Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

    Records 1 - 50 / 937

    • help
    • print

      Print search results

    • export
      A maximum of 250 titles can be exported. Please, refine your queryYou can also select and export up to 30 titles via your marked list.
    Check title to add to marked list
    Handtam zwijn wordt de dupe van toerist
    Jansman, Hugh - \ 2020

    Nu het extra druk is op de Veluwe, groeit ook een zorgelijk fenomeen: toeristen die wilde zwijnen lokken met voer. Een campagne moet hun duidelijk maken dat dit de dood van het dier kan betekenen, door een auto of de kogel.

    Een levende collectie zeldzame bomen
    Buiteveld, Joukje - \ 2020

    In de Flevopolder staat een levende genenbank met wilde exemplaren van inheemse bomen en struiken. In een korte video legt WUR-CGN onderzoeker Joukje Buiteveld uit waarom de genenbank belangrijk is en hoe deze bijdraagt aan toekomstbestendig bos- en natuurbeheer.

    Inrichting- en beheermaatregelen voor wilde bijen en andere bestuivers in stad, platteland en natuur
    Ottburg, Fabrice ; Dooremalen, Coby van - \ 2020
    Pilot-scale hybrid constructed wetlands for the treatment of cooling tower water prior to its desalination and reuse
    Wagner, Thomas V. ; Wilde, Vinnie de; Willemsen, Bert ; Mutaqin, Muhamad ; Putri, Gita ; Opdam, Julia ; Parsons, John R. ; Rijnaarts, Huub H.M. ; Voogt, Pim de; Langenhoff, Alette A.M. - \ 2020
    Journal of Environmental Management 271 (2020). - ISSN 0301-4797
    Benzotriazole - Biocides - Nitrate - Phosphate - Removal mechanisms - Winter season

    Cooling towers are responsible for a large part of the industrial fresh water withdrawal, and the reuse of cooling tower water (CTW) effluents can strongly lower industrial fresh water footprints. CTW requires desalination prior to being reused, but various CTW components, such as total organic carbon (TOC), conditioning chemicals and total suspended solids (TSS) hamper physico-chemical desalination technologies and need to be removed from the CTW. A cost-efficient and robust pre-treatment is thus required, which can be provided by constructed wetlands (CWs). The present study is the first study that determined the CTW pre-treatment efficiency of hybrid-CWs and the impact of winter season and biocides in the CTW on the pre-treatment efficiency. The most efficient CW flow type and dominant removal mechanisms for CW components hampering physico-chemical desalination were determined. Subsurface flow CWs removed PO43−, TSS and TOC as a result of adsorption and filtration. Vertical subsurface flow CWs (VSSF-CW) excelled in the removal of benzotriazole as a result of aerobic biodegradation. Horizontal subsurface flow CWs (HSSF-CW) allowed the denitrification of NO3 due to their anaerobic conditions. Open water CWs (OW-CWs) did not contribute to the removal of components that hamper physico-chemical desalination technologies, but do provide water storage options and habitat. The biological removal processes in the different CW flow types were negatively impacted by the winter season, but were not impacted by concentrations of the biocides glutaraldehyde and DBNPA that are relevant in practice. For optimal pre-treatment, a hybrid-CW, consisting of an initial VSSF-CW followed by an OW-CW and HSSF-CW is recommended. Future research should focus on integrating the hybrid-CW with a desalination technology, e.g. reverse osmosis, electrodialysis or capacitive ionization, to produce water that meets the requirements for use as cooling water and allow the reuse of CTW in the cooling tower itself.

    Nestelmogelijkheden voor solitaire bijen in bodems van bloemrijke bermen : Een vergelijkend onderzoek tussen ingezaaide en niet-ingezaaide bermen in de gemeente Sint Anthonis
    Sanders, Dianne ; Groot, Arjen de; Goedhart, Paul W. ; Dimmers, Wim J. ; Kats, Ruud van; Scheper, Jeroen A. ; Roessink, Ivo - \ 2020
    Wageningen : Wageningen Environmental Research (Wageningen Environmental Research rapport 3019) - 35
    Er zijn sterke aanwijzingen dat zowel de aantallen als de soortendiversiteit van bestuivers de laatste decennia sterk achteruit zijn gegaan. Een speerpunt van de Nationale Bijenstrategie is het verbeteren van het leefgebied van wilde bijen en andere bestuivers. De meeste initiatieven om leefgebied voor wilde bijen te creëren, richten zich op het aanleggen van een bloemrijke vegetatie. Belangrijk voor wilde bijen is echter dat naast voldoende voedsel ook voldoende geschikte nestlocaties aanwezig zijn. De bekende bijenhotels helpen daarbij, maar het overgrote deel van de Nederlandse wilde bijensoorten nestelt ondergronds. Nestgelegenheid voor deze bodemnestelende bijen kan o.a. worden gecreëerd door zogenaamde nestelhoopjes of nesteldijkjes vorm te geven, maar dergelijke maatregelen zijn lang niet overal mogelijk. Een voorbeeld zijn de wegbermen, waar relatief makkelijk meer bloemaanbod te genereren is, maar gezien de verkeersveiligheid minder ruimte is voor het creëren van kale bodem of taluds. Onduidelijk is in hoeverre bloemrijke grasstroken, zoals deze wegbermen, al functioneren als nestlocatie voor wilde bijen en hoe deze potentiële functie verder kan worden bevorderd. In het voorliggende onderzoek is die vraag nader onderzocht door gedurende twee jaren in wegbermen met en zonder ingezaaide bloemranden de aanwezigheid van bodemnestelende bijen te inventariseren.
    Klimaatverandering treft gewas-gerelateerde wilde soorten in Nederland
    Treuren, Rob van - \ 2020
    Gebruik en behoud van bronpopulaties van wilde bomen en struiken
    Copini, Paul - \ 2020
    Virussen vóór zijn
    Poel, W.H.M. van der - \ 2020
    Wageningen University & Research
    Door globalisering en verstedelijking kunnen ziekten die van dieren op mensen overgaan, zich sneller verspreiden. Vroege detectie kan levens redden. Daarom sporen Wageningse virologen samen met dierenartsen zo snel mogelijk potentiële ziekteverwekkers op bij wilde dieren en vee. De onderzoekers ontrafelen de genetische opmaak van virussen om de risico’s te bepalen en vaccins te kunnen ontwikkelen. Met vakgenoten wereldwijd wisselen ze expertise uit om nieuwe bedreigingen voor te zijn.
    Hoogste tijd om honingbijen te beschermen
    Blacquiere, T. - \ 2020
    Bijenhouden 14 (2020)1. - ISSN 1877-9786 - p. 4 - 7.
    Er zijn zo’n 360 bijensoorten inheems in Nederland. Niet al die 360 kunnen ook nog werkelijk worden aangetroffen buiten opgeprikte verzamelingen, want vele zijn bedreigd. De honingbij (Apis mellifera) is ook een bedreigde inheemse soort. Veel natuurbeschermers en imkers denken hier anders over, maar het is precies wat de auteurs van een recent artikel betogen, en met goede argumenten. Zij doen bovendien suggesties hoe je wilde honingbijen zou kunnen beschermen. Hier beschrijf ik in grote lijnen de inhoud van het artikel van Requier et al., 2019.
    Risicoanalyse voor introductie van hoog pathogene aviaire influenza in de Nederlandse commerciële pluimveehouderij
    Germeraad, E.A. ; Beerens, N. ; Slaterus, R. ; Elbers, A.R.W. - \ 2020
    Lelystad : Wageningen Bioveterinary Research - 24
    Dit is de vierde risicoanalyse (sinds de start in september 2018) voor de introductie van hoog pathogene aviaire influenza (HPAI) op Nederlandse commerciële pluimveehouderijen uitgevoerd in januari 2020 door de WOT Besmettelijke Dierziekten, met ondersteuning van de Nederlandse Voedsel en Waren autoriteit (NVWA), Avined en Samenwerkende Organisaties Vogelonderzoek Nederland (SOVON). Dit rapport is vervaardigd in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Het doel van dit rapport is het bundelen van de aanwezige informatie over de aanwezigheid van HPAI in commerciële pluimveebedrijven en wilde vogels, op basis hiervan wordt een kwalitatieve risicoanalyse voor de introductie van HPAI op commerciële pluimveebedrijven uitgevoerd. Dit rapport geeft een overzicht van de HPAI infecties die werden gerapporteerd tussen 1 april 2019 en 20 januari 2020.
    Leven met wilde natuur
    Buscher, Bram - \ 2020

