HONIG- EN STUIFMEELGEVENDE PLANTEN (AUGUSTUS EN SEPTEMBER.)
Behalve vele der planten, die in de vorige maand zijn opgegeven, bloeien:
1. Zomerkoolzaad, (Brassica)
dat weinig meer in ons land wordt verbouwd, doch vooral in Drenthe en Friesland werd gevonden. Voor den imker is het zomerkoolzaad van groote waarde.
2. Struikheide (Calluna vulgaris)
komt op heidegrond algemeen voor. In vele streken geeft de heidestruik in menig jaar een goeden oogst. Na langdurige droogte ontwikkelen er zich weinig bloemen op de heide. Valt er veel regen tijdens het bloeien, dan beteekent het gewin weinig. De aard van den bodem heeft invloed op het honigen. De bloemen zijn gevoelig voor het weerlicht. Misschien is dit indirect en hangt de honigafscheiding af van den electrischen toestand van den dampkring. Er valt op dit gebied nog heel wat te onderzoeken.
De honing der heidebloemen is licht van kleur en kan door zijn taaiheid niet worden uitgeslingerd. Voor de overwintering is pure heidehonig niet aan te bevelen.
3. Gemeene cichorei (Cichórium Intybus)
met lichtblauwe bloemkroon, komt voor langs wegen en dijken en op hooge gronden. De bloemen geven honig en stuifmeel.
4. Andijvie (Cichorium Endivia)
welke nauw verwant is aan de vorige, wordt veel gekweekt.
5. Klimop (Hédera Helix)
komt in boschachtige streken in 't wild voor en wordt veel aangekweekt. De bloempjes worden in September druk bevlogen.
Hiermede eindig ik de opgave van honig- en stuifmeelgevende planten. Ik hoop, dat deze poging voor vele imkers en vooral voor de liefhebbers, die meestal over meer tijd beschikken, een spoorslag zij, om de planten in de omgeving goed na te gaan in de verschillende maanden van het jaar, in verband met den bodem, met warmte, licht, regen, onweer, nachtvorst, wind en regen.
Deze opgaven zijn nog verre van volledig, en kunnen later ook door uwe nauwkeurige aanteekeningen worden aangevuld of verbeterd.
T.C. HOOTSEN.