Staff Publications

Staff Publications

  • external user (warningwarning)
  • Log in as
  • language uk
  • About

    'Staff publications' is the digital repository of Wageningen University & Research

    'Staff publications' contains references to publications authored by Wageningen University staff from 1976 onward.

    Publications authored by the staff of the Research Institutes are available from 1995 onwards.

    Full text documents are added when available. The database is updated daily and currently holds about 240,000 items, of which 72,000 in open access.

    We have a manual that explains all the features 

Records 1 - 20 / 94

  • help
  • print

    Print search results

  • export

    Export search results

  • alert
    We will mail you new results for this query: q=Zoon
Check title to add to marked list
Jarenlang bezig met ontwikkelen van zelfrijdend karretje dat eieren raapt
Vroegindeweij, Bastiaan - \ 2018
eierraaprobot - eiren

Al tien jaar werkt Bastiaan Vroegindeweij (31) uit Ochten aan de ontwikkeling van een eierraaprobot. Hij is wetenschapper, innovator én ondernemer. „Snelheid is geboden, want de concurrentie is in aantocht.”

Naast zijn laptop ligt een oude Nokia. En dat in de hightechomgeving van de universiteit in Wageningen. „Deze gaat niet kapot, vandaar.”

Het begon met een wedstrijd tijdens zijn studie agrotechnologie. „We moesten met een zelf ontwikkelde machine ‘onkruid’ bestrijden tussen maisplanten. Het onkruid was voor ons neergelegd in de vorm van gele golfballen. Daarvoor bouwde ons team een raapwagen.”

Toen kwam bij de zoon van een pluimveehouder de gedachte op om hiermee ook eieren te laten rapen. „De scharrelstallen hebben de kippen een stuk meer welzijn gebracht, maar de boer zelf is vergeten. Die kon voorheen de eieren op stahoogte pakken, maar moet nu vaak door de stallen dwalen en bukken om emmers vol her en der verspreid liggende eieren te rapen; zeker als de kippen nog niet aan hun nest gewend zijn. Wanneer ze blijven liggen, leggen andere kippen er weer hun eieren bij. Als het strooiselpakket aangroeit, neemt het probleem eveneens toe.”

Vroegindeweij wist dat de boer of zijn personeel geen keus heeft. Soms moeten er op onaangename tijden wel drie tot vier rondjes door de stallen worden gemaakt. Tijdrovend, duur en slecht voor de rug.

Het liet hem niet meer los. Tijdens zijn afstudeeropdracht ontwikkelde hij een routeplanner voor een raaprobot, de PoultryBot. Hij kreeg de kans om er zijn promotieonderzoek aan te wijden en zette een machine in elkaar die met behulp van een draaiende spiraal ook de eieren opraapt. „In 2015 was er een leuk concept, maar waren er nog te veel onvolkomenheden. Zo moesten de accu’s om de twee uur worden opgeladen.”

Hij besloot door te gaan en leeft sindsdien grotendeels van zijn spaargeld en de inkomsten van zijn vrouw. „Ik ben met Livestock Robotics onverwacht ondernemer geworden. Het heeft mijn blik enorm verbreed, maar het kost ook veel tijd.”

De jonge ingenieur is nu bezig met een tweede prototype, waarbij het rapen even op de tweede plaats is gekomen. „Het moet eerst zonder enige problemen stabiel in de stal kunnen rondrijden, van maandagochtend vroeg tot vrijdagavond laat.”

Ondertussen zoekt hij naarstig naar investeerders. „Eigenlijk moet de robot binnen twee jaar op de markt komen. Voor de ontwikkeling is in eerste aanleg ongeveer 7 ton nodig. Daarnaast ben ik bezig om boeren bereid te vinden de eerste machines af te nemen.” De raapmachines zouden ongeveer 30.000 euro per stuk moeten kosten. „Ze besparen alleen aan werk al voor 10 mille per jaar.”

De robot kan op termijn meer doen dan alleen boer of personeelslid ontlasten. „Als je heel goed verder ontwikkelt, heb je een apparaat dat de kippen in de gaten houdt en gegevens over hun gedrag verzamelt. Daarbij dient dan goed rekening te worden gehouden met de omgeving waarin de robot zijn werk doet.