    Wereldwijd komen wilde dieren op veel plekken in het nauw. Hun leefgebied slinkt door oprukkende menselijke bewoning, land- en mijnbouw en industrialisatie. Wageningse wetenschappers doen veldonderzoek naar oplossingen om mens en dier beter samen te leren leven. Ze stellen vast dat we meer natuur kunnen behouden wanneer we afscheid nemen van ongelimiteerde economische groei. Hoe denk jij dat we de natuur het beste kunnen beschermen?

    RK Kerk Bennekom opent de deuren voor wilde bijen
    Ottburg, F.G.W.A. ; Noordijk, J. ; Roessink, I. - \ 2019
    Wageningen University & Research (Kennisimpuls bestuivers 2018-8) - 14 p.
    Inrichting en beheer voor wilde bijen van Struytse Zeedijk en Vestingwallen Westzijde in gemeente Hellevoetsluis
    Ottburg, F.G.W.A. ; Roessink, I. - \ 2019
    Wageningen : Wageningen University & Research (Kennisimpuls bestuivers 2019-1) - 18 p.
    Natuurinclusieve maatregelen voor wilde bestuivers
    Scheper, J.A. - \ 2019
    Wageningen Environmental Research (Kennisimpuls bestuivers 2019-6) - 9 p.
    Wilde bijen op kano peddels
    Ottburg, F.G.W.A. ; Lammertsma, D.R. - \ 2019
    Wageningen University & Research (Bijenhelpdesk Casus 2019-4) - 9 p.
    Kansen voor wilde bijen in vogelparadijs Avifauna
    Ottburg, F.G.W.A. ; Lammertsma, D.R. - \ 2019
    Wageningen University & Research (Bijenhelpdesk Casus 2019-3) - 12 p.
    Biomassa voor de circulaire economie : Alles wat je wilde weten over biomassa maar nooit durfde te vragen
    Groenestijn, Johan van; Harmsen, Paulien ; Bos, Harriëtte - \ 2019
    Wageningen : Wageningen Food & Biobased Research (Groene grondstoffen 23) - ISBN 9789463439541 - 100
    biobased economy - biomassa - bio-energie - verwerking - chemische technologie - diervoeding - compost - biobased economy - biomass - bioenergy - processing - chemical technology - animal nutrition - composts
    Nederland en de meeste andere landen willen het gebruik van koolstofhoudende fossiele grondstoffen zoals aardolie, steenkool en aardgas verminderen. De twee belangrijkste motivaties hiervoor zijn de klimaatproblematiek en de eindigheid van de voorraden van deze grondstoffen. Het gebruik van fossiele brandstoffen en kunststoffen die gemaakt zijn uit fossiele grondstoffen verandert het klimaat doordat na verbranding of na biologische afbraak koolstofdioxide vrijkomt dat zich ophoopt in de atmosfeer en daar het broeikaseffect versterkt. Een atmosfeer met een verhoogd gehalte aan koolstofdioxide houdt de warmte beter vast en verhoogt daardoor de temperatuur van de atmosfeer, zoals een broeikas dat doet. Sinds het jaar 1750, het begin van de industriële revolutie, is de koolstofdioxideconcentratie met 48% toegenomen en veel klimatologen gaan er vanuit dat dat de hoofdoorzaak is van de eveneens toegenomen temperatuur op aarde. Volgens hen zal deze temperatuursverhoging leiden tot een stijging van de zeespiegel en extremer weer (stormen, droogte, overstromingen).
    Mogen vieze schoonmaakdoekjes bij de gewone was?
    Zwietering, Marcel - \ 2019
    Een burger is geen nobele wilde: een pleidooi voor productieve conflicten in een polycentrische samenleving
    Duineveld, Martijn - \ 2019
    Garnalenkweek zet muizenstapjes richting duurzaamheid
    Wiegertjes, Geert - \ 2019
    garnaal

    Belgen zijn verzot op garnalen, en dat is duidelijk te merken aan de winkelrekken. Die bieden de consument een ruim aanbod, van de eigen noordzeegarnaal tot diverse tropische variëteiten. Die laatste worden steeds vaker gekweekt in plaats van op zee gevangen. Op zich een goede zaak, want vele garnalenpopulaties zijn overbevist. Alleen moet er dan wel werk gemaakt worden van duurzame kweekmethodes.

    Ooit gold de garnaal als eten voor arme mensen in de kuststreek. Maar zodra het grote publiek de smaak van garnalen te pakken kreeg, is de vraag alleen maar blijven stijgen. Net als het aanbod trouwens, uitgebreid met een gamma aan tropische garnalen uit Azië of Latijns-Amerika. Die tropische garnalen worden steeds vaker gekweekt in plaats van op zee gevangen. Hoewel de kweek in aquacultuur op commerciële schaal relatief nieuw is, groeit de sector sterk, aangedreven door onze niet te stillen zin in garnalen.

    Anno 2019 komt zo’n 55 procent van alle tropische garnalen uit kweekvijvers, een percentage dat alleen maar zal toenemen, want de vangst op zee stagneert al meer dan een decennium. De populaties wilde garnalen in vele tropische zeeën zijn overbevist, wat maakt dat aquacultuur in deze zeker een duurzaam alternatief kan bieden.

    Controle over het leven van een kweekgarnaal

    Garnalen kweken biedt wel degelijk voordelen in vergelijking met garnalen vangen op zee. “Kwaliteitscontrole en traceerbaarheid zijn er daar twee van”, zegt professor Geert Wiegertjes, hoofd van de onderzoeksgroep Aquacultuur en Visserij van Wageningen Universiteit. “Over garnalen die op zee gevangen werden, weet je nagenoeg niets. Hoe en in welke omstandigheden heeft dat dier geleefd? Wat zit er precies in die garnaal? Dat is anders voor gekweekte garnalen, want daar heeft men een perfect overzicht van geboorte tot eindproduct. Dat geeft dan ook een beter beeld van hoe gezond een garnaal precies is.”

