Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

    Records 1 - 20 / 66

    • help
    • print

      Print search results

    • export

      Export search results

    • alert
      We will mail you new results for this query: q=Zelfde
    Check title to add to marked list
    Mais: meer opbrengst, zelfde voederwaarde
    Groten, Jos - \ 2019
    Het belang van sublitorale mosselen als voedselbron in de Westelijke Waddenzee : helpdeskvraag 2c in het kader van mosseltransitie (KD-2019-028)
    Jansen, H.M. - \ 2019
    Yerseke : Wageningen Marine Research (Wageningen Marine Research rapport C038/19) - 19
    Deze rapportage geeft duiding aan het belang van sublitorale mosselen als voedselbron voor de verschillende predatoren in de Waddenzee op basis van een literatuurreview. Onderstaande tabel vat de bevindingen samen, waarbij onderscheid gemaakt is tussen mosselen op wilde banken en op kweekpercelen.Soort Belang wilde mosselbanken Belang kweekpercelen Eidereenden Wilde mosselen zijn in sommige seizoenen van mindere kwaliteit voor de Eidereend in vergelijking met kweekmosselen. Aan het einde van de winter, wanneer kwaliteit van mosselen op wilde banken en percelen gelijk is, worden eidereenden ook gezien op wilde banken.Kweekmosselen zijn een belangrijke voedselbron voor Eidereenden, met name in periodes wanneer de mosselkwaliteit (hoge vlees/schelp ratio) relatief gunstig is.Topper Toppers komen worden vooral waargenomen rond de afsluitdijk. Rond de afsluitdijk zijn ook wilde mosselbanken aanwezig zijn, toppers komen echter vooral voor op locaties waar kleine strandgapers aanwezig zijn, en er wordt daarom aangenomen dat dit een belangrijke voedselbron is. Mosselen lijken van minder groot belang in het dieet van de Topper.Op de locaties waar veel toppers voorkomen (afsluitdijk) liggen weinig percelen.Krabben Bestand van krabben in het sublitoraal neemt geleidelijk toe, en is sterk gelinkt aan het voorkomen van mosselen. Mosselzaad en halfwas mosselen zijn een geschikte voedselbron voor krabben, volwassen mosselen zijn veelal te groot voor predatie.Het krabben bestand op de percelen is ongeveer ¼ van het bestand buiten de percelen.Predatie door krabben is bepalend voor het rendement van het perceel. Vooral mosselzaad in de eerste weken nadat het op de percelen gelegd is, is een belangrijke prooi voor krabben.Zeesterren Zeesterren bepalen in grote mate de overleving van wilde mosselbanken in de Waddenzee. In gebieden met een lager zoutgehalte (nabij afsluitdijk) komen minder zeesterren voor. Zeesterren consumeren alle grootteklassen mosselen, mits verhouding predator/prooi voldoetPercelen zijn gelegen in gebieden met een hoog zoutgehalte, en daarmee geschikt habitat voor zeesterren. Het totale bestand zeesterren op percelen is in zelfde orde grote als voor krabben.GarnalenKlein mosselzaad (2-3mm) is een voedselbron voor garnalen.
    Overzichtskaart Bijeninitiatieven
    Knoben, Nieke ; Zelfde, M. van 't; Biesmeijer, Koos ; Groot, G.A. de - \ 2018
    EIS
    Butterflies show different functional and species diversity in relationship to vegetation structure and land use
    Aguirre-Gutiérrez, Jesús ; Wallis de Vries, Michiel ; Marshall, Leon ; Zelfde, Maarten van 't; Villalobos-Arámbula, Alma R. ; Boekelo, Bastiaen ; Bartholomeus, Harm ; Franzén, Markus ; Biesmeijer, Jacobus C. - \ 2017
    Global Ecology and Biogeography 26 (2017)10. - ISSN 1466-822X - p. 1126 - 1137.