Of je dan de boer nog nodig hebt? Misschien gaan we toe naar bedrijven die autonoom draaien. Willen we dat? Het is nog ver weg. Voorlopig hebben we niet anders dan een klein, zelfrijdende karretje dat eieren raapt. Het is bepaald niet eenvoudig om machines te maken die rekening houden met de ingewikkelde werkelijkheid. Kijk naar Google, hoe lang zijn ze daar al niet bezig met een zelfrijdende auto?”

Modulation of event-related potentials to food cues upon sensory-specific satiety
Zoon, Harriët F.A. ; Ohla, Kathrin ; Graaf, Cees de; Boesveldt, Sanne - \ 2018
Physiology and Behavior 196 (2018). - ISSN 0031-9384 - p. 126 - 134.
Electro-encephalography - Food anticipation - Food consumption - Neural response - Olfactory - Visual

Tempting environmental food cues and metabolic signals are important factors in appetite regulation. Food intake reduces liking of food cues that are congruent to the food eaten (sensory-specific satiety). With this study we aimed to assess effects of sensory-specific satiety on neural processing (perceptual and evaluative) of visual and olfactory food cues. Twenty healthy female subjects (age: 20 ± 2 years; BMI: 22 ± 2 kg/m2) participated in two separate test sessions during which they consumed an ad libitum amount of a sweet or savoury meal. Before and after consumption, event-related potentials were recorded in response to visual and olfactory cues signalling high-energy sweet, high-energy savoury, low-energy sweet and low-energy savoury food and non-food items. In general, we observed that food intake led to event-related potentials with an increased negative and decreased positive amplitudes for food, but also non-food cues. Changes were most pronounced in response to high-energy sweet food pictures after a sweet meal, and occurred in early processes of perception (~80–150 ms) and later processes of cognitive evaluation (~300–700 ms). Food intake appears to lead to general changes in neural processing that are related to motivated attention, and sensory-specific changes that reflect decreased positive valence of the stimuli and/or modulation of top-down cognitive control over processing of cues congruent to the food eaten to satiety.

Altered neural responsivity to food cues in relation to food preferences, but not appetite-related hormone concentrations after RYGB-surgery
Zoon, Harriët F.A. ; Bruijn, Suzanne E.M. de; Smeets, Paul A.M. ; Graaf, Cees de; Janssen, Ignace M.C. ; Schijns, Wendy ; Aarts, Edo O. ; Jager, Gerry ; Boesveldt, Sanne - \ 2018
Behavioural Brain Research 353 (2018). - ISSN 0166-4328 - p. 194 - 202.
Endocannabinoid - Energy-density - fMRI - Food cues - Ghrelin - Obesity - Olfactory - Reward - Roux-en-Y gastric bypass surgery - Visual

Background: After Roux-en-Y gastric bypass (RYGB) surgery, patients report a shift in food preferences away from high-energy foods. Objective: We aimed to elucidate the potential mechanisms underlying this shift in food preferences by assessing changes in neural responses to food pictures and odors before and after RYGB. Additionally, we investigated whether altered neural responsivity was associated with changes in plasma endocannabinoid and ghrelin concentrations. Design: 19 RYGB patients (4 men; age 41 ± 10 years; BMI 41 ± 1 kg/m2 before; BMI 36 ± 1 kg/m2 after) participated in this study. Before and two months after RYGB surgery, they rated their food preferences using the Macronutrient and Taste Preference Ranking Task and BOLD fMRI responses towards pictures and odors of high-, and low-energy foods and non-food items were measured. Blood samples were taken to determine plasma endocannabinoid and ghrelin concentrations pre- and post-surgery. Results: Patients demonstrated a shift in food preferences away from high-fat/sweet and towards low-energy/savory food products, which correlated with decreased superior parietal lobule responsivity to high-energy food odor and a reduced difference in precuneus responsivity to high-energy versus low-energy food pictures. In the anteroventral prefrontal cortex (superior frontal gyrus) the difference in deactivation towards high-energy versus non-food odors reduced. The precuneus was less deactivated in response to all cues. Plasma concentrations of anandamide were higher after surgery, while plasma concentrations of other endocannabinoids and ghrelin did not change. Alterations in appetite-related hormone concentrations did not correlate with changes in neural responsivity. Conclusions: RYGB leads to changed responsivity of the frontoparietal control network that orchestrates top-down control to high-energy food compared to low-energy food and non-food cues, rather than in reward related brain regions, in a satiated state. Together with correlations with the shift in food preference from high- to low-energy foods this indicates a possible role in new food preference formation.