    De mate van duurzaamheid hangt af van hoe de kweek plaatsvindt. “Als je in een ecosysteem op zee dieren vangt, en de populaties de kans geeft zich te herstellen, dan is daar niet veel mis mee”, verduidelijk professor Wiegertjes.

    “Alleen is er wel zoiets als een maximum aan garnalen (of andere zeedieren) dat je op een duurzame manier kan vangen. Als er meer gevist wordt, zullen populaties zich niet herstellen. Dat maximum hangt onder andere af van de snelheid waarmee een soort zich voortplant en de gezondheid van het ecosysteem in kwestie. Maar globaal genomen is dat maximum al een tijdje bereikt. Toch kan je niet zwart op wit stellen dat kweek op zich duurzamer is. Aquacultuur kan net zo goed destructief voor het milieu zijn. Het kappen van mangrovebossen voor garnalenkweek is een goed voorbeeld van een foute aanpak."

    Explosieve groei ten koste van het milieu

    De kweek van garnalen – zowel in zoet als zout water – kent een lange traditie in Azië, maar het was pas in de jaren zeventig dat aquacultuur doorbrak op commerciële schaal en uitgroeide tot een belangrijke economische sector. Het kweken van garnalen en vis in aquacultuur werd door overheden en ontwikkelingsorganisaties gestimuleerd als middel tegen armoede. Aquacultuur bleek een relatief goedkope en eenvoudige manier om huishoudens een bron van voedsel en inkomsten te bieden.

    Aan de opmars van de garnalenkweek hing echter een hoog prijskaartje, meer bepaald voor het milieu. Vooral in Azië heeft de explosieve groei van de oppervlakte aan kweekvijvers stevig ingehakt op de mangrovebossen in de kustregio’s. De garnalenkweek zou in maar liefst 40 procent van de gevallen rechtstreeks verantwoordelijk zijn voor het verdwijnen van mangrovebossen. Net die mangrovebossen zijn enorm waardevolle ecosystemen op de grens van land en zee. Het verdwijnen ervan heeft negatieve effecten op de rest van het maritieme milieu. Voor heel wat vissen en andere zeedieren zijn mangrovebossen essentieel als paaiplaatsen waar ze paren en eieren leggen.

    Mangrovebossen werken bovendien als een soort filter die slib vanop het land vasthouden en op die manier water zuiveren. Daarnaast vormen de bossen een soort buffer die kustregio’s beschermt tegen erosie, stormen en overstromingen.

    De intensivering van de kweek betekent dat men veel meer garnalen op kleine oppervlaktes houdt. Die hoge densiteit maakt garnalen gevoelig voor ziektes, wat leidt tot overmatig antibioticagebruik in de kweek. Uitwerpselen van garnalen, onverteerd voer, chemicaliën en antibioticaresiduen verzamelen zich op de bodem van kweekvijvers. Vaak kuisen kwekers dit slib wel uit, maar wordt het gedumpt zodat de toxische mix alsnog in het water terecht komt.

    Stapjes richting duurzamere kweek

    Gelukkig groeit het besef dat een andere aanpak nodig is. De onderzoeksgroep Aquacultuur en Visserij van Wageningen Universiteit heeft onderzoeksprogramma’s over aquacultuur lopen in verschillende Aziatische landen. “Voor kleinere telers is ecologische intensivering een optie”, zegt professor Wielertjes. “Tropische garnalen eten van nature plankton, niet het voer dat telers hen geven. Door de gezondheid van vijvers te verbeteren, komt er meer plankton in het water en zal de garnaal sneller groeien. Die ecologische intensivering is voor kleinere telers een eenvoudige manier om op duurzame manier hun productie te verhogen.”

    Die kleinere telers richten zich evenwel meestal op de lokale markt. Het zijn dan ook niet hun garnalen, maar wel die van de grote producenten die we doorgaans in onze winkelrekken vinden. Ook daar lijkt een omslag naar meer duurzame kweekmethodes ingezet, deels uit eigenbelang. De explosieve, ongecontroleerde groei van intensieve garnalenkweek in Azië, maar ook in Latijns-Amerika zorgde voor heel wat ziektes, vaak met desastreuze gevolgen voor de sector. Vooral virale ziektes richtten ware ravages aan. Thailand bijvoorbeeld, na China het land met de hoogste productie gekweekte garnalen, werd in 2011 getroffen door een nieuwe infectie, het early morality syndrome, dat de opbrengst van de sector met 40 procent deed dalen.

    Daarom dat de industrie kijkt naar kweeksystemen die meer controle over de keten bieden. “Met recirculatiesystemen kan dat”, weet professor Wiegertjes. “Natuurlijk blijft het de vraag of het een goed idee is om garnalen in een dergelijke dichtheid te kweken. Maar dergelijke systemen recycleren hun water, en gaan efficiënter om met energie. Ook is er meer controle over de afvalstromen, de mest van de garnalen, zeg maar. Garnalen geteeld in een dergelijk systeem kan je gerust een stuk duurzamer noemen."

    Garnalen op een plantaardig dieet

    Hergebruik van water is maar een voorbeeld van nieuwe methodes die de ecologische voetafdruk van de garnalenkweek kunnen verminderen. Ook op vlak van voeding valt er vooruitgang te boeken. Nu krijgen garnalen vaak nog vismeel voorgeschoteld, maar gezien de precaire toestand van vele visbestanden en de groei van aquacultuur is die praktijk niet houdbaar. Daarom dat men zoekt naar plantaardige alternatieven.

    Sojameel is een optie, maar dat bevat een aantal chemische stoffen zoals saponinen die de spijsvertering van sojameel bemoeilijken. Nieuwe bewerkingstechnieken slagen er echter steeds beter in om deze stoffen uit soja te filteren, zodat garnalen voer op basis van soja beter verteren. Ook algen en insecten zijn mogelijke alternatieven voor vismeel, al ligt de kostprijs nog te hoog.

    Naast waterverbruik en voer kan de druk van ziektes en plagen anders aangepakt worden. Vaak zijn het vogels die zieke exemplaren oppikken uit kweekvijvers en zo pathogenen verspreiden via hun uitwerpselen. Het kweken van garnalen in overdekte vijvers of in serres kan dit voorkomen. Verder helpt een minder hoge densiteit van garnalen de gezondheid van een kweeksysteem, net als polycultuur, waarbij garnalen kweekvijvers delen met vissoorten zoals de tilapia of de bandeng. In Thailand – een koploper op vlak van het verduurzamen van aquacultuur – lopen kleinschalige projecten waarbij mangrovebossen hersteld worden om tegelijk de waterkwaliteit van de kweekvijvers te verbeteren.

