van Rijkswaterstaat (RWS). In totaal worden 13 monitoringsprogramma’s en één registratieprogramma in de grote zoete rijkswateren (meren en rivieren), de overgangswateren en de spuikom bij Kornwerderzand in de Waddenzee uitgevoerd. Ontsluiting van vismonitoringsgegevens gebeurt op drie manieren. Het voorliggende rapport (Deel II) is een achtergronddocument waarin de gebruikte monitoringsmethodieken in de verschillende vismonitoringen in de zoete rijkswateren en overgangswateren t/m 2019 worden vastgelegd. In het rapport ‘Toestand en trends’ (Deel I) worden de resultaten geïnterpreteerd (trends en duiding). Daarnaast worden de monitoringsdata via een dataportaal1 ontsloten (voorheen rapportage Deel III). Wijzigingen die in 2019 zijn doorgevoerd, staan puntsgewijs opgesomd in paragraaf 1.1. De veranderingen betreffen het beëindigen van bepaalde bemonsteringen of juist het starten van nieuwe bemonsteringen, maar ook veranderingen in monsterlocaties of –frequenties en rapportage.
    Vissen in Zeeland
    Calle, P. ; Calle, L. ; Kranenbarg, J. ; Velden, J.A. van der; Meyer, A.J.M. ; Boois, I.J. de; Dubbeldam, M. ; Jacobusse, C. - \ 2020
    Stichting Het Zeeuwse Landschap (Fauna Zeelandica IX) - ISBN 9789080637009 - 301 p.
    In dit boek worden alle ooit waargenomen vissoorten (177) in Zeeland uitgebreid beschreven en geïllustreerd met fantastische foto’s. Samen met vele partners en vrijwilligers is na jaren van veldonderzoek, digitalisering van oude data en data-analyse een aantrekkelijk en toegankelijk boek gerealiseerd voor iedereen die van vis houdt.
    Transdisciplinary development and adoption of irrigation innovations in Africa. Linkages to principles of CAADP: a commentary
    Phiri, E. ; Bwalya, M. ; Froebrich, J. ; Mweetwa, A.M. ; Chishala, B.H. ; Meebelo, N. ; Shepande, C.M. ; Witt, M. De; Clercq, W. De - \ 2020
    Irrigation and Drainage 69 (2020)S1. - ISSN 1531-0353 - p. 148 - 154.
    agricultural development - CAADP - innovation - irrigation

    Expanding arable land under irrigation is cardinal in the quest to attain Africa's aspiration of transforming agriculture and realizing its true value and positive impact on wealth creation, economic growth, food security and nutrition for all. Over the last three to four decades, many initiatives have been designed to harness both small- and large-scale irrigation technologies towards increasing agricultural production and productivity. The EAU4Food (European Union and African Union cooperative research to increase food production in irrigated farming systems in Africa) project was a collaborative project under the EU–African Union Scientific Partnership aimed at enabling the successful adoption and upscaling of appropriate irrigation support innovations. The project applied a transdisciplinary approach to design, test and disseminate innovations across the continent. The project was designed to gain better insights vis-à-vis how the innovation process can be enhanced, and to share insights for supporting the implementation of national agricultural development programmes and strategies conceived within the context of the Comprehensive Africa Agriculture Development Programme (CAADP) framework. This note highlights linkages between the CAADP framework and the EAU4Food project and suggests some future areas of attention on Africa's agenda for enhanced agricultural production, facilitated under the auspices of CAADP.

    Hybridizing the commons. Privatizing and outsourcing collective irrigation management after technological change in Spain
    García-Mollá, Marta ; Ortega-Reig, Mar ; Boelens, Rutgerd ; Sanchis-Ibor, Carles - \ 2020
    World Development 132 (2020). - ISSN 0305-750X
    Common-pool resources management - Coproduction - Irrigation - Outsourcing - Privatization - Technological change

    During the last decades, several regions of the world have experienced an increasingly forceful penetration by commercial service companies into irrigation water management, altering the institutional structures and procedures of common-pool resources management. In many cases, private-sector penetration takes place when water user organizations require a company to implement high-tech water control such as pressurized irrigation systems, as part of ‘modernization policies’. This study focuses on four representative cases of these processes with differing degrees of private-enterprise penetration in the Valencia Region (Spain). The research analyzes the strategies of collective-private confrontation and collaboration that are emerging in irrigator communities, and characterize how they affect the management of these irrigation systems. Results show how private enterprise intrusion has unequally affected the interactions between the different components of these irrigation systems. This has created different hybrids between private and common pool-resources management institutions, as well as different autonomies, dependencies and socio-political subjects. Users’ capacity to guide this coproduction process and maintain local control over their irrigation systems is essential to ensure the stability and preserve the robustness of each irrigation system. The quality of human capital and the recognition of collective water management values makes irrigation entities more robust vis-à-vis external pressures and disturbances, which in some of the cases analyzed have generated major social conflicts.