Altered neural inhibition responses to food cues after Roux-en-Y Gastric Bypass
Zoon, H.F.A. ; Bruijn, S.E.M. de; Jager, G. ; Smeets, P.A.M. ; Graaf, C. de; Janssen, I.M.C. ; Schijns, W. ; Deden, L. ; Boesveldt, S. - \ 2018
Biological Psychology 137 (2018). - ISSN 0301-0511 - p. 34 - 41.
Bariatric surgery - fMRI - Food preferences - go/no-go - Impulsivity - Inhibitory control - Weight-Loss

Background: Roux-en-Y gastric bypass (RYGB) surgery is a highly effective weight-loss intervention that often reduces preference and intake of high-energy foods. Research into the neural mechanisms behind this shift has mainly focused on reward processing of food cues. However, the ability to successfully control food intake and thereby weight-loss also depends on inhibitory control capacity. We investigated whether RYGB leads to alterations in neural inhibitory control in response to food cues. Methods: A food-specific go/no-go task with pictures of high-energy (desserts) and low-energy foods (vegetables), was used to assess neural inhibition responses before and after RYGB with functional magnetic resonance imaging. Data from 18 morbidly obese patients (15 females; age 41 ± 11 years; BMI 42 ± 4 kg/m2 before; BMI 36 ± 4 kg/m2 after) were analysed. Pre- and post-RYGB BOLD fMRI responses were compared for response inhibition towards high- and low-energy foods. Participants were tested in a satiated state. Results: Response inhibition to high-energy foods was associated with increased activation of the right lateral prefrontal cortex (PFC), right medial PFC, dorsolateral PFC, right middle cingulate cortex and the right inferior frontal operculum (involved in inhibitory control), after compared to before surgery. Response inhibition to low-energy foods elicited diminished post- compared to pre-surgery responses in the left superior temporal pole, right parahippocampal gyrus and right hypothalamus (involved in metabolic control). Conclusion: Neural changes indicate improved response inhibition towards high-energy food cues, altered influence of metabolic control during response inhibition towards low-energy food cues and a more positive attitude to both high-energy and low-energy food after RYGB. Alterations in neural circuits involved in inhibitory control, satiety signalling and reward processing may contribute to effective weight-loss after RYGB.

Aroma effects on food choice task behavior and brain responses to bakery food product cues
Wijk, Rene A. de; Smeets, Paul A.M. ; Polet, Ilse A. ; Holthuysen, Nancy T.E. ; Zoon, Jet ; Vingerhoeds, Monique H. - \ 2018
Food Quality and Preference 68 (2018). - ISSN 0950-3293 - p. 304 - 314.
Aroma - Bakery products - Food choice behavior - Functional magnetic resonance imaging - Reward
Bread, and especially whole grain bread is an important source of dietary fibers. It was tested with behavioral and fMRI measures whether bread becomes more attractive when it is presented with bread aroma. Twenty-eight healthy normal-weight women were exposed to images of bakery products (brown bread, white bread and cookies) without aroma or with a congruent (bread aroma) or non-congruent (“warm wood”) aroma. In general, product effects were larger than aroma effects. Images of brown bread were preferred over images of white bread as shown by direct comparisons, choice reaction times, as well as liking and wanting scores. Aroma had no effect on liking and wanting, but did affect food choice task behavior, where images of brown bread were preferred more often in the presence of warm wood aroma and images of cookies were preferred more often in the presence of bread aroma. The fMRI data suggest that bread aroma may increase the salience of bakery products compared to no aroma and a non-food aroma. Specifically, bread aroma induced greater activation for cookies in areas related to reward anticipation. The correlations between behavioral measures and brain responses suggest lower attention for and a habitual response to brown bread and higher attention and a more goal-directed response to white bread. In conclusion, aroma can affect choice task behavior for brown and white bread albeit in an incongruent manner. The more habitual response to brown compared with white bread suggested by the neural data underscores that nudging towards brown bread consumption with (bread) aroma will probably not be effective.
Between odours and overeating : behavioural and neurobiological mechanisms of olfactory food-cue reactivity
Zoon, Harriët F.A. - \ 2017
Wageningen University. Promotor(en): Cees de Graaf, co-promotor(en): Sanne Boesveldt. - Wageningen : Wageningen University - ISBN 9789463431675 - 178
geurstoffen - overeten - neurobiologie - voedingsgedrag - reukstimulatie - obesitas - eetlust - overgewicht - buik bypass - verzadigdheid - odours - overeating - neurobiology - feeding behaviour - olfactory stimulation - obesity - appetite - overweight - gastric bypass - satiety

