STATISTIEK
Het Juni- en Julinummer van ons Maandschrift heb ik met bijzondere belangstelling gelezen. Het stukje toch van den heer Begemann bracht mij weder voor den geest de geschiedenis van den strijd tusschen Dzierzon en Von Berlepsch voor meer dan 40 jaren gestreden.
Nadat toch Dzierzon zijne geniale leer der bijenteelt met mobielhouw sedert 1845, zeven jaren lang door vele artikelen in de Bienenzeitung had uiteengezet en verdedigd zonder veel bijval te vinden, trad von Berlepsch, die gedurende die zeven jaren Dzierzon’s leer in theorie en practijk door allerlei proefnemingen onderzocht en gevolgd had, in de Bienenzeitung in 1853 en 1854 met zijne apistische brieven op, die tengevolge hadden, dat daarna eerst Pastoor Kleine en vervolgens velen, zich openlijk voor Dzierzon's leer verklaarden. De overwinning van Dzierzon's leer was daardoor verzekerd.
Was Von Berlepsch het in de theorie met Dzierzon volkomen eens (Bztg. 1878 S 45) niet alzoo in de practijk en wel bijzonder op het punt van staafjes of raampjes. Dzierzon bleef staafjes gebruiken, waaraan de bijen de raat bouwden en die aan de zijwanden der kasten vasthechtten. Dat vond Von Berlepsch niet practisch, en dacht een inrichting in raampjes uit, zoodat de bijen de raat niet aan de zijwanden konden hechten, en daardoor de bouw dus terecht beweegbaar werd. Over de vraag : staafjes of raampjes, daarover werd gestreden, en wel van de zijde van Von Berlepsch met heftigheid en onbehoorlijke personaliteit, die aan Dr. Schönfeld (niet Gravenhorst, die toenmaals nog niet de imker van den eersten rang was, die hij naderhand geworden is) (zie Vogel: Bztg. 1878 S 25) aanleiding gaf, een ernstig woord tot Von Berlepsch te richten, wat tengevolge had dat Von Berlepsch in het openbaar, ridderlijk vergeving vroeg voor onbehoorlijke personaliteiten, door hem in den strijd gebezigd, en waardoor de vrede hersteld werd. Het resultaat van den strijd was, dat slechts weinigen Dzierzon's staafjes gebruiken, de overgroote meerderheid de raampjes door Von Berlepsch uitgevonden, en later door Dathe aanzienlijk verbeterd door in plaats van de houten ooren daarin afstandsstiften te gebruiken.
Terecht kon Von Berlepsch in de 2e Aufl. van zijn werk: “Die Biene” u.s.w. S. XII zeggen: “was ik de eerste die Dzierzon's theorie openlijk verdedigde, ik was ook de eerste, die zijn practijk bestreed.”
Het bericht uit Hannover op blz. 47 trok ook zeer mijne aandacht.
De Bogenstülper toch wordt zoowel door Von Berlepsch (Bztg. 1868 S 5) als door Dr. Dzierzon (Bztg. 1874 S 109) eenparig, althans theoretisch geroemd als een stokvorm die den overgang van vasten- tot losse bouw zou kunnen “ermitteln”.
Heeft de Bogenstülper aan die verwachting voldaan ? . . . .
In een verslag toch van den heer Gravenhorst, voorzitter van het Hannoversch Salzgitter Braunschweiger Verein van het jaar 1872 (Bztg. 1873 S 7) dat een middelmatig jaar was, deelt de heer Gravenhorst de volgende cijfers mede : De Verein telde 54 leden en 1430 volken in stabielbouw, 350 volken in Bogenstülper en 75 in kasten; de opbrengst der strookorven was 20 à 21 pond; die van den Bogenstülper 35 pond.
Niettegenstaande de door den heer Gravenhorst in 1873 opgegeven hoogere opbrengst telde het Central Verein in Hannover in 1897, 2726 leden met 68.592 strookorven, 3691 kasten en 1918 Gravenhorster Bogenstülper.
Men zou dus verwacht hebben, dat de Bogenstülper in het land, juist waar de heer Gravenhorst steeds zoo ijverig werkzaam geweest is, na 35 jaren geleden uitgevonden te zijn, wel algemeen in gebruik gekomen zou zijn, doch tegenover 68.592 strookorven en 3691 kasten maken de 1918 Bogenstülper volgens de opgave van het Central Verein m.i. geen zeer fraai figuur.
Ik wensch echter hieraan geen commentaar toe te voegen; de beoordeeling van de waarde der bovenstaande cijfers aan het daarin belangstellende publiek overlatende.
P. Bijdendijk, Brummen, 24 Juli 1898.