HONIG- EN STUIFMEELGEVENDE PLANTEN.
Niet ieder land of iedere streek is even geschikt voor de Bijenteelt. Sommige streken schaffen den bijen een schotel alleen in het voorjaar, andere streken alleen in den voorzomer en nog andere alleen in den nazomer. Slechts weinig oorden waar de bijen de geheele lente en zomer voldoenden voorraad vinden. Daarom gaan onze groote imkers met hun bijen reizen; eerst naar de koolzaad- en mosterdvelden, dan naar de boekweit en eindelijk naar de heide.
Er kan nog heel wat gedaan worden om de bijenweide te verbeteren. Er kunnen zonder veel moeite en kosten nog veel honigplanten worden verbreid over ons land en wellicht vreemde honigplanten worden ingevoerd en aangekweekt. Sierstruiken en boomen, als acacia, ahorn en linden kan men gemakkelijk een plaatsje geven langs onze wegen. Men moet hiertoe aandringen bij het Rijk, bij provincie en gemeente. De Belgen kweeken vooral veel honigplanten aan langs de spoorwegen. Dit is een practische maatregel, welke ook bij ons navolging verdient, want langs onze spoorbanen ligt nog heel wat braak. Ieder imker heeft wel een hoekje waar hij enkele soorten kan aankweeken.
Niet alle jaren geven de planten eenzelfde hoeveelheid of kwaliteit honig. Dit is van verscheidene zaken afhankelijk. De bodemgesteldheid, de temperatuur, de vochtigheid tijdens den bloeitijd der bloemen, spelen hierbij eene groote rol. Het komt ook voor, dat sommige planten in de eene streek goed honigen en in de andere bijna niet. In het algemeen zijn heete, matig droge jaren de beste voor de Bijenteelt. De meeste planten scheiden veel nektar af, wanneer de lucht met onweer is bezwangerd, dus bij drukkend zwoel weer. Van de heide is het bekend, dat deze voor de bijen waardeloos is, indien er veel onweders over gaan. Het schijnt dat het weerlichten heel slecht op de heidebloemen werkt. In sommige jaren komt bij droog, warm weer dikwijls honigdauw voor op de bladeren van de meeste onzer boomen. Sommigen houden dit voor een afscheiding van bladluizen. Anderen zien in den honigdauw een uitzweetingsproduct der bladeren, die bij bepaalde vochtigheid in den dampkring en een zekere temperatuurswisseling kan ontstaan. Het is zeker, dat de honig welke de bijen op de bladeren halen een slecht voedsel is en vooral voor de overwintering sterk af te raden is. Het is van belang dat ieder imker bekend is met de verschillende honig- en stuifmeelgevende planten. Daarom willen we die opgeven in de verschillende maanden, al waar hun bloeitijd is.
Maart en April.
1. Voorjaarshelmkruid (Scrophularia Vernalis).
't Is een tweejarige plant, welke in het wild vrij zeldzaam in ons land voorkomt. De bloemen zijn geel en worden door de bijen druk bevlogen. In Duitschland wordt deze plant door imkers aangekweekt.
Vooral Gravenhorst heeft deze plant aanbevolen. Van een imkervrind kreeg ik verleden voorjaar wat zaad en nu bloeien de planten al eenige weken in mijn tuin.
Kan geplant worden onder heesters, tusschen bessenstruiken enz.
2. Alpen scheefkelk (Arabis alpina).
Dit plantje kwam oorspronkelijk niet in ons land voor. Het word volgens Heukels op de muren van den Hortus te Leiden gevonden en is waarschijnlijk van daar verspreid. Het wordt slechts 15 cM. hoog. Men kan het door zaad verkrijgen, doch het laat zich ook gemakkelijk door verdeeling vermeerderend. Het bloeit van Maart-Mei en heeft liever drogen dan vochtigen grond en wil zelfs gemakkelijk op muren groeien.
Van den heer Tiel te Groningen en Kelting te Santpoort ontving ik een witte en een blauwe verscheidenheid.
3. Wilgensoorten (Salix),
die bij de imkers wel bekend zijn en in 't voorjaar aan duizenden volken honig en stuifmeel verschaffen.
Vele imkers die in 't voorjaar van de Veluwe naar de Betuwe reizen en geen koolzaadvelden kunnen vinden, zo zoeken zooveel mogelijk de nabijheid van wilgenhout.
4. Voorjaarsanemoon (Adonis vernalis).
Komt in 't wild in ons land slechts voor in den omtrek van Deventer. Het is een siergewas, dat meer moest voorkomen, houdt van een drogen grond en is wellicht zeer geschikt om langs spoorwegen uitgezaaid te worden.
5. Koolzaad (Brassica Rapa).
Wel bekend! Wordt niet zooveel meer verbouwd als vroeger. Komt thans nog veel voor in Zuid-Holland, in de omstreken van Zevenhuizen.
6. Vele prunussoorten (abrikoos, sleedoorn, pruim, kers en perzik).
7. Meestal in April verschillende bessen. (Kruisbes, aalbes, trosbes) (Ribes).
8. Onder de boomen, die in 't vroege voorjaar aan de bijen honig en stuifmeel verschaffen, mogen we ook wel noemen de iepen of olm (ulmus) de populieren (populus).
9. Onder de heesters komt nog de kornoelje (corvus maxcula) in aanmerking. De struik wordt 2?3 M. hoog. De geelachtige bloemen zijn vroeg open.
April kan voor de bijen al aardig wat geven, maar het gure Aprilweer kan de bijen nog thuis houden, of heel wat volk doen omkomen.
T.C. HOOTSEN.