The obesogenic environment we live in is characterized by an abundance of available foods and food cues that tempt us to eat. Throughout our lives we learn to associate these food cues (odours, pictures) with physiological consequences of food consumption. The sense of smell is suggested to be very important for determining food quality, guiding us away from spoilt food and towards rewarding foods. Increased sensitivity to environmental cues of rewarding food, decreased sensitivity to physiological cues of hunger and a decreased ability to control impulses are thought to contribute to overeating and obesity. With the research in this thesis we aimed to elucidate the role of odours in (over)eating, to better understand how sensory food cues and hunger feelings are involved in determining our eating pattern.

We assessed the appetizing effects of exposure to odours signalling food with a certain taste (sweet/savoury) and energy density (high/low). Our findings show that smelling a food odour increases appetite for foods that are similar to the odour, both in terms of taste and energy density. These appetizing effects were present when participants were hungry but also when they had just eaten, indicating a possible role in overeating.

Further, consumption of a high-energy food with a certain taste (sweet/savoury) led to a decrease in liking and wanting of foods with a similar taste and energy density. Next to this, we observed more pronounced changes in early neural processing of pictures of high-energy/sweet food after consumption of a high-energy/sweet meal.

Food preferences and -intake after ambient exposure to odours signalling high-energy food, low-energy food and non-food were not different. Odours did not affect these measures of eating behaviour differently in a hungry or satiated state and in normal-weight or overweight participants.

In a group of patients who underwent Roux-en-Y Gastric Bypass weight-loss surgery, we found a shift in food preferences away from high-fat/high-sugar and towards low-fat/low-sugar foods and altered activation in the frontoparietal neural network during (food) cue processing. After compared to before surgery we also found altered prefrontal neural responses when patients inhibited their responses to pictures of high-energy food. These results suggest that RYGB leads to changes in cognitive control of attention and increased neural inhibitory control over behavioural responses.

In conclusion, odours have a specific appetizing function in the anticipatory phase of eating. They are important in determining the taste quality and energy-density and may be involved in the selection of foods for macronutrient regulation. Orthonasal odours should be used to guide food selection towards a healthier eating pattern.

Food Odours Direct Specific Appetite
Zoon, H.F.A. ; Graaf, C. de; Boesveldt, S. - \ 2016
Foods — Open Access Food Science Journal 5 (2016)1. - ISSN 2304-8158 - 11 p.
Olfactory food cues were found to increase appetite for products similar in taste. We aimed to replicate this phenomenon for taste (sweet/savoury), determine whether it extends to energy density (high/low) as well, and uncover whether this effect is modulated by hunger state. Twenty-nine healthy-weight females smelled four odours differing in the energy density and taste they signalled, one non-food odour, and one odourless solution (control), in random order, for three minutes each. Appetite for 15 food products was rated in the following two minutes. Mixed model analyses revealed that exposure to an odour signalling a specific taste (respectively sweet, savoury) led to a greater appetite for congruent food products (sweet/savoury) compared to incongruent food products (savoury p < 0.001; sweet p < 0.001) or neutral food products (p = 0.02; p = 0.003). A similar pattern was present for the energy-density category (respectively high-energy dense, low-energy dense) signalled by the odours (low-energy products p < 0.001; high-energy products p = 0.008). Hunger state did not have a significant impact on sensory-specific appetite. These results suggest that exposure to food odours increases appetite for congruent products, in terms of both taste and energy density, irrespective of hunger state. We speculate that food odours steer towards intake of products with a congruent macronutrient composition.
Eerste demo eierzoekrobot
Vroegindeweij, Bastiaan - \ 2015