    Aim

    Biodiversity is rapidly disappearing at local and global scales also affecting the functional diversity of ecosystems. We aimed to assess whether functional diversity was correlated with species diversity and whether both were affected by similar land use and vegetation structure drivers. Better understanding of these relationships will allow us to improve our predictions regarding the effects of future changes in land use on ecosystem functions and services.


    Location

    The Netherlands.


    Methods

    We compiled a dataset of c. 3 million observations of 66 out of 106 known Dutch butterfly species collected across 6,075 sampling locations during a period of 7 years, together with very high-resolution maps of land use and countrywide vegetation structure data. Using a mixed-effects modelling framework, we investigated the relationship between functional and species diversity and their main land use and vegetation structure drivers.


    Results

    We found that high species diversity does not translate into high functional diversity, as shown by their different spatial distribution patterns in the landscape. Functional and species diversity are mainly driven by different sets of structural and land use parameters (especially average vegetation height, amount of vegetation between 0.5 and 2 m, natural grassland, sandy soils vegetation, marsh vegetation and urban areas). We showed that it is a combination of both vegetation structural characteristics and land use variables that defines functional and species diversity.


    Main conclusions

    Functional diversity and species diversity of butterflies are not consistently correlated and must therefore be treated separately. High functional diversity levels occurred even in areas with low species diversity. Thus, conservation actions may differ depending on whether the focus is on conservation of high functional diversity or high species diversity. A more integrative analysis of biodiversity at both species and trait levels is needed to infer the full effects of environmental change on ecosystem functioning.
    Samenvatting van het project ‘Kijkrichtingen natuur en gezondheid’ : Definitieve versie april 2016
    Kruize, Hanneke ; Hermans, C.M.L. - \ 2016
    Bilthoven : RIVM - 18 p.
    nature - health - towns - plantations - leisure services - well-being - air quality
    De afgelopen jaren is er bij beleid, onderzoek en praktijk veel aandacht voor
    de positieve invloed van natuur op de gezondheid. Steeds meer gemeenten
    profileren zich met groenprojecten. Zij veronderstellen dat de aanwezigheid van
    een groen in de leefomgeving – dat wil zeggen, de aanwezigheid van parken,
    tuinen, bossen, bomen, groenstroken – mensen stimuleert om (meer) te gaan
    bewegen. Verder zijn er aanwijzingen dat een groene leefomgeving sociale
    contacten stimuleert. Ook wordt verondersteld dat mensen met groen in de
    leefomgeving minder stress hebben en dat het als buffer tegen luchtverontreiniging
    en geluidoverlast kan dienen. Kortom, het idee is dat mensen
    door hun contact met een groene leefomgeving een betere gezondheid en
    kwaliteit van leven hebben. Er ontbreekt echter nog veel kennis over de relatie
    tussen groen en gezondheid. Daarnaast wordt de groene leefomgeving nog
    maar weinig benut door gezondheidsprofessionals.
    Belangrijke vragen zijn dan ook: wat kan een groene leefomgeving betekenen
    voor de gezondheid van mensen? En wat hebben gezondheidsprofessionals
    nodig zodat de groene leefomgeving beter wordt benut?
    Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en Alterra hebben
    daarom drie onderzoeken uitgevoerd. Als eerste zijn gegevens over de
    gezondheid van inwoners uit Doetinchem die al lange tijd worden gevolgd
    – de zogeheten Doetinchem Cohort-studie – gecombineerd met gegevens
    over de groene leefomgeving voor verkennende analyses naar de relatie groen
    en gezondheid. Ten tweede is gezondheidsprofessionals gevraagd wat zij
    nodig hebben om de groene leefomgeving in te zetten voor de gezondheid
    van hun patiënten. Ten slotte is de situatie voorafgaand aan een gemeentelijke
    interventie op het gebied van groen en gezondheid in kaart gebracht (nulmeting).
    In deze samenvatting worden de termen natuur, groene leefomgeving en groen
    afwisselend gebruikt. In essentie wordt steeds het zelfde bedoeld: de effecten
    van natuur, de groene leefomgeving op gezondheid.
    Weiden is vakmanschap : ‘bij robot meer weide-uren nodig voor zelfde grasopname’
    Pol-van Dasselaar, Agnes van den - \ 2016