    Garnalenkweek in België

    Ook bij ons wordt er geëxperimenteerd met de kweek van tropische garnalen. In België kweekt het bedrijf Crevetec tropische garnalen en ontwikkelt tegelijk nieuwe kweekmethodes en voer voor een meer duurzame kweek. Maar aan het kweken van noordzeegarnalen heeft zich echter tot nu toe nog niemand gewaagd, want het blijft veel eenvoudiger ze op zee te vissen. Wel voerde het Instituut voor Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) een onderzoek uit naar het potentieel van de kweek. Een geheel nieuw terrein, want het kweken van noordzeegarnalen in aquacultuur lijkt in niets op dat van tropische garnalen, waarvoor wel al heel wat expertise bestaat.

    In tegenstelling tot sommige tropische soorten zoals de tijgergarnaal lijdt de noordzeegarnaal niet onder overbevissing. De populatie is gezond, hoewel er niet veel natuurlijke slikken en schorren – de paaiplaatsen van de garnaal – overblijven aan de kust. Het helpt dat garnalen een erg korte levenscyclus hebben en dat dat populaties zich makkelijk herstellen. Daarom dat de EU geen quota voor garnalen oplegt. De soort mag vrij bevist worden, en naar schatting 15 tot 55 procent van het garnalenbestand in de gehele Noordzee wordt bovengehaald.

    Vraag naar levende noordzeegarnalen

    Om ecologische redenen hoeft het dus niet, de kweek van noordzeegarnalen. Het onderzoek naar de mogelijkheid van garnalen in aquacultuur kwam er in de eerste plaats vanuit een economische logica, laat Daan Delbare, hoofd van de Onderzoeksgroep Aquacultuur bij ILVO via mail weten. “Er is vraag naar grote, levende noordzeegarnalen. Culinair bieden die meer mogelijkheden dan gekookte garnalen. Men kan ze immers bakken of frituren, of zelfs rauw serveren.”

    “Alleen voldoet de visserij vandaag niet aan die vraag”, aldus Delbare. “Grote garnalen maken slechts 2 procent uit van de vangst. Levende garnalen worden enkel uit de laatste sleep van een vangst gehaald, iets wat manueel dient te gebeuren. Men moet de garnaal van vangst tot klant in leven houden en dat is een enorm arbeidsintensief proces.”

    Het lijkt dus mogelijk om noordzeegarnalen te telen in aquacultuur, al zijn er nog wat obstakels. “Een groot probleem is het kannibalisme onder de noordzeegarnaal. Die is eigenlijk een omnivoor, maar met een voorkeur voor dierlijke voeding, zoals wormen en onvolgroeide zeedieren. Maar ook kleinere soortgenoten staan op het menu, en dat is lastig voor telers. Ook aan de precieze samenstelling van een optimaal dieet voor de noordzeegarnalen moet nog gesleuteld worden."

    Duidelijke labels voor duurzame garnalen

    De kweek van noordzeegarnalen is dus nog niet voor morgen. “Maar tropische garnalen worden wel steeds meer in aquacultuur geteeld. De laatste vijf jaar is de productie met zo’n 20 procent gestegen, terwijl de vangst op zee stagneert. Hoewel de mistoestanden in de sector zeker nog niet verdwenen zijn, lijkt de trend naar een meer ecologisch verantwoorde kweek ingezet”, aldus professor Wiegertjes. “Produceren enkel om maar zoveel mogelijk te produceren, daar is men ook in Azië van af aan het stappen. In de gehele sector vinden meer duurzame teeltmethodes ingang zoals recirculatiesystemen die water zuiveren en hergebruiken.”

    Voor consumenten die duurzame keuzes willen maken bieden labels een houvast. Voor vangst op zee is er het Maritime Stewardship Council label (MSC), en naar analogie werd er in 2012 ook een Aquaculture Stewardship Council label (ASC) in het leven geroepen. Een goede zaak, vindt Wiegertjes. “In Nederland bijvoorbeeld is er een supermarktketen die enkel nog aquacultuurproducten met dat label aanbiedt. Dat soort keuzes maakt een groot verschil. Er is een maatschappelijke tendens die duurzaamheid belangrijk vindt en daar meer voor wil betalen. Alleen zet zich dat nog niet altijd door in koopgedrag. Maar ik denk wel dat deze trend aan belang zal winnen in de toekomst."

    Wilde koffieplanten verdwijnen, en daarmee straks ook ons bakje troost
    Anten, Niels - \ 2019

    Het zijn niet de bonen waarmee wij koffie zetten, maar de wilde soorten zijn wel belangrijk voor het behoud ervan. Maar nooit eerder was de situatie van wilde koffiesoorten penibeler.

    De Wilde Ruimte met Anna
    Wamelink, Wieger - \ 2019

    Wat moeten kolonisten eten in de ruimte? Dat is de vraag waarmee Wieger Wamelink van de Universiteit Wageningen zich bezighoudt. Hij kweekt aardappelen op maangrond en maakt groente geschikt voor groei buiten de aarde.

    Bomen in blad, bloemen in bloei, vorst in de verwachting...
    Vliet, A.J.H. van; Bron, W.A. - \ 2019
    Nature Today
    En weer een zeer warme week. Steeds meer magnolia’s en sierkersen staan in volle bloei. Onder andere pinksterbloem, hondsdraf, peer, fluitenkruid en berk worden in bloei gemeld op Natuurkalender.nl. Boerenzwaluw en zwartkop komen terug. Witte paardenkastanje, wilde lijsterbes, berk en vogelkers ontplooien hun bladeren. Hopelijk zakt de temperatuur niet te ver onder het vriespunt aankomende nacht.
    Het sequencen van wilde verwanten van spinazie
    Treuren, Rob van - \ 2019
    Wilde zwijnen op hol
    Jansman, Hugh - \ 2019
    Mutagenesis of odorant coreceptor Orco fully disrupts foraging but not oviposition behaviors in the hawkmoth Manduca sexta
    Fandino, Richard A. ; Alexander, H. ; Bisch-Knaden, S. ; Zhang, J. ; Bucks, S. ; Nguyen, T.A.T. ; Schröder, K. ; Werckenthin, Achim ; Rybak, J. ; Stengl, Monika ; Knaden, M. ; Hansson, Bill S. ; Groβe-Wilde, Ewald - \ 2019
    Proceedings of the National Academy of Sciences of the United States of America 116 (2019)31. - ISSN 0027-8424 - p. 15677 - 15685.
    CRISPR-Cas9 - Insect olfaction - Insect-plant interactions - Manduca sexta - Orco

    The hawkmoth Manduca sexta and one of its preferred hosts in the North American Southwest, Datura wrightii, share a model insect-plant relationship based on mutualistic and antagonistic life-history traits. D. wrightii is the innately preferred nectar source and oviposition host for M. sexta. Hence, the hawkmoth is an important pollinator while the M. sexta larvae are specialized herbivores of the plant. Olfactory detection of plant volatiles plays a crucial role in the behavior of the hawkmoth. In vivo, the odorant receptor coreceptor (Orco) is an obligatory component for the function of odorant receptors (ORs), a major receptor family involved in insect olfaction. We used CRISPR-Cas9 targeted mutagenesis to knock out (KO) the MsexOrco gene to test the consequences of a loss of OR-mediated olfaction in an insect-plant relationship. Neurophysiological characterization revealed severely reduced antennal and antennal lobe responses to representative odorants emitted by D. wrightii. In a wind-tunnel setting with a flowering plant, Orco KO hawkmoths showed disrupted flight orientation and an ablated proboscis extension response to the natural stimulus. The Orco KO gravid female displayed reduced attraction toward a nonflowering plant. However, more than half of hawkmoths were able to use characteristic odor-directed flight orientation and oviposit on the host plant. Overall, OR-mediated olfaction is essential for foraging and pollination behaviors, but plant-seeking and oviposition behaviors are sustained through additional OR-independent sensory cues.