Eerste demo eierzoekrobot

18 december 2015

Tijdens het Field Robot Event in 2007 kreeg het team van Bastiaan

Vroegindeweij de opdracht om onkruid in de vorm van golfballetjes te

verwijderen uit een maisveld. Als zoon van een pluimveehouder zag hij de

volgende toepassing van dit idee al. Een robot die door de stal van zijn vader

rijdt om de eieren op te pakken die sommige kippen los in de stal leggen.

Bastiaan, nu PhD student bij Wageningen University en verbonden aan

StartLife: “Het idee van de eierzoekrobot was geboren en sinds mijn master

ben ik bezig met het ontwikkelen van deze robot. Vandaag gaven we voor het

eerst een demo met echte kippen. Ik hoop dat de robot in 2017 op de markt

komt”.

Sinds 2012 is de legbatterij in Nederland verboden. Dit betekent dat kippen meer

ruimte hebben gekregen en er steeds meer stallen komen waar kippen loslopen in

grote ruimtes. Prettiger voor de kippen maar een nadeel is dat een deel van de

kippen de eieren niet in de nesten leggen maar random in te stal. Op dit moment

worden de eieren die tussen de kippen liggen met de hand geraapt. Dit is relatief

zwaar werk. Dagelijks gaat 10-20% van de arbeidstijd op aan het oprapen van de

eieren.

Van Agrotechnologiestudent naar ondernemer

Na het robotevenement besloot Bastiaan zijn masteronderzoek te gebruiken om een

‘tomtom’ te ontwikkelen voor de eierzoekrobot. Nu werkt hij als promovendus bij

Wageningen University aan de verfijning van de robot. Bastiaan: “Vandaag hebben

we de eerste demo met kippen, eind 2016 hoop ik dat het eerste prototype rijdt. Als

alles volgens plan loopt is de robot in 2017 klaar voor de markt. Mijn PhD hoop ik

ondertussen zo snel mogelijk af te ronden. Daarna ben ik van plan een onderneming

op te zetten en de robot eerst in de buurt van Wageningen en later in heel Europa te

verkopen. Maar voor het zover is moeten er nog de nodige technische verbeteringen

komen en een commercieel traject opgezet worden. Versterking is daarbij welkom.”

Onderzoekresultaten naar de markt brengen

Van concept naar een stabiele robot. Een hele uitdaging volgens Bastiaan: “De

grootste uitdaging voor mij is het commercialiseren van de robot. Op dit moment

werkt de robot maar het is niet eenvoudig om er voor te zorgen dat de robot het áltijd

doet en ook nog eens voor een redelijke prijs.” Om de marktintroductie van de

toekomstige spin-off te versnellen heeft Bastiaan een klankbordgroep. Een groep van

experts die hem helpen om ook echt de stap te maken naar het marktrijp maken en

de verkoop van het product. Daarnaast heeft hij zich aangesloten bij StartLife om

gebruik te maken van de coaching en leningen die de stichting aan startups biedt.