    85 procent van de Nederlandse melkveebedrijven kan weidegang toepassen, maar weiden is voor een aanzienlijk kleiner deel, 71 procent, bedrijfseconomisch écht aantrekkelijk. Het financiële aspect is niet de belangrijkste motivatie voor melkveehouders om wel of niet te weiden, vindt weidegangspecialist Agnes van den Pol.

    De bijdrage van (wilde) bestuivers aan een hoogwaardige teelt van peren en aardbeien : nieuwe kwantitative inzichten in de diensten geleverd door bestuivende insecten aan de fruitteeltsector in Nederland
    Groot, G.A. de; Knoben, Nieke ; Kats, R.J.M. van; Dimmers, W.J. ; Zelfde, M. van 't; Reemer, M. ; Biesmeijer, Koos ; Kleijn, D. - \ 2016
    Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport 2716) - 67
    pyrus communis - peren - fragaria ananassa - aardbeien - bestuiving - bestuivers (dieren) - apidae - honingbijen - bombus - syrphidae - wilde bijenvolken - nederland - pyrus communis - pears - fragaria ananassa - strawberries - pollination - pollinators - apidae - honey bees - bombus - syrphidae - wild honey bee colonies - netherlands
    Paprikateelt in emissieloze kas haalt gelijke productie met zelfde kwaliteit : ‘bewustwording bij telers moet omhoog’
    Beerling, Ellen ; Os, Erik van - \ 2016
    horticulture - greenhouse horticulture - greenhouse technology - vegetables - capsicum - sweet peppers - emission reduction - agricultural research - water reuse - drainage water - water filters - disinfection - ozone - substrates - crop production

    Als de proef met emissieloos telen één ding heeft duidelijk gemaakt, is het wel dat water meer vertrouwen verdient, menen Wageningen UR onderzoekers Ellen Beerling en Erik van Os. “Als we er bewust mee om gaan, neemt de noodzaak om te lozen aanzienlijk af.” De paprikateelt in het IDC Water in Bleiswijk verliep met volledige recirculatie van water en presteerde zeker niet minder dan de referentieteelt.