    Staat van het dier : Beschouwingen en opinies over de verschuivende relatie tussen mens en dier in Nederland
    Schukken, Y.H. ; Trijp, J.C.M. van; Alphen, J.J.M. van; Hopster, H. - \ 2019
    Den Haag : Raad voor Dierenaangelegenheden - 199
    dierenwelzijn - dierlijke productie - gezelschapsdieren - wilde dieren - laboratoriumdieren - diergezondheid - huisvesting, dieren - diervoeding - diergedrag - dierethiek - animal welfare - animal production - pets - wild animals - laboratory animals - animal health - animal housing - animal nutrition - animal behaviour - animal ethics
    De positie van het dier in onze maatschappij verandert. De opstelling van de mens als heerser over dieren maakt geleidelijk plaats voor een houding die gekenmerkt wordt door betrokkenheid bij dieren en acceptatie van hun eigenheid. Inbreuken op dierenwelzijn worden steeds minder geaccepteerd. We bewegen naar een nieuw verbond tussen mensen en dieren. Dat stelt de Raad in zijn rapport 'De Staat van het Dier'.
    Hoogleraar: 'Aantal zaken waar je op moet letten als je duurzame vis koopt'
    Wiegertjes, G. - \ 2019

    Van jongs af aan leren we dat vis goed is voor de gezondheid. Maar hoe verantwoord is het nou om vis te eten?

    "Verantwoord vis eten is zeker mogelijk", zegt Geert Wiegertjes, hoogleraar Aquacultuur en Visserij aan de Wageningen Universiteit. "Er zijn wel een aantal zaken waarop je moet letten als je duurzame vis wil kopen."

    "Let allereerst op de keurmerken op de verpakking", licht Wiegertjes toe. Hij doelt hiermee op de keurmerken van de Marine Stewardship Council (MSC) en Aquaculture Stewardship Council (ASC).

    MSC is het keurmerk voor visproducten afkomstig uit de duurzame visserij. Het betekent dat visstanden duurzaam worden beheerd, het leven in de zee zo min mogelijk schade wordt toegebracht en er weinig bijvangst is.

    ASC is vergelijkbaar met het MSC-keurmerk, maar dan voor kweekvis. Het keurmerk kent regels voor minder antibioticagebruik, duurzamer visvoer en betere arbeidsomstandigheden van het personeel.

    Tips om verantwoord vis te eten:

    • • Koop vis met het MSC- of ASC-keurmerk.
    • • Ga voor biologisch als je dierenwelzijn belangrijk vindt.
    • • Zoek vis zonder keurmerk (bijvoorbeeld van de visboer) op in de VISwijzer.
    • • Eet ook eens een vis die goed scoort volgens de Bijvangstwijzer.

    "Deze keurmerken houden overigens geen rekening met het dierenwelzijn", benadrukt Wiegertjes. Dit is wel het geval bij het keurmerk 'biologisch'.

    "Biologische vis is altijd gekweekte vis, aangezien de omstandigheden van wilde vis niet kunnen worden gecontroleerd. Bij biologische vis worden meer eisen aan dierenwelzijn gesteld. Bijvoorbeeld aan het aantal vissen per kubieke meter. Ook moeten de vissen bij de slacht bewusteloos en vrij van pijn zijn en is het gebruik van hormonen verboden."

    Drie kwart van de supermarktvis heeft een keurmerk

    Uit onderzoek van MSC en ASC blijkt dat 74 procent van de visproducten in de Nederlandse supermarkt een van deze twee keurmerken heeft. Bij ingeblikte vis is echter nog een hoop te winnen. Minder dan de helft (48 procent) heeft het MSC- of ASC-keurmerk. Dit percentage is de afgelopen jaren wel gestegen.

    Opmerkelijk is verder dat van de diervoeding met vis slechts 28 procent een van de twee keurmerken heeft. Overigens bestaan er ook verschillen tussen producten van hetzelfde merk. Het ene blik kan wel een MSC- of ASC-keurmerk hebben, terwijl een ander blik van hetzelfde merk juist geen keurmerk heeft.

    Verder hebben de meeste visconserven het Dolphine SAFE-logo. In een eerder interview met NU.nl noemen twee deskundigen dit keurmerk misleidend. Het gaat volgens deze experts over een probleem dat niet meer speelt. Jaren geleden was er inderdaad sprake van een problematische bijvangst van dolfijnen. Nu gebeurt dat nauwelijks meer.

    Wie in de supermarkt vis koopt, kan letten op de keurmerken. Die zijn terug te vinden op de verpakking. (Foto: Pixabay)

    Er is ook kritiek op de keurmerken

    Toch is er ook regelmatig kritiek op het MSC- en ASC-keurmerk. Zo zou een aantal visserijen geen MSC-certificaat verdienen en zouden de financiële belangen enorm zijn. De Correspondent concludeerde twee jaar geleden dat het keurmerk inderdaad niet zaligmakend is, maar dat je toch het best wel vis met een van de twee keurmerken kunt kopen.

    Vooral de tonijnvangst had de afgelopen jaren een slechte naam. Uit het project BESTTuna, waar ook de Wageningen Universiteit aan deelnam, blijkt dat een aantal tonijnpopulaties weer grotendeels is hersteld.

    Wiegertjes: "Steeds vaker is de hoeveelheid gevangen tonijn weer acceptabel. En dit geldt zelfs weer voor de bonito, een tonijnsoort die wordt gevangen in de Middellandse Zee. Men is zich tegenwoordig wereldwijd steeds meer bewust van het feit dat we niet méér vis moeten vangen dan goed is voor het ecosysteem."

    Land van herkomst en manier van vangen

    Moet je vis zonder keurmerk daarom per definitie links laten liggen? "Een lastige vraag", zegt Wiegertjes. "Dat ligt ook aan het land van herkomst en de manier waarop de vis gevangen is." De hoogleraar vindt dan ook dat fabrikanten verplicht moeten worden om de herkomst en manier van vangst te vermelden op de verpakking.

    Zie ook: Van eigen bodem: De schar en dit kun je ermee

    De vis bij de visboer is vaak onverpakt en ligt op ijs, waardoor je niet in een oogopslag kunt zien of de vis het MSC- of ASC-keurmerk heeft. Je kunt de visboer hiernaar vragen en ieder geval vragen waar de vis vandaan komt.

    Vervolgens kun je in de VISwijzer van de Good Fish Foundation nagaan hoe duurzaam de vis is.