Evaluation of methodological aspects of digestibility meaurements in ponies fed different grass hays
Schaafstra, F.J.W.C. ; Doorn, D.A. van; Schonewille, J.T. ; Wartena, F.C. ; Zoon, M. van; Blok, M.C. ; Hendriks, W.H. - \ 2015
Journal of Animal Science 93 (2015)10. - ISSN 0021-8812 - p. 4742 - 4749.
Methodological aspects of digestibility measurements of feedstuffs for equines were studied in four Welsh pony geldings consuming four grass-hay diets in a 4 × 4 Latin square design. Diets contained either a low (L), medium (M), high (H), or very high (VH) ADF content (264, 314, 375, or 396 g·kg-1 DM, respectively). Diets were supplemented with minerals, vitamins, and TiO2 (3.9 g Ti·d-1). Daily feces excreted were collected quantitatively over 10 consecutive days and analyzed for moisture, ash, ADL, AIA, and titanium (Ti). Minimum duration of total fecal collection (TFC) required for an accurate estimation of apparent organic matter digestibility (OMD) of grass hay was assessed. Based on literature and the calculated cumulative OMD assessed over 10 consecutive days of TFC, a minimum duration of at least 5 consecutive days of fecal collection is recommended for accurate estimation of dry matter digestibility (DMD) and OMD in ponies. The 5-d collection should be preceded by a 14-d adaptation period to allow the animals to adapt to the diets and become accustomed to the collection procedures. Mean fecal recovery over 10 d across diets for ADL, AIA, and Ti was 93.1% (SE 1.9), 98.9% (SE 5.5), and 97.1% (SE 1.8), respectively. Evaluation of CV of mean fecal recoveries obtained by ADL, AIA, and Ti showed that variation in fecal Ti (6.8) and ADL excretion (7.0) was relatively low compared to AIA (12.3). In conclusion, the use of internal ADL and externally supplemented Ti are preferred as markers to be used in digestibility trials in equine fed grass-hay diets.
Food preference and intake in response to ambient odours in overweight and normal-weight females
Zoon, H.F.A. ; He, W. ; Wijk, R.A. de; Graaf, C. de; Boesveldt, S. - \ 2014
Physiology and Behavior 133 (2014). - ISSN 0031-9384 - p. 190 - 196.
cephalic phase responses - cue exposure - unrestrained eaters - eating behavior - external cues - appetite - humans - perception - obesity - brain
In our food abundant environment, food cues play an important role in the regulation of energy intake. Odours can be considered as external cues that can signal energy content in the anticipatory phase of eating. This study aims to determine whether exposure to olfactory cues associated with energy dense foods leads to increased food intake and greater preference for energy-dense foods. In addition, we assessed whether BMI and hunger state modulated this effect. Twenty-five overweight (mean BMI: 31.3 kg/m2, S.E.: 0.6) and 25 normal-weight (mean BMI: 21.9 kg/m2, S.E.: 0.4) females, matched on age and restraint score, participated. In 6 separate sessions they were exposed to odours of three different categories (signalling non-food, high-energy food and low-energy food) in two motivational states (hungry and satiated). After 10 min of exposure food preference was assessed with a computerized two-item forced choice task and after 20 min a Bogus Taste Test was used to determine energy intake (kcal and g). In a hungry state, the participants ate more (p <.001) and preferred high-energy products significantly more often (p <.001) when compared to the satiated state. A trend finding for the interaction between hunger and BMI suggested that the food preference of overweight participants was less affected by their internal state (p = .068). Neither energy intake (kcal: p = .553; g: p = .683) nor food preference (p = .280) was influenced by ambient exposure to odours signalling different categories. Future studies need to explore whether food odours can indeed induce overeating. More insight is needed regarding the possible influence of context (e.g. short exposure duration, large variety of food) and personality traits (e.g. restraint, impulsive) on odour-induced overeating.
Biological control of root knot nematodes in organic vegetable and flower greenhouse cultivation - State of Science: Report of a study over the period 2005-2010