    Leertraject voor Zorgboeren "Klaar voor de toekomst" : handleiding voor begeleiders van studiegroepen
    Poelarends, J.J. ; Ferwerda-van Zonneveld, R.T. ; Hassink, J. ; Schepers, R. - \ 2015
    Wageningen : Wageningen UR Livestock Research (Rapport / Wageningen UR Livestock Research 85) - 43
    zorgboerderijen - sociale zorg - onderwijs - boeren - noord-nederland - zuid-nederland - social care farms - social care - education - farmers - north netherlands - south netherlands
    Dit rapport beschrijft een aanpak voor een leertraject voor zorgboeren. In dit traject van 4 bijeenkomsten verkennen ze toekomstige mogelijkheden voor hun zorgboerderij en maken keuzes die bij henzelf, hun bedrijf en omgeving passen. Nieuwe product markt combinaties worden verkend, evenals de gevolgen voor henzelf, hun bedrijf en de organisatie en marketing ervan. Dit traject liep als pilot in 2014 in twee groepen in Noord en Zuid Nederland. Op basis van die ervaringen is deze handleiding gemaakt voor begeleiders van studiegroepen, netwerken, verenigingen etc. De begeleiders kunnen met deze aanpak een zelfde soort traject doorlopen met groepen zorgboeren.
    Gewasafhankelijke spuiten bespaart middel bij zelfde effectiviteit
    Os, Erik van - \ 2014
    Gewasgezondheid in relatie tot substraatsamenstelling (Input-output Fase IV) : Effect twee vulgewichten op opbrengst en kwaliteit
    Baars, J.J.P. ; Sonnenberg, A.S.M. ; Visser, P.H.B. de; Blok, C. - \ 2014
    Wageningen : Plant Research International (Rapport / Plant Research International 2015-1) - 9
    paddestoelen - tuinbouw - glastuinbouw - champignonmest - voedingsstoffen - gewaskwaliteit - teeltsystemen - substraten - gewasopbrengst - mushrooms - horticulture - greenhouse horticulture - mushroom compost - nutrients - crop quality - cropping systems - substrates - crop yield
    De teelt van champignons wordt al decennia gedaan op compost die nu vrijwel de zelfde samenstelling heeft als 40 jaar geleden. Het composteringsproces en het gebruik van voedingsstoffen uit de compost door de champignon is nog steeds voor een groot gedeelte een raadsel. Talrijke analysen hebben slechts een beperkt inzicht gecreëerd. We weten dat de champignon in twee vluchten slechts 17-18% van de droge stof (ca. 25% organische stof) gebruikt. Waarom deze benutting zo laag is, is vooralsnog niet helemaal duidelijk. De kwaliteit van de compost is bepalend voor de opbrengst en kwaliteit van champignons. Eerdere experimenten hebben laten zien dat een variatie in vulgewicht compost (de hoeveelheid compost die per vierkante meter in de stellingen wordt gebracht) invloed heeft op de benutting van compost (kg champignons/ton compost) en op de kwaliteit. Dit project wil de kennis in andere teeltwijze, uit voorgaande projecten, omzetten tot een bruikbaar resultaat met ook verbeteringen op het gebied van plantgezondheid. Dit gebeurt door aanpassingen in de teelt met bijvoeding en andere teeltwijze (vulgewicht/bekoeling).
    Overdracht en bestrijding van fytoplasma's in hyacint
    Vreeburg, P.J.M. ; Korsuize, C.A. - \ 2014
    Lisse : Praktijkonderzoek Plant en Omgeving BBF - 31 p.
    De laatste jaren (2007 t/m 2010) is er in de broeierij van hyacinten en hyacint-achtigen (met name Muscari) een duidelijke toename van zogenaamde ‘Lissers’ waargenomen. ‘Lissers’, een ziekte die wordt gekenmerkt door een iele plant, die niet of nauwelijks bloeit en een slechte beworteling heeft, wordt veroorzaakt door een infectie met een fytoplasma (uit de “Aster Yellows” groep), een celwandloze bacterie die door (dwerg)cicaden (met name Macrosteles sexnotatus) van plant tot plant wordt verspreid. Het is het zelfde fytoplasma dat de vergelings-heksembezemziekte bij gladiool veroorzaakt.Er wordt verwacht dat door de klimaatsveranderingen de komende jaren het aantal besmettingen met fytoplasma’s in het voorjaar zal toenemen. Kennis van het verloop van het infectieproces en kennis over bestrijdingsmethoden van het fytoplasma in de bol en van de vector (cicade) op het veld zijn dan ook dringend nodig. Gedurende 3 jaar is onderzocht