    Bijvangst uit de Noordzee die goed scoort op het gebied van duurzaamheid:

    • • Schar
    • • Wijting
    • • Grauwe poon
    • • Steenbolk
    • • Bot
    • • Heek
    • • Koolvis
    • • Witje (hondstong)
    • • Harder
    • • Schelvis
    • • Zeekat

    Bijvangst uit Noordzee die niet goed scoort op het gebied van duurzaamheid:

    • • Horsmakreel
    • • Mul
    • • Wulk
    • • Zeeduivel
    • • Zonnevis
    • • Haai
    • • Rog

    Bron: bijvangstwijzer.nl

    Biologisch zaad: Waar komen we vandaan en waar willen we heen?
    Lammerts Van Bueren, E. - \ 2019
    Dynamisch Perspectief (2019)2. - ISSN 1389-7438 - p. 26 - 29.
    Edith Lammerts van Bueren studeerde in 1978 af in Wageningen. Ze was via medestudenten in contact gekomen met biologisch-dynamische landbouw en wilde graag ‘iets met veredeling doen’. Sinds die tijd is ze onafgebroken werkzaam geweest voor onderwijs en onderzoek in de biologische landbouw, onder andere bij het Louis Bolk Instituut en Wageningen University. Ze maakte de soms moeizame ontwikkeling van biologisch zaadgoed van dichtbij mee.
    Wilde spinazie: een belangrijke uitbreiding van de CGN’s spinazie collectie
    Treuren, R. van - \ 2019
    Wilde bestuivers verhogen productie groentezaad het meeste
    Fijen, T.P.M. - \ 2019

    Niet kunstmest en water, maar bestuivers als hommels zijn de belangrijkste productiefactor voor de teelt van preizaad. Dat ontdekte promovendus Thijs Fijen. Groentetelers en zaadproducenten moeten daarom zorgen voor agrarische landschappen met veel wilde bestuivers.