Wurff, A.W.G. van der; Janse, J. ; Kok, C.J. ; Zoon, F.C. - \ 2010
Bleiswijk : Wageningen UR Greenhouse Horticulture (Report / Wageningen UR Greenhouse Horticulture 321) - 91
bloementeelt - biologische landbouw - bodemvruchtbaarheid - meloidogyne - biologische bestrijding - grondsterilisatie - ziektebestrijdende teeltmaatregelen - glastuinbouw - glasgroenten - biologische grondontsmetting - bodemweerbaarheid - floriculture - organic farming - soil fertility - biological control - soil sterilization - cultural control - greenhouse horticulture - greenhouse vegetables - biological soil sterilization - soil suppressiveness
Het onderzoek is gericht op het ontwikkelen van alternatieve beheerssytemen voor wortelknobbelaaltjes waardoor schade wordt geminimaliseerd en stomen van grond overbodig wordt. Er is gezocht naar zowel middelen als systemen, variërend van biologische middelen en grondontsmetting tot teeltsysteemoplossingen. Uit het onderzoek komt naar voren dat er op dit moment nog geen middel of methode voorhanden is waarmee alle problemen kunnen worden opgelost. De oplossing bestaat vooralsnog uit een pakket maatregelen waaruit gekozen kan worden afhankelijk van doelpathogeen, gewas, bedrijfstype en bodemsamenstelling.
Biologische beheersing van wortelknobbelaaltjes in de biologische teelt van groenten en bloemen onder glas : stand van kennis : verslag van onderzoek over de periode 2005 tot 2010
Wurff, A.W.G. van der; Kok, C.J. ; Zoon, F.C. - \ 2010
Bleiswijk : Wageningen UR Glastuinbouw (Rapport / Wageningen UR Glastuinbouw 321) - 83
teelt onder bescherming - kasgewassen - groenten - snijbloemen - plantenparasitaire nematoden - meloidogyne - biologische bestrijding - bestrijdingsmethoden - biologische landbouw - glastuinbouw - glasgroenten - biofumigatie - biologische grondontsmetting - protected cultivation - greenhouse crops - vegetables - cut flowers - plant parasitic nematodes - biological control - control methods - organic farming - greenhouse horticulture - greenhouse vegetables - biofumigation - biological soil sterilization
From 2005 to 2009, research was directed towards obtaining a solution for the damage caused by the root knot nematode Meloidogyne spp. in organically cultured flowers and vegetables. Soil steaming is often used and an effective method of control, however, requires substantial amounts of energy and eliminates beneficial soil organisms. Therefore, the research aimed at the development of alternative means of control. The research focused on means as well as methods, varying from biological means and soil desinfectation to system solutions such as use of crop rotation schemes. This project was financed by the Dutch Ministry of Agriculture, Nature and Food Quality (LNV).
Van vader op zoon
Haan, H.J. de - \ 2009
In: Ons boerenland / Bieleman, J., Zwolle : Waanders - ISBN 9789040086564 - p. 211 - 228.
Interview met prof. Aad Smaal, de nieuwe Hoogleraar Duurzame schelpdiercultuur
Smaal, A.C. - \ 2008
Aquacultuur 23 (2008)3. - ISSN 1382-2764 - p. 25 - 35.
schaal- en schelpdierenvisserij - schaaldieren - universitaire onderwijsprogramma's - universitair onderzoek - nederland - shellfish fisheries - shellfish - college programs - university research - netherlands
Sinds kort heeft Nederland zijn eerste hoogleraar schelpdier. Professor Aad Smaal, verbonden aan IMARES en de Wageningen Universiteit, houdt zich al een aantal decennia intensief bezig met schelpdierenonderzoek en nu dus ook met onderwijs. ‘Vroeger werd de kennis van vader op zoon doorgegeven. Dat voldoet niet meer. Ik streef naar een complete kolom van schelpdierenonderwijs, op alle niveaus
Factoren die de schadelijkheid van Pratylenchus bepalen
Kok, C.J. ; Zoon, Frans ; Hok-A-Hin, C.H. ; Poleij, L.M. - \ 2008
pratylenchus - pratylenchus penetrans - aardappelen - verticillium dahliae - plantenparasitaire nematoden - pratylenchus - pratylenchus penetrans - potatoes - verticillium dahliae - plant parasitic nematodes
De schadelijkheid van Pratylenchus wordt sterk beïnvloed door omgevingsfactoren, zoals bodemtype en aanwezigheid van andere pathogenen. Verder zou ook de afbraaksnelheid van besmet wortelmateriaal in de bodem een rol kunnen spelen in de populatieontwikkeling