of de ligging van het teeltperceel van invloed is op het voorkomen van ‘Lissers’. Ook is het moment van voorkomen van (besmette) cicaden gemonitord en is de periode waarin besmetting met het fytoplasma plaatsvindt onderzocht. In het eerste jaar is onderzoek gedaan naar toepassing van een aantal insecticiden en boldompeling in Admire bij de bestrijding van cicaden op het veld. Ook is in dat jaar onderzocht of het mogelijk is het fytoplasma in de bol na rooien te bestrijden door toepassing van een temperatuurbehandeling. Uit het onderzoek is gebleken dat het tijdstip waarop de eerste cicaden en eerste besmette cicaden voorkomen van jaar tot jaar verschilt. Bij een hogere temperatuur komen meer cicaden voor dan bij een lagere. Op luwe percelen en luwe delen van percelen komen de meeste cicaden voor. In de Bollenstreek komen met fytoplasma besmette cicaden en dus ‘Lissers” meer voor dan in Kennemerland en veel meer voor dan in De Noord. Er is een duidelijke correlatie tussen het beeld dat uit de monitoring van besmette cicaden komt en de vondst van ‘Lissers’. Ondanks de jaren met soms een relatief strenge winter en een lang koud voorjaar kwam ‘Lissers’ elk jaar voor. ‘Lissers’ lijkt zich duidelijk te hebben gevestigd in de Bollenstreek, terwijl er vroeger alleen gesproken werd over bepaalde ‘Lisser’ jaren.Fytoplasma kan in heel korte tijd (binnen een week) vanuit het gewas in de bol komen. Voor een goede bestrijding van de cicaden zal daarom met de bespuitingen doorgegaan moeten worden tot vlak voor rooien. Bestrijding van het fytoplasma via een temperatuurbehandeling vlak na rooien is zeer effectief. De kans op bloem- en gewasschade is echter zeer groot. Het optreden van bloem- en gewasschade is afhankelijk van de cultivar. Door het lage besmettingspercentage in de proeven kunnen er uit dit onderzoek geen conclusies getrokken worden over de effectiviteit van de geteste middelen bij de bestrijding van cicaden.
    Gewasafhankelijk spuiten bespaart middel bij zelfde effectiviteit (onderzoekscolumn Wageningen UR Glastuinbouw)
    Wageningen UR Glastuinbouw, - \ 2014
    Onder Glas 11 (2014)12. - p. 47 - 47.
    Perceived and demonstrated impacts of marine debris
    Rochman, C.M. ; Browne, M.A. ; Underwood, A.J. ; Thompson, R.C. ; Franeker, J.A. van; Amarel-Zettler, L. - \ 2014
    Marine debris is a global conservation issue, raising concerns regarding ecological impacts. We examined the evidence regarding impacts of marine debris via a systematic review of the literature across 13 levels of biological organization (subatomic particle, atom, small molecule, macromolecule, molecular assemblage, organelle, cell, tissue, organ, organ system, organism, population and assemblage) to determine the perceived and demonstrated impacts. There were 347 perceived impacts across all levels of biological organization. Many were hypothesis-driven studies, wherein > 80% were demonstrated impacts largely due to plastic debris. Overall, impacts were largely demonstrated at suborganismal levels of biological organization due to microdebris (<1 mm), while impacts at higher levels of organization (i.e. organism and above) were largely due to macrodebris (> 1 mm). Decision-makers globally are requesting evidence of ecological harm to build effective policies. While we agree that further information is needed to fill research gaps and provide assessments of ecological risk, there are several lines of evidence that marine debris causes impacts across multiple levels of organization, including ecological. Moreover, current work shows that some debris is persistent, bioaccumulative and toxic. Thus, we think that there is enough evidence to take a precautionary approach by beginning to mitigate now before there is irreversible harm.
    Overdracht en bestrijding van fytoplasma’s in hyacint : overdracht en bestrijding van het fytoplasma, dat Lissers veroorzaakt in hyacint
    Vreeburg, P.J.M. ; Korsuize, C.A. - \ 2014
    Lisse : Praktijkonderzoek Plant & Omgeving, Business Unit Bloembollen, Bomen en Fruit - 31