    Nulmeting Nationale Bijenstrategie
    Reemer, M. ; Groot, G.A. de - \ 2019
    EIS Kenniscentrum Insecten (EIS 2019-01) - 16 p.
    In januari 2018 is de Nationale Bijenstrategie ondertekend door 48 partners, waaronder
    het ministerie van LNV. De bijenstrategie heeft als hoofddoel dat bestuivers en
    bestuiving in 2030 duurzaam bevorderd en behouden zijn. Om te kunnen meten of dit
    doel behaald is zijn enkele meetbare doelstellingen benoemd ten aanzien van de wilde
    bijenfauna in Nederland. Als startpunt van het traject heeft het ministerie van LNV aan
    EIS Kenniscentrum Insecten en Wageningen Environmental Research gevraagd om in
    2018 een nulmeting uit te voeren. Twee van de meetbare doelstellingen hebben betrekking
    op de trends van de in Nederland voorkomende wilde bijensoorten. Deze doelstellingen
    worden getoetst door middel van een vergelijking van de trends in 2018 met
    de trends in 2023 en 2030. Het huidige document is het resultaat van deze nulmeting
    die de trends van de Nederlandse bijen in 2018 vaststelt.
    De trends van de Nederlandse bijensoorten zijn berekend op basis van het Databestand
    van de Nederlandse bijen dat beheerd wordt door EIS Kenniscentrum Insecten.
    Hieruit zijn gegevens geselecteerd uit twee perioden: 1990-2002 en 2003-2017. Een
    vergelijking van het vóórkomen van de verschillende bijensoorten in beide perioden
    vormt de basis van de trendbepaling. De vergelijking bestaat per bijensoort uit een beoordeling
    van het verschil tussen de onderzoeksperioden in het aantal hokken van 5x5
    kilometer waarin de betreffende soort is aangetroffen. Hierbij zijn uitsluitend gegevens
    gebruikt uit 5x5-kilometerhokken die in beide perioden onderzocht zijn.
    In totaal heeft de analyse voor 308 bijensoorten een uitkomst opgeleverd. Voor
    90 soorten (29%) is een significante trend berekend, voor de overige 218 soorten
    (71%) niet. De soorten zijn verdeeld over de trendcategorieën (mogelijk) verdwenen, sterk afgenomen en afgenomen beschouwd als afgenomen. Soorten in de categorieën (mogelijk) verschenen, sterk toegenomen en toegenomen worden beschouwd als toegenomen. Zo zijn er 25 soorten te beschouwen als afgenomen en 65 als toegenomen. Binnen de soorten met een significante trend bedraagt de verhouding afgenomen / toegenomen soorten dus 28% / 72 % (Figuur 1).
    Deze balans is positief te noemen. Dit betekent echter niet dat het, na alle zorgwekkende berichten over de afname van bijen in Nederland, alweer goed zou gaan met de Nederlandse bijenfauna. De positieve trend is nog slechts van een klein aantal (65) soorten duidelijk. De uitkomsten van de recent gepubliceerde Rode Lijst contrasteren hiermee, aangezien het aantal bedreigde soorten op die Lijst in vergelijking met 2003 juist is toegenomen. Deze twee documenten (de Rode Lijst en de huidige nulmeting) laten zich echter niet één op één vergelijken, aangezien er andere onderzoeksperioden en -methoden zijn gebruikt. Het is van belang te onderstrepen dat deze nulmeting een instrument is om in toekomstige jaren om de voortgang m.b.t. het bereiken van de doelen van de bijenstrategie te kunnen meten. De huidige resultaten zeggen nog niets over een eventuele verbetering van de bijenfauna binnen de periode waarin de bijenstrategie van kracht is (2018-2030). Om daarover iets te kunnen zeggen zijn de herhalingsmetingen in 2023 en 2030 nodig. Het is dus van belang om te benadrukken dat deze nulmeting slechts een instrument is om in toekomstige jaren de voortgang m.b.t. het bereiken van de doelen van de bijenstrategie te kunnen meten.
    Het belang van sublitorale mosselen als voedselbron in de Westelijke Waddenzee : helpdeskvraag 2c in het kader van mosseltransitie (KD-2019-028)
    Jansen, H.M. - \ 2019
    Yerseke : Wageningen Marine Research (Wageningen Marine Research rapport C038/19) - 19
    Deze rapportage geeft duiding aan het belang van sublitorale mosselen als voedselbron voor de verschillende predatoren in de Waddenzee op basis van een literatuurreview. Onderstaande tabel vat de bevindingen samen, waarbij onderscheid gemaakt is tussen mosselen op wilde banken en op kweekpercelen.Soort Belang wilde mosselbanken Belang kweekpercelen Eidereenden Wilde mosselen zijn in sommige seizoenen van mindere kwaliteit voor de Eidereend in vergelijking met kweekmosselen. Aan het einde van de winter, wanneer kwaliteit van mosselen op wilde banken en percelen gelijk is, worden eidereenden ook gezien op wilde banken.Kweekmosselen zijn een belangrijke voedselbron voor Eidereenden, met name in periodes wanneer de mosselkwaliteit (hoge vlees/schelp ratio) relatief gunstig is.Topper Toppers komen worden vooral waargenomen rond de afsluitdijk. Rond de afsluitdijk zijn ook wilde mosselbanken aanwezig zijn, toppers komen echter vooral voor op locaties waar kleine strandgapers aanwezig zijn, en er wordt daarom aangenomen dat dit een belangrijke voedselbron is. Mosselen lijken van minder groot belang in het dieet van de Topper.Op de locaties waar veel toppers voorkomen (afsluitdijk) liggen weinig percelen.Krabben Bestand van krabben in het sublitoraal neemt geleidelijk toe, en is sterk gelinkt aan het voorkomen van mosselen. Mosselzaad en halfwas mosselen zijn een geschikte voedselbron voor krabben, volwassen mosselen zijn veelal te groot voor predatie.Het krabben bestand op de percelen is ongeveer ¼ van het bestand buiten de percelen.Predatie door krabben is bepalend voor het rendement van het perceel. Vooral mosselzaad in de eerste weken nadat het op de percelen gelegd is, is een belangrijke prooi voor krabben.Zeesterren Zeesterren bepalen in grote mate de overleving van wilde mosselbanken in de Waddenzee. In gebieden met een lager zoutgehalte (nabij afsluitdijk) komen minder zeesterren voor. Zeesterren consumeren alle grootteklassen mosselen, mits verhouding predator/prooi voldoetPercelen zijn gelegen in gebieden met een hoog zoutgehalte, en daarmee geschikt habitat voor zeesterren. Het totale bestand zeesterren op percelen is in zelfde orde grote als voor krabben.GarnalenKlein mosselzaad (2-3mm) is een voedselbron voor garnalen.
    De rol van de mosselkweek in de populatiedynamiek van mosselen in de Waddenzee en is er in de huidige kweekpraktijk ruimte voor efficiëntieverbetering? : Helpdeskvraag 2a in het kader van mosseltransitie
    Capelle, Jacob - \ 2019
    Yerseke : Wageningen Marine Research (Wageningen Marine Research rapport C036/19) - 21
    IIn het kader van de mosseltransitie is er een aantal kennisvragen geformuleerd gerelateerd aan (1) mosselzaadvisserij in relatie tot beschermde gebieden en (2) vragen gerelateerd aan de kweek van mosselen en de interacties tussen mosselkweek en de natuurwaarden van de Waddenzee. Deze vragen zijn via de Helpdesk LNV uitgezet.De huidige memo beschrijft kennisvraag 2a: Wat valt er te zeggen over de rol van de mosselkweek in de populatiedynamiek van mosselen in de Waddenzee en is er in de huidige kweekpraktijk ruimte voor efficiëntieverbetering?Mosselen worden in de Waddenzee aangetroffen op wilde mosselbanken in zowel het litoraal als het sublitoraal en op mosselkweekpercelen in het sublitoraal. De dynamiek van het totale mosselbestand in de westelijke Waddenzee wordt hierbij bepaald door de aanwas (recruitment) van mosselzaad, groei, overleving van de mosselen op de percelen en de wilde banken en de oogst van mosselen van de percelen en het transport naar Zeeland. Omdat de vraag hier uitgaat van de rol van mosselkweek en alle kweekactiviteiten uitsluitend plaats vindt in het sublitoraal beperkt deze memo zich tot de populatiedynamiek van mosselen in het sublitoraal, op zowel wilde banken als op percelen.De efficiëntie van de mosselkweek op de percelen kan worden uitgedrukt in de hoeveelheid oogstbare mosselen per eenheid mosselzaad. De efficiëntie neemt dus toe als deze ratio toeneemt. In deze studie is er op basis van bestaande literatuur een overzicht gegeven van de meest recente inzichten op het gebied van efficiëntieverbetering in de mosselkweek. Tevens is er aangegeven welke perspectieven dit biedt dit voor de kweekpraktijk.Mosselen op de percelen in de Waddenzee zijn (deels) afkomstig van de natuurlijke mosselbanken in het sublitoraal. Beide populaties zijn ruimtelijk grotendeels gescheiden van elkaar. Overleving van mosselen op natuurlijke banken is beter in de buurt van de afsluitdijk, waarde lage zoutgehalten leiden tot minder predatie door zeesterren. De natuurlijke mosselbanken met de beste overleving zijn daarom vooral gesitueerd in gebieden met een laag of sterk fluctuerend zoutgehalte. Mosselen overleven in die gebieden beter dan zeesterren, maar laten daar wel een verminderde groei zien. Mosselkweek heeft een groot effect op de dynamiek van de sublitorale mosselpopulatie in de Waddenzee. Door mosselen te verplaatsen naar percelen, neemt gemiddeld gezien de groei en overleving van mosselen sterk toe door de betere voedselkwaliteit op de mosselpercelen en door bestrijding van zeesterren. Dit leidt tot een hoger sublitoraal mosselbestand dan bij een situatie waarbij mosselen niet verplaatst zouden zijn van natuurlijke banken naar percelen.Er is een beperkt aantal knoppen waar een mosselkweker aan kan draaien om invloed te hebben op de groei en overleving van mosselen op zijn percelen. Bij het zaaien lijkt de meeste ruimte aanwezig te zijn voor efficiëntieverbetering, want daar heeft een mosselkweker invloed op de verspreiding van de mosselen, en op de zaaidichtheid, evenals speelt daar het belang van locatiekeuze. Onderzoek heeft laten zien dat beter verspreiden van mosselen efficiëntie verhogend kan zijn, inzicht in ruimtelijke patronen zoals in voedselbeschikbaarheid en stroming kunnen helpen dichtheden te optimaliseren en timing van verplaatsing zo optimaal mogelijk te kiezen. Perceeloptimalisatie is een belangrijke stap in efficiëntieverbetering, zodat er ook voldoende ruimte van voldoende kwaliteit beschikbaar is om zaaien in verschillende dichtheden ook optimaal in te kunnen zetten. Inzicht in de dynamiek van predatoren kan meer handelingsperspectief bieden voor mosselkwekers. Ten slotte ervaren mosselen ook stress tijdens het opvissen en uitzaaien, wat zo veel mogelijk geminimaliseerd zal moeten worden.
    Increasing the Selectivity for Sulfur Formation in Biological Gas Desulfurization
    Rink, Rieks De; Klok, Johannes B.M. ; Heeringen, Gijs J. Van; Sorokin, Dimitry Y. ; Heijne, Annemiek Ter; Zeijlmaker, Remco ; Mos, Yvonne M. ; Wilde, Vinnie De; Keesman, Karel J. ; Buisman, Cees J.N. - \ 2019
    Environmental Science and Technology 53 (2019)8. - ISSN 0013-936X - p. 4519 - 4527.

    In the biotechnological desulfurization process under haloalkaline conditions, dihydrogen sulfide (H 2 S) is removed from sour gas and oxidized to elemental sulfur (S 8 ) by sulfide-oxidizing bacteria. Besides S 8 , the byproducts sulfate (SO 4 2- ) and thiosulfate (S 2 O 3 2- ) are formed, which consume caustic and form a waste stream. The aim of this study was to increase selectivity toward S 8 by a new process line-up for biological gas desulfurization, applying two bioreactors with different substrate conditions (i.e., sulfidic and microaerophilic), instead of one (i.e., microaerophilic). A 111-day continuous test, mimicking full scale operation, demonstrated that S 8 formation was 96.6% on a molar H 2 S supply basis; selectivity for SO 4 2- and S 2 O 3 2- were 1.4 and 2.0% respectively. The selectivity for S 8 formation in a control experiment with the conventional 1-bioreactor line-up was 75.6 mol %. At start-up, the new process line-up immediately achieved lower SO 4 2- and S 2 O 3 2- formations compared to the 1-bioreactor line-up. When the microbial community adapted over time, it was observed that SO 4 2- formation further decreased. In addition, chemical formation of S 2 O 3 2- was reduced due to biologically mediated removal of sulfide from the process solution in the anaerobic bioreactor. The increased selectivity for S 8 formation will result in 90% reduction in caustic consumption and waste stream formation compared to the 1-bioreactor line-up.

