WAT ZAL HET ONS BATEN ?



“Zoo Jo! ook in de stad vandaag? Hoe gaat het toch, beste vrind? Ik heb je in tien - wel twintig jaar niet meer gezien.”
“A, dank u, beste Piet Vlink, ook u gaat het nog goed en waar gaat het heen ?”
“Dat zal ik je eens zeggen Jo; ik ga naar de vergadering der bie-lui, eens hooren wat er te doen is. Gij weet, wij hebben dan eindelijk eene vereeniging.”
“Nu het was ook wel noodig. En - zoo krijgen wij nu ook maandelijks ons blaadje - het kon wel grooter zijn 1) maar daar zal toch menigeen nog wat uit leeren, en zoo krijgen wij ook al een voordracht, enfin het een en ander wordt er gedaan voor den bijenhouder. En gij weet, Jo, alle begin is moeilijk.”
“Zoo, zoo Piet, ik hoor het wel, dat zal voor jullie ook.al beter worden op den duur.”
“Ja, waarde Jo, dat is allemaal goed en wel, als wij door betere behandeling der bijen ook al meer honig in den pot krijgen, en wij worden hem niet kwijt, dan geeft het toch geen duiten meer in den zak. En wat zal het ons dan baten?”

Zie daar, geachte lezer, eene vraag, die ons zoo menigmaal reeds gesteld werd, wanneer wij ijverden voor de vereeniging. Wat helpt ons dat alles, als wij den honig niet kwijt worden, of hem voor een appel en een ei van de hand moeten doen?

Het zij mij vergund UEd. te wijzen op Art. 1 sub lett b van het huishoudelijk reglement, om u te toonen, dat ook in dit gezicht uw voordeel beoogt nml. door bevordering der coöperatie.
Wil nu niet denken, de zaak is in orde, het bestuur zal er dus voor zorgen, wij hebben er niets mede te maken.
Geenszins. Immers het woord : “coöperatie” geeft reeds aan, dat ieder bijenhouder hier aan moet medewerken; dit woord beteekent: algemeene samenwerking. Hoe grooter, hoe algemeener de samenwerking is, des te meer zullen de belangen, het voordeel van den imker, er bij gebaat worden. Om dus een van zijne hoofddoeleinden te bereiken, waarom de imker toetreedt tot de vereeniging, is het noodig, dat ook hij niet alleen steunt op het bestuur, maar dat het bestuur kan steunen op de algemeene samenwerking der Nederlandsche imkers.

Hoe is de stand van zaken tot nu toe ? Het hoofdproduct, de honig, varieert zoozeer in prijs, dat men hier 20 daar 50 cent per 1/2 kilo betaalt. Dit is nu niet zoo zeer toe te schrijven aan het verschil in kwaliteit, maar wel, daar sommigen moeten zeggen, ik weet mijn honig niet kwijt te worden en zoo wordt hij dikwijls à tout prix van de hand gedaan. Beter, iets dan niets. - Over de werkelijke waarde van den honig later.
Ja, zoo gebeurt het, dat de imker hierdoor den moed verliest en het bijenhouden er helaas aangeeft.

Wil nu ook niet meenen, geachte lezer, dat de honig niet te verkoopen is, omdat er te veel in ons land verzameld wordt.
Ook dit is eene dwaling; er bestaat totaal geen overproductie van honig, dit toch getuigt de groote hoeveelheid van den jaarlijks ingevoerden (met verlof) kunsthonig. Tot afwering der concurrentie van den kunsthonig zal, zoo hopen wij, het hoofdbestuur wel zijn stem ter geschikter ure bij de regeering doen hooren, en daartoe ook de regeering ons willen behulpzaam zijn.

Een der hoofdoorzaken van den lagen prijs en de weinige aanvraag is ook wel de manier van bewerking, van behandeling. Denk slechts aan het verkoopen van honig in de vaten, aan den slingerhonig, en aan den met eene goede pers afgewerkten honig; dit alles lacht u tegen, wanneer hij netjes verpakt aangeboden wordt.
Ik zei daar “netjes verpakt”, dit is eene zaak van niet minder gewicht. Hoe is dikwijls de verpakking ? Soms in een ouden boterpot, zoo doorpekeld, dat de pot op zich zelf reeds waarborgt tegen alle bederf, of in een ander soort vaatwerk, op nonactiviteit gesteld, terwille der barsten, of wegens verlies der ooren of andere ondergane amputatie. Soms in kan of emmers wegens bekomen verwondingen en litteekens uit den strijd verwijderd. En evenmin als koffie iets aantrekkelijks heeft in een bierglas of bier in een koffiekommetje, evenmin recommandeert zich de honig, in eene slechte, onbekwame, onzindelijke verpakking.
Al goed en wel, hoor ik zeggen, maar zooveel brengt het bij mij niet op, om slinger, pers, verpakking enz. te koopen.
Wanneer gij samenwerkt, wat zullen dan de onkosten zijn, zoo gij bijv. in eene plaatselijke afdeeling van 15 à 20 leden u een slinger, een pers aanschaftet; zoo de provinciale afdeelingsbesturen de verpakking tegen kostenden prijs beschikbaar stellen ?

Als wij nu maar niet met honig en verpakking er bij blijven zitten ? Och kom, overbodige vrees en zorg.
Wat het verkoopen aangaat, wil ik u zelf wel het antwoord laten geven. Waar koopt gij op de markt het liefst ? Wie verkoopt er het duurst? Wie verkoopt er het meest ?
Laten wij ons dienaangaande eens laten inlichten door een der voornaamste commissionairs in vruchten der markt van Covent Garden te Londen, M.G. Munro. Deze getuigde op eene voordracht in de tuinbouwclub, hetgeen ook voor het product der bijen geldt, het volgende :
“De kweeker, zegt Muuro, - in dit geval de imker - die regelmatig naar de markt groote hoeveelheden zendt, van eene aanbevelenswaardig artikel, vindt geregeld koopers, veel beter dan zij, die kleine hoeveelheden zenden, hoewel van dezelfde hoedanigheid.”
“Wanneer de buitenlandsche kweeker in mededinging komt met inlandsche, verkrijgt hij niet zelden de voorkeur, om de volgende reden :
1e. Zijne inpakking is met zorg en ter trouw gedaan,
2e. hij brengt soorten van gewissen verkoop en in zulke hoeveelheden, dat hij een regelmatig en voortgezet aanbod kan doen”.

Men ziet dus, dat groote hoeveelheden goed van de hand zijn te doen, terwijl ieder met kleinigheden blijft zitten, hetgeen een natuurlijk verschijnsel is in den handel.
Wil men dan tot coöperatie overgaan, dan zal eerstens alles gemakkelijk aan den man te brengen zijn en tweedens een goede prijs ontvangen worden.
Nu deze Vereeniging ter bevordering der Bijenteelt bestaat, is zulks wel te bereiken; zoo zal het toch niet moeilijk zijn, b.v. voor eene provincie gezamenlijk te verkoopen, doch hoe zulks te doen, hierover later.
Moge ieder imker dan inzien, welke voordeelen deze Vereeniging hem verschaffen zal, en niet dralen zich als lid te laten inschrijven; moge verder de leden het hunne bijdragen tot groei en bloei, dan ook kunnen wij de beste verwachting in het verschiet stellen, en niemand zal meer vragen wat baat het ons?

H. Stassen, Beesel

1) Voorloopig laten de financiën geen uitbreiding toe. (RED.)