    bloembollen - hyacinthus - plantenziekteverwekkende bacteriën - vectoren, ziekten - macrosteles sexnotatus - besmetting - landbouwkundig onderzoek - dalbulus - ornamental bulbs - plant pathogenic bacteria - disease vectors - contamination - agricultural research
    De laatste jaren (2007 t/m 2010) is er in de broeierij van hyacinten en hyacint-achtigen (met name Muscari) een duidelijke toename van zogenaamde ‘Lissers’ waargenomen. ‘Lissers’, een ziekte die wordt gekenmerkt door een iele plant, die niet of nauwelijks bloeit en een slechte beworteling heeft, wordt veroorzaakt door een infectie met een fytoplasma (uit de “Aster Yellows” groep), een celwandloze bacterie die door (dwerg)cicaden (met name Macrosteles sexnotatus) van plant tot plant wordt verspreid. Het is het zelfde fytoplasma dat de vergelings-heksembezemziekte bij gladiool veroorzaakt. Er wordt verwacht dat door de klimaatsveranderingen de komende jaren het aantal besmettingen met fytoplasma’s in het voorjaar zal toenemen. Gedurende 3 jaar is onderzocht of de ligging van het teeltperceel van invloed is op het voorkomen van ‘Lissers’. Ook is het moment van voorkomen van (besmette) cicaden gemonitord en is de periode waarin besmetting met het fytoplasma plaatsvindt onderzocht.
    Changes in lion (Panthera leo) home range size in Waza National Park, Cameroon
    Tumenta, P.N. ; Van't Zelfde, M. ; Croes, B.M. ; Buij, R. ; Funston, P.J. ; Haes, H.A.U. de; longh, H.H. De - \ 2013
    Mammalian Biology - Zeitschrift für Säugetierkunde 78 (2013)6. - ISSN 1616-5047 - p. 461 - 469.
    carnivore conservation - social-behavior - africa - savanna - ecology - west
    The spatial ecology of Africa lions (Panthera leo) was studied from 2007 to 2009 in Waza National Park, Cameroon, by equipping individual lions with GPS/VHF radio-collars. Mean home range estimates using 100% minimum convex polygons (MCP) and 95% kernel-density estimation (KDE) were respectively 1015 km2 and 641 km2. The lions spent a considerable amount of time out of the park during the study period (21%), resulting in significantly larger wet season home ranges than in the hot dry season when they were largely within the park. Time spent outside of the park coincided with increased livestock predation, especially by males. The seasonal variation observed in home range appeared to be mainly due to prey dispersal, flooding and migrating livestock. Mean home range size was observed to have increased by 58.6% within the last decade. This observed increase in home range could possibly be attributed to recent declines in wild prey abundance and also, may be indicative of a trend of general degradation of the park due to intense human pressure. The change observed in lions’ ranging behaviour was remarkable, with lions crossing the highway parallel to the park to the Cameroon-Nigerian borders. Measures to restore the integrity of the park are urgently needed, which could include the construction of a partial fence along the western boundary of the park to prevent lions moving across the parallel highway.
    Ontwerp van twee energiezuinige kasconcepten: Iteratief proces van rekenen en discussieren aan de hand van Kaspro
    Verkerke, W. ; Kempkes, F.L.K. ; Poot, E.H. - \ 2013
    Bleiswijk : Wageningen UR Glastuinbouw (Rapport / Wageningen UR Glastuinbouw 1286) - 21
    glastuinbouw - kastechniek - innovaties - dubbele beglazing - diffuus glas - belichting - energiebesparing - vruchtgroenten - doelstellingen - ontwerp - greenhouse horticulture - greenhouse technology - innovations - double glazing - diffused glass - illumination - energy saving - fruit vegetables - objectives - design