    Een analyse van mogelijke aanpassingen van de dode wilde vogelsurveillance voor de vroegtijdige opsporing van introducties van vogelgriepvirus
    Gonzales, J.L. ; Germeraad, Eveline A. ; Rijks, J.M. ; Petie, R. ; Beerens, N. ; Stahl, J. ; Slaterus, R. ; Elbers, A.R.W. - \ 2019
    Recent toegevoegd aan de gewascollecties van het CGN
    Menting, F.B.J. - \ 2019

    CGN voegt regelmatig nieuw materiaal aan de gewascollecties toe. Vanaf september 2018 is er onder andere uitgebreid met wilde spinazie uit Armenië en Azerbeidzjan en “single seed descent” sla lijnen.

    Bescherming wilde bij vereist maatwerk
    Scheper, J.A. - \ 2019
    The sustainable housing question: On the role of interpersonal, impersonal and professional trust in low-carbon retrofit decisions by homeowners
    Wilde, Mandy de - \ 2019
    Energy Research & Social Science 51 (2019). - ISSN 2214-6296 - p. 138 - 147.
    Homeowners - Low-carbon retrofit - Mediators - Professionals - Social networks - Standards - Sustainable housing - Trust

    Trust is critical for facilitating energy transitions in both general and market exchange, and most particularly in consumer engagement. However, little research has been done to demonstrate how trust is established and how it influences the decision-making process of important change agents in energy transitions. On the basis of 40 in-depth interviews with homeowners who adopted a domestic low-carbon retrofit measure, this paper distinguishes three modes of trust that play a role in a retrofit decision-making process. First, interpersonal trust builds on the familiarity and social identification within social networks. Second, impersonal trust develops through certified tools and standards generated by governmental bodies and other actors perceived as independent. Finally, professional trust arises due to the perceived professional capacities and ethics of supply-side actors in the construction industry, and insulation and installation businesses. The paper demonstrates the various roles that modes of trust have in the decision-making process. Moreover, the paper shows the interaction between these different modes of trust and their mediators. Tailoring domestic low-carbon retrofit campaigns and services to different modes of trust is imperative in order to persuade homeowners to retrofit their homes, to engage with energy issues and to contribute to a transition to sustainable housing.

    Ruime variatie aan inhoudsstoffen in sla goed voor mens en plant
    Treuren, R. van - \ 2019

    Inhoudsstoffen beschermen de plant en kunnen gezond zijn voor mensen. Onderzoek in 2018 toonde een grote variatie in de chemische samenstelling van monsters van sla en zijn wilde verwanten aan. Deze informatie kan gebruikt worden om de smaak en voedingswaarde van slarassen te verhogen en ze weerbaarder te maken tegen ziekten en plagen.

    Designing trust: how strategic intermediaries choreograph homeowners’ low-carbon retrofit experience
    Wilde, M. de; Spaargaren, G. - \ 2019
    Building Research and Information 47 (2019)4. - ISSN 0961-3218 - p. 362 - 374.
    houses - market transformation - middle-out - retrofit - service design - strategic intermediaries - sustainable buildings - trust
    In the Netherlands, as in other European countries, the uncertain, fragmented character of the low-carbon retrofit market hampers a transition towards sustainable housing. Connecting homeowners to supply-side actors of low-carbon retrofit procedures, products and technologies in ways satisfactory to homeowners forms an important, challenging task. Service design for the benefit of a customer-centric perspective might be a solution. This paper investigates the potential role of strategic intermediaries as agents of change located between supply-side actors and homeowners. It asks how strategic intermediaries choreograph low-carbon retrofit experiences of homeowners through the design of a ‘customer journey’. Trust is a crucial determinant. This paper distinguishes between three customer-journey designs in which, depending on the role envisioned for homeowners, a different trust relation is foregrounded: a private design envisions homeowners as passive consumers who trust in the expertise offered by the intermediary; a civic design envisions homeowners as engaged consumer-citizens who trust their neighbours as reliable service representatives; and a public design envisions homeowners as critical customers who trust in the retrofit technologies and products offered. This implies an important role for policy actors in realizing ways for scaling up and institutionalizing all three low-carbon retrofit customer-journey designs on a national level
    Mogelijkheden voor wilde bijen op Ruigoord zuidwest
    Ottburg, F.G.W.A. ; Scheper, J.A. ; Rooij, S.A.M. van - \ 2018
    Wageningen University & Research (Helpdesk kennisimpuls bestuivers 2017-4) - 11 p.
    Rijkswaterstaat bermen A15 voor wilde bijen
    Ottburg, F.G.W.A. ; Scheper, J.A. ; Rooij, S.A.M. van - \ 2018
    Wageningen University & Research (Helpdesk Kennisimpuls Bestuivers 2017-5) - 7 p.
    Hoogstam fruitbrigade West-Betuwe voor wilde bijen
    Ottburg, F.G.W.A. ; Cornelissen, A.C.M. - \ 2018
    Wageningen University & Research (Helpdesk Kennisimpuls Bestuivers 2017-7) - 14 p.
    Hoe kan inrichting en beheer van Proeftuin Randwijk worden verbeterd voor wilde bijen?
    Ottburg, F.G.W.A. ; Cornelissen, A.C.M. - \ 2018
    Wageningen University & Research (Helpdesk Kennisimpuls Bestuivers 2017-8) - 17 p.
    Zijn er kansen voor wilde bijen op het 80 km lange tracé van Leidingenstraat Nederland?
    Ottburg, F.G.W.A. ; Scheper, J.A. - \ 2018
    Wageningen University & Research (Kennisimpuls bestuivers 2018-1) - 13 p.
    Van voormalige coniferenkwekerij naar een particuliere wilde bijen tuin in Oene
    Ottburg, F.G.W.A. ; Reemer, Menno - \ 2018
    Wageningen University & Research - 12 p.
    Zonnepark Uden wil zich inzetten voor wilde bijen. Wat kunnen zij doen?
    Ottburg, F.G.W.A. ; Cornelissen, A.C.M. - \ 2018
    Wageningen : Wageningen University & Research - 14 p.
    De Alkmaarder Hout: het oudste stadsbos van Nederland als habitat voor wilde bijen
    Ottburg, F.G.W.A. ; Scheper, J.A. - \ 2018
    Wageningen University & Research (Kennisimpuls bestuivers 2018-5) - 12 p.
    Ontwikkeling van kruidenrijke akkers voor wilde bijen
    Ottburg, F.G.W.A. ; Scheper, J.A. - \ 2018
    Wageningen University & Research - 9 p.
    Check title to add to marked list
    << previous | next >>

    Show 20 50 100 records per page

     
    Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.