DE VOEDERING DER BIJEN.
Elk levend dier, hoe klein ook, heeft voor de instandhouding en voor den groei van zijn lichaam voedsel noodig. Wat benoodigd is voor de instandhouding van het lichaam, wordt gewoonlijk aangeduid met den naam van onderhoudsvoedsel, terwijl het voedsel, dat dienen moet, om den omvang van het lichaam te vergrooten of om het geslacht voort te planten, productievoedsel wordt genoemd. Zoowel het eene als het andere is ook noodig voor de bijen. Zij behoeven voedsel, om van larve te ontwikkelen tot volkomen insect en ook om haar lichaam, volwassen zijnde, in stand te houden. Bovendien hebben zij een ruime hoeveelheid voedsel noodig voor de voortplanting van haar geslacht, m.a.w. voor de uitbreiding van de kolonie in haar geheel. De imker dient dan ook wel te onderscheiden, of hij zijne volken voedert om in 't leven te blijven, of dat hij zulks doet om die volken tot een sterke voortplanting, aanzetting van broed, op te wekken. Immers beide wijzen van voedering verschillen in vele opzichten hemelsbreed van.elkander; al geeft men in beide gevallen dezelfde voedermiddelen, hoewel verschillend toebereid en in onderscheidene hoeveelheden.
Waar enkel gevoederd wordt om de bijen in 't leven te behouden, wordt die voedering noodvoedering genoemd. In tegenstelling daarvan heet de andere dan drijf- of speculationvoedering. Kan en moet, indien de kolonie anders den hongerdood zou sterven, de noodvoedering in alle jaargetijden uitgevoerd worden, dit is alzoo niet het geval met de speculationvoedering. Het is duidelijk, dat deze alleen dan mag geschieden, indien de volken door gunstige weersgesteldheid uit hunne winterrust tot vernieuwde werkzaamheid worden opgewekt, dus in het voorjaar en wel hoofdzakelijk in de maanden April en Mei. In die streken, waar sprake is van eene voorjaarsdracht, kan zij achterwege blijven. Want de ervaring leert, dat één ons frisch ingezamelde honing meer den broedaanzet bevordert dan een pond gevoerde honing. Doch niet alle streken deelen in dit voorrecht. De imker van de zandstreken, die niet met zijne koloniën kan of wil reizen naar plaatsen met genoegzame voorjaarsdracht, moet zich wel behelpen met de drijfvoedering. En met oordeel uitgevoerd, kan ook hij daarmee het doel bereiken, wat de reizende imker naar “de klei” beoogt: n.l. het verkrijgen van zoo sterk mogelijke volken. Alleen maar, zijne manier is kostbaarder. Men zij evenwel voorzichtig, niet te vroeg met de drijfvoedering een aanvang te maken. Zoolang de temperatuur ongunstig is en warme, zonnige dagen nog gevolgd worden door strenge nachtvorsten of afwisselen met gure, winderige dagen, zooals in Maart, zelfs in April, wachte men zich wel de volken tot broedaanzet te prikkelen. Nauwlettend dient acht gegeven te worden op de weersgesteldheid. Trouwens is eene zoo vroege drijfvoedering, waaraan zoo vele gevaren zijn verbonden, voor de meeste streken van ons vaderland niet noodig. Het voornaamste gewin toch valt eerst in de laatste helft van Juli en in de eerste helft van Augustus, n.l. op de boekweit. Indien de heideimker, dus maar zorgt tegen dien tijd, half Juli n.l., zeer sterke volken te hebben, is hij vroeg genoeg. Daarom kan hij gerust de Meimaand afwachten, voor hij zijne volken tot een krachtigen broedaanzet noodzaakt. Eene te vroege drijfvoedering heeft ten gevolge, dat de Koningin meer eieren begint te leggen, waardoor het broednest dagelijks grooter omvang krijgt. De werkbijen zijn genoodzaakt veel voedsel op te nemen en tot eene passende spijsbrij voor de jonge larven in haar lichaam te bereiden. Hierdoor hoopen zich in het achterlijf der voedsters veel meer drekstoffen op, omdat de temperatuur buiten haar verhindert zich te reinigen. Bij aanhoudend ongunstig weer ontstaat de doorloop of roer. Vele werkbijen, die de woning verlaten, om zich te ontlasten of uitvliegen om buiten voorraad in te zamelen, die er nog niet is, komen om door wind, koude of vocht. Door de geregelde voedering schijnen zij te meenen, dat er buiten in overvloed honing te halen is. Verzwakking in plaats van versterking is er het gevolg van. Veel van het jonge broed gaat verloren, het wordt uitgetrokken, zooals de imkersterm luidt, omdat het aan de noodige warmte in de woning ontbreekt; de bevolking is niet sterk genoeg, om het aanwezige broed te bezetten en door haar eigen lichaamswarmte op de noodige temperatuur te brengen en te houden. Redenen genoeg om ernstig te waarschuwen, de drijfvoedering niet te vroeg te beginnen.