    Het Greenportkas II concept zou de volgende stap worden in de energiebesparing in de glastuinbouw, onder meer door gebruik te maken van gecoat diffuus dubbel glas. Dit nieuwe kasconcept, bedoeld voor de teelt van tomaten, is voorafgaande aan de bouw uitgebreid geëvalueerd. De consequenties van combinaties van bepaalde innovaties zijn in een iteratief proces doorgerekend met Kaspro en bediscussieerd met de ondernemer. Dit heeft geleid tot een veel beter uitgedacht systeem. De bouw van dit concept kon echter niet doorgaan. Vervolgens is de ontwikkeling van een ander kasconcept met een vergelijkbare innovatie (de ID kas) ondersteund met het zelfde iteratieve proces. Dit heeft bijgedragen aan het uiteindelijke ontwerp van de kas en de ontwikkeling van een monitoringsplan. Greenportkas II was a new greenhouse concept for further reduction of the energy use in protected tomato cultivation by the use of coated double glazing. This new concept was aimed at the production of tomatoes. It was thoroughly ex ante evaluated through an iterative process with Kaspro calculations and discussions with the grower before the construction of the greenhouse started. This led to a better system lay-out. However, this concept could not be built. Subsequently, another innovative greenhouse concept was ex ante supported with similar calculations and discussions. These activities contributed to the design and building of this new concept: the ID greenhouse. A plan for the monitoring of the energy performance of this new tomato greenhouse was written.
    Minder perenbladvlo; zelfde kwaliteit peren (onderzoek H. Helsen en R. v.d. Maas)
    Helsen, H.H.M. ; Maas, M.P. van der - \ 2013
    Buurmalsen : de Fruitteeltkrant
    Het Monitoring en Evaluatie Programma Zandwinning RWS LaMER 2007 en 2008 - 2012: overzicht, resultaten en evaluatie
    Rozemeijer, M.J.C. ; Kok, J. ; Ronde, J. de; Kabuta, S. ; Marx, S. ; Berkel, G. van - \ 2013
    IJmuiden : IMARES (Rapport / IMARES Wageningen UR C181/13) - 116
    zandafgravingen - mariene gebieden - mariene ecologie - watervogels - zeehonden - nadelige gevolgen - milieueffectrapportage - ecologische verstoring - sand pits - marine areas - marine ecology - waterfowl - seals - adverse effects - environmental impact reporting - ecological disturbance
    Zandwinning en -transport kunnen potentieel leiden tot diverse effecten zoals verminderde productie van algen en schelpdieren door extra slib in de waterkolom en verstoring. Geschatte effecten van zandwinning volgens de MERren. Visuele verstoring van zeehonden en vogels: de dieren worden verstoord doordat ze de sleephopperzuiger zien en reageren door bv weg te vluchten en andere vormen van onrust wat kan resulteren in (tijdelijke) effecten op de conditie van het dier en zelfs voortplanting en populatiedynamica. Geluidverstoring van vissen, vogels en zeezoogdieren: geluid wordt geproduceerd tijdens het baggeren op de winlocatie en tijdens het varen, waarbij de geluidsbron zich verplaatst. Verstoringseffecten kunnen ook optreden door het geluid tijdens baggeren (zowel boven als onderwater). Dit heeft op hoofdlijnen het zelfde effect als visuele verstoring maar via een andere effectroute.
    Effecten van beheersmaatregelen op vochtgehaltes bij uitdrogende veendijken
    Oostindie, K. ; Wesseling, J.G. ; Hendriks, R.F.A. ; Ritsema, C.J. ; Akker, J.J.H. van den - \ 2012
    Wageningen : Alterra, Wageningen-UR (Alterra-rapport ) - 25
    dijken - bodemprofielen - veengronden - stabiliteit - grondwaterstand - begrazing - graslanden - modellen - dykes - soil profiles - peat soils - stability - groundwater level - grazing - grasslands - models
    Beheersmaatregelen op veendijken kunnen invloed hebben op bodem- en gewasverdamping. In deze studie zijn met behulp van het SWAP-model een vijftal maatregelen doorgerekend voor een veendijkprofiel zonder kleidek en een zelfde profiel welk met een kleilaag is afgedekt. De berekeningen zijn uitgevoerd voor 4 worteldiepten en bij drie verschillende grondwaterstanden. Er is gebruik gemaakt van een pseudo meteofile waarbij geen neerslag valt en de potentiele verdamping voor elke dag constant wordt gehouden en van een meteofile met gegevens over het droge jaar van 1976 van het KNMI station De Bilt. In deze studie is de verzadigingsgraad berekend voor de bovenste meter van het bodemprofiel.
    Check title to add to marked list
    << previous | next >>

    Show 20 50 100 records per page

     
    Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.