    Seizoensveranderingen in vis en epibenthos in de Waddenzee : pilotproject maandelijkse monitoring
    Vrooman, Jip ; Vries, Marcel de; Tulp, Ingrid - \ 2020
    IJmuiden : Stichting Wageningen Research, Centrum voor Visserijonderzoek (CVO) (CVO rapport 20.006) - 20
    Binnen dit project wordt gedurende drie jaar (2019-2021) geëxperimenteerd met jaarronde monitoring van vis en epibenthos in de Waddenzee, aanvullend op de jaarlijks uitgevoerde DFS. Verzamelde gegevens over soortsamenstelling, dichtheid en lengteverdeling kunnen gebruikt worden om conclusies te trekken over het gebruik van het gebied (bijvoorbeeld als kinderkamer) in verschillende seizoenen en door verschillende jaarklassen van verschillende soorten. De eerste resultaten (jaar 1) suggereren variatie in dichtheid door de maanden heen, waarbij verschillende soorten verschillende pieken in aantallen vertonen. Zo wordt bijvoorbeeld bot veel aan het begin van het jaar gevangen, terwijl bij schol de intrek van de nieuwe jaarklasse met name in mei goed te zien is. Dergelijke patronen blijken ook uit de lengtefrequentieverdelingen, waarin te zien is het dat het gebied voor verschillende soorten op een ander moment belangrijk is voor de nieuwe jaarklasse. Ook de groei van verschillende soorten is goed te volgen. Praktisch is de survey goed uitvoerbaar en zeer kosteneffectief in verband met de scheepstijd op het controlevaartuig. Omdat het onderzoek nog slechts één jaar en een beperkt aantal datapunten beslaat, is in deze rapportage volstaan met een eerste beschrijving van de resultaten. Aanbevolen wordt daarom om deze studie in ieder geval nog 2 jaar voort te zetten gaan, om meer meetpunten te verzamelen en conclusies te kunnen trekken over veranderingen in seizoenspatronen die relevant kunnen zijn voor commerciële vissoorten. De resultaten zullen in het derde jaar ook met historische gegevens vergeleken worden. Tot slot kan overwogen worden of en hoe maandelijkse monitoring als onderdeel opgenomen kan worden in de basismonitoring Waddenzee.
    Kleine vis in een kleine dwergvinvis. Toeval of trend? : Maag- en darminhoud van de jonge dwergvinvis die aanspoelde op Texel op 8 juli 2019
    Leopold, Mardik F. ; Keijl, Guido O. ; Overmaat, Wiske ; Bravo Robolledo, Elisa L. - \ 2020
    Den Helder : Wageningen Marine Research (Wageningen Marine Research rapport C003/20) - 23
    Natte kraamkamers: Uiterwaarden onmisbaar voor jonge vis
    Stoffers, T. ; Nagelkerke, L.A.J. ; Schoor, M. - \ 2020
    Visionair : het vakblad van sportvisserij Nederland (2020)55. - ISSN 1569-7533 - p. 22 - 25.
    Voor een gezonde visgemeenschap in laaglandrivieren zijn uiterwaarden, ook wel vloedvlakten genoemd, erg belangrijk. Daarom is sinds de jaren ’90 van de vorige eeuw in Nederland veel geïnvesteerd in het herstel van de ecologische kwaliteit van uiterwaarden en daarmee die van het hele riviersysteem.
    Resolving humic and fulvic acids in binary systems influenced by adsorptive fractionation to Fe-(hydr)oxide with focus on UV–Vis analysis
    Xu, Yun ; Bai, Yilina ; Hiemstra, Tjisse ; Tan, Wenfeng ; Weng, Liping - \ 2020
    Chemical Engineering Journal 389 (2020). - ISSN 1385-8947
    Acid precipitation - Adsorptive fractionation - Humic Substances - Iron-oxides - Size exclusion chromatography - UV–Vis spectroscopy

    Humic acid (HA) and fulvic acid (FA) are two operationally defined classes of natural organic matter. In the environment, both materials are present simultaneously and bind in a competitive manner to Fe-(hydr)oxides and other minerals, but their quantification in mixtures is a challenge. In this study, an UV–Vis method was developed to quantify concentrations of HA and FA without and after adsorptive fractionation by an iron oxide (goethite, α-FeOOH). In addition, the performance of the UV–Vis method was compared to that of acid precipitation and size exclusion chromatography (SEC). Among the three methodologies (UV–Vis, acid precipitation, SEC), the UV–Vis method is the most successful in quantifying the ratio of HA to FA subject to fractionation. The UV–Vis method is based on distinct differences in the UV–Vis spectra of HA and FA, including fingerprints in both the spectra shape and intensity. Adsorption to goethite decreased the specific light absorbance of HA and FA, but the changes in spectral shape were not significant enough to cover their differences. The acid precipitation method can also quantify the HA to FA ratio. But to minimize the influence of incomplete HA precipitation or co-precipitation of FA, the concentration of both HA and FA needs to be at least ~20 mgC L−1. The SEC method is not suitable to measure HA and FA after adsorption, because preferential adsorption significantly affects the shape of SEC chromatograms.

    Check title to add to marked list
    << previous | next >>

    Show 20 50 100 records per page

     
    Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.