De noodvoedering onderscheidt zich in de tweede plaats van de speculationvoedering door de hoeveelheden voeder, die op eens gegeven worden. In het eerste geval geeft men opeens zooveel mogelijk en spoedig na elkander. De gegeven voorraad wordt dan in de ledige cellen overgebracht en voorloopig bewaard. Hierdoor voorkomt men de neiging van bet volk, om door eene sterkere voeding van de Koningin deze tot eieren leggen aan te sporen. Zoo min mogelijk moet de rust verstoord worden, als men in den winter of in het vroege voorjaar een volk, dat anders van gebrek zou omkomen, voederen moet. De mobielimker heeft ook in dit geval vrij wat gemakkelijker taak dan de stabielimker, immers het gansche werk bestaat voor hem slechts in het plaatsen van één of meer gevulde honingtafels in de nabijheid van de zitplaats der bijen.
Dat hierdoor het volk veel minder gestoord wordt, dan door het inhangen van klompjes met honing, door het onderspijlen van meethoning enz., waartoe de stabielimker zijn toevlucht moet nemen, is duidelijk. Nochtans is zoowel de mobiel- als den stabielimker met ernst aan te raden, reeds in de Herfst door bijvoedering van honing of suiker den volken, die zullen overwinteren, een zoodanigen voorraad te geven, dat die toereikend is tot ongeveer April. Past men de drijfvoedering toe, dan handelt men, wat de hoeveelheden betreft, juist omgekeerd.
Kleine porties met water verdunden honing, die lauwwarm wordt gevoederd, worden elken avond, of om den anderen, toegediend, liefst door het gevulde bakje of schoteltje onder de woning te zetten. Hierdoor verspreiden de bijen zich meer over het werk en wordt het broednest uitgebreid.
Waarom lauwwarme, verdunde honing gewenscht is? Omdat deze met minder moeite en spoediger door de werkbijen kan worden bereid tot Koninginnevoeder en spijsbrij voor de larven. De spijsbrij moet den dienst vervullen van de melk voor de jonge zoogdieren. Krachtig wordt door deze wijze de broedaanzet bevorderd. Volken, die nog een ruimen voorraad verzegelde honing bezitten, behoeven van de drijfvoedering niet te worden uitgesloten, ook voor die is zij noodig.
Om evenwel voldoende ledige cellen voor het opnemen der eieren te verkrijgen, is het wenschelijk een deel van den verzegelden honing te ontzegelen en eerst daarna te voederen met verdunden, warmen honing. Niet alle honing is evenwel evengoed geschikt voor drijfvoedering. Dat hij zuiver en frisch moet zijn, behoeft bijna niet gezegd te worden, dit toch geldt in 't algemeen voor alle voedermiddelen. Maar er is meer. De zuivere lek , tap- en slingerhoning bevat behalve koolstof, zuurstof en waterstof, slechts een weinig stikstof. Kan hij dus niet tot de stikstofvrije voedermiddelen gerekend worden, hij staat er toch dicht bij. En nu mag wel als bekend aangenomen worden, dat voor den opbouw van elk dierlijk lichaam stikstofhoudende stoffen in de eerste plaats onmisbaar zijn. Daarom verzamelen de bijen niet alleen vlijtig honing voor hun onderhoud, maar ook stuifmeel of pollen. Deze laatste is veel stikstofrijker dan de eerste en vult dus het te kort aan. Dit stuifmeel wordt dan ook door de bijen in de cellen, dicht bij het broednest, bewaard, om verwerkt te worden met honing tot de straks genoemde spijsbrij. Juist de pasgeboren larven hebben het meeste stikstofhoudende voedsel noodig om van larfje tot volkomen insect te kunnen ontwikkelen. Volken, die niet meer voorttelen, b.v. moerlooze, zamelen geen stuifmeel meer in. Waarvoor zou het ook dienen ? Wil men dus door de drijfvoedering trachten sterke volken te verkrijgen, dan is het beter stamphoning, die met stuifmeel of bijenbrood gemengd is, te gebruiken, dan de bovengenoemde honingsoorten. Dat suiker, een volkomen stikstofvrije stof, in 't geheel niet deugt voor de speculationvoedering, maar wel kan gebruikt worden naast den honing voor de noodvoedering zal nu wel geen verklaring meer behoeven. Zoodra de bijen buiten eene genoegzame hoeveelheid stuifmeel bekomen kunnen, is het minder noodzakelijk fijngestampten meethoning (stamphoning) te voeren; dan kunnen ook lek-, tap en slingerhoning, mits zuiver, zindelijk en frisch, aangewend worden. In het gebrek van voldoend stikstofhoudend voedsel voorzien sommigen in het voorjaar door het voederen van meel. De meeste meelsoorten, havermeel, tarwemeel, roggemeel enz. kunnen daarvoor dienen; zij mogen evenwel niet vervalscht zijn. Het meel wordt met den honing vermengd of, wat beter is, buiten in de nabijheid van den stal op eene warme, zonnige plaats neergezet, b.v. in een ledigen bijenkorf. Om de bijen te lokken, strooit men het meel wel uit over ledige wastafels. Met onvermoeiden ijver wordt het in de woningen opgeborgen, totdat de natuur zelve stuifmeel geeft. Dan houdt het indragen van meel dadelijk op.
B. Wigman.