Bestrijding van Meloidogyne met Pasteuria penetrans
Kok, C.J. ; Zoon, Frans ; Amsing, J.G.M. ; Hok-A-Hin, C.H. - \ 2008
meloidogyne javanica - meloidogyne incognita - clostridium pasteurianum - pasteuria penetrans - nematodenbestrijding - chrysanten - tomaten - glastuinbouw - meloidogyne javanica - meloidogyne incognita - clostridium pasteurianum - pasteuria penetrans - nematode control - chrysanthemums - tomatoes - greenhouse horticulture
In de systemen Meloidogyne javanica - chrysant en M. incognita - tomaat is de effectiviteit van Pasteuria onderzocht in in vitro toetsen en in containerproeven. Daarnaast werd een lange termijn studie uitgevoerd in een praktijkkas met een besmetting van M. javanica bij chrysant
Van vader op zoon
Haan, H.J. de - \ 2007
In: De Geschiedenis van het Boerenleven in Nederland / Bieleman, J., de Bruijn, J., Zwolle : Uitgeverij Waanders - ISBN 9789040019579 - p. 321 - 343.
Het effect van huisvesting op het welzijn van paarden
Visser, E.K. - \ 2007
Veehouder en Dierenarts 21 (2007)1. - ISSN 1381-8007 - p. 7 - 8.
paarden - diergedrag - abnormaal gedrag - sociaal gedrag - mentale stress - paardenziekten - horses - animal behaviour - abnormal behaviour - social behaviour - mental stress - horse diseases
Enkele decennia geleden werd de kennis van paarden nog automatisch overgedragen van vader op zoon, omdat veel families dagelijks met paarden werkten. Eén van de gevolgen van een veranderende manier van houden van en omgaan met paarden is het ontstaan van stress en frustratie. Een aanzienlijk deel van de paarden in Nederland blijkt afwijkend gedrag te vertonen
Tabaksratelvirus in aardappel : abaksratelvirus als oorzaak van kringerigheid en opbrengstreductie in aardappelrassen
Molendijk, L.P.G. ; Hartsema, O. ; Zoon, F.C. ; Gastel, A.W.W. van; Hoek, J. - \ 2006
Lelystad : PPO AGV - 76
plantenvirussen - tabaksratelvirus - overdracht - aardappelen - solanum tuberosum - rassen (planten) - resistentie van variëteiten - trichodorus primitivus - paratrichodorus pachydermus - plantenparasitaire nematoden - oogstverliezen - onderzoeksprojecten - plant viruses - Tobacco rattle virus - transfer - potatoes - varieties - varietal resistance - plant parasitic nematodes - yield losses - research projects
Tabaksratelvirus (TRV) behoort tot de zogenaamde ‘tobravirussen’ en komt bij een zeer groot aantal plantensoorten voor. TRV wordt van de ene naar de andere plant overgebracht door aaltjes die behoren tot de geslachten Trichodorus en Paratrichodorus. In Nederland gaat het vooral om de soorten Paratrichodorus teres, Paratrichodorus pachydermus en Trichodorus primitivus. Deze aaltjes komen vrijwel uitsluitend voor op zandgrond en lichte zavelgrond. Het in dit rapport beschreven onderzoek had als voornaamste doelstelling na te gaan of TRV wordt overgedragen naar dochterknollen en vandaar naar de volgende teelt. Er zijn zes aardappelrassen in het onderzoek meegenomen. Deze rassen verschillen van elkaar in resistentieniveau tegen kringerigheid: Bintje en Roxy werden beschouwd als weinig vatbaar, Saturna en Wilja als vrij weinig vatbaar en Santé en Santana als vatbaar. In dit onderzoek is vastgesteld dat een moederknol of -plant die wordt geïnfecteerd door een Trichodoride-aaltje, het virus kan overdragen aan haar dochterknollen. Er zijn grote verschillen in vatbaarheid voor TRV tussen de aardappelrassen en virustypen. Wat betreft gevoeligheid voor kringerigheid in de knollen, zijn er eveneens verschillen tussen rassen en virustypen. Ook wat betreft overdraagbaarheid van het virus via het pootgoed zijn er verschillen tussen rassen en virustype (c.q. de aaltjessoort die als primaire vector optrad)
Tabaksratelvirus kan met pootgoed overgaan
Hoek, J. ; Molendijk, L.P.G. ; Zoon, F.C. - \ 2006
Aardappelwereld 60 (2006)11. - ISSN 0169-653X - p. 38 - 39.
Check title to add to marked list
<< previous | next >>

Show 20 50 100 records per page

 
Please log in to use this service. Login as Wageningen University & Research user or guest user in upper right hand corner of this page.