WELKE VOORDEELEN GEEFT DE LOSSE BOUW? (MOBIELBOUW).
Hoewel het bedrijf in lossen bouw geen uitvinding is van den jongsten tijd, immers omstreeks 1845 trad reeds de geniale uitvinder, de grootmeester-imker Dzierzon met dit stelsel op, staan wij hier te lande toch nog voor het feit, dat de meesten der beroeps-imkers nog totaal onbekend zijn met den ommekeer op het gebied der bijenteelt teweeg gebracht door de toepassing van het nieuwe stelsel. Men imkert nog op aartsvaderlijke wijze in den onderwetschen strookorf, omdat men òf volslagen onbekend is met het bedrijf naar de nieuwe methode òf omdat men bevooroordeeld is tegen elke nieuwigheid.
Veilig mag dan ook worden vastgesteld, dat de meeste mobiel-imkers tot de liefhebber imkers behooren. Edoch, er beginnen zich verblijdende verschijnselen voor te doen. Uit het midden der beroepsimkers gaan stemmen op, die vragen naar voorlichting, raad en steun, om te geraken tot den mobielbouw. Door meer dan een artikel in ons maandschrift zijn de lezers gewezen op de voordeelen, die in 't algemeen de mobielbouw geven kan boven den stabielbouw. Hierdoor is bij velen de lust opgewekt, om meer in 't bijzonder die voordeelen te kennen.
Meermalen werden in dien zin tot de Redactie vragen gericht; en daar juist in dezen tijd, waarin gedreven wordt, zoo mogelijk meer dan anders de groote voordeelen van den mobielbouw duidelijk tot ieder spreken, achten wij het niet ondienstig in dit nummer aan het verzoek van sommige lezers te voldoen. Het is dus geenszins de bedoeling alle voordeelen in dit artikel op te sommen; daarvoor zou niet alleen de ruimte ontbreken, maar ook is het misschien beter telkens in 't bijzonder op die voordeelen te wijzen, die vooral op zekere gewichtige tijdstippen in het bedrijf meer dan anders in 't oog springen (jagen, zwermen, drijven, inwinteren, voederen enz. enz.).
Het drijven geschiedt, zoodra het gewin op de boekweit is afgeloopen; ongeveer midden Augustus. Op de boekweitdracht volgt onmiddellijk de heidedracht; om vermenging van beide honingsoorten, boekweit- en heidehoning, te voorkomen, welke vermenging niet wenschelijk is, worden de zwaarste en beste stokken gedreven. Men bereikt daarmede zijn doel; het verkrijgen van reinen boekweithoning; rein in dien zin, dat hij niet vermengd is met honingsoorten van mindere qualiteit, b.v. heidehoning. Voor het overige is hij door de behandeling verre van rein.
Door het kloppen worden de bijen uit de korven, die men drijven wil, verwijderd en hetzij vereenigd met andere drijvelingen, om sterke volken aan de heide te krijgen, of niet, in een ledigen korf gedaan en naar de heide gebracht, om daar een vel of honger te verzamelen, dat in 't voorjaar bij 't jagen uitnemend te stade komt. Daarop toch worden in de meeste gevallen de jagers (oude koningin met eenige bijen) gedaan. Uit de gedreven korven wordt de tafelhoning (verzegelde honing in jonge, blanke raat) afgezonderd en als zoodanig ter markt gebracht.
Is er veel vraag naar tafelhoning, dan zijn er wel imkers, die ook den honing in oude, zwarte raat voor tafelhoning aan den man trachten te brengen. Dat zij daardoor zelf oorzaak worden van een minder debiet en ook anderen imkers groote schade berokkenen, schijnt niet eenmaal bij hen op te komen. Na het verwijderen van den echten tafelhoning, zoo noodig onderscheiden in eerste en tweede soort, wordt de geheele inhoud van den korf gestooten in een ton of vat, waaraan zich dicht bij den bodem een kraan bevindt. (Vooraf zijn de spijlen of stokjes, die tot steun dienden voor de wastafels, uitgetrokken).
In de ton komt dus de geheele inhoud van den korf min de beste quatiteit tafelhoning. Tot dezen inhoud behooren : was, broed, achtergebleven bijen, bijenbrood of pollen, onverzegelde en verzegelde honing. Bovendien kan er toebehooren onreinheid uit de woning zelf : was, motlarven, stroo, houtvezeltjes, kleefwas enz. Alles wordt door een gestampt en fijngemaakt, de kraan geopend en de uitvloeiende honing opgevangen. Dit is dan de taphoning, een hoogst onrein en onzuiver product, tenzij men zorgvuldig uit de ton verwijderd houdt, wat iets anders is dan honing of was.
Wat er verder met den inhoud geschiedt, kan onbesproken blijven. Bovenstaande is voldoende, om te doen zien, wat de stabiel-beroepsimker, in 't algemeen onder drijven verstaat en welke producten hij hierdoor verkrijgt.
Als de mobiel-imker drijft, geschiedt dit als volgt: Raampje, voor raampje wordt voorzichtig uit de woning genomen. De zich daarop bevindende bijen worden met stoffertje of veer zorgvuldig afgeveegd in een gereedstaande, ledige woning, welke vooraf is in orde gebracht. Deze woning wordt dadelijk na afloop van het werk op de plaats van de oude gezet, om de af- en aanvliegende bijen op te nemen. De afgeveegde tafels worden in een transportkastje geplaatst, tot alle raampjes verwijderd en van bijen bevrijd zijn. Dit afvegen komt overeen met het straks genoemde uitkloppen; alleen het geschiedt vlugger en er gaan minder bijen verloren, bijna geen enkele.
Nu worden de raampjes, waarin zich losse en verzegelde honing, open en gesloten broed, zoomede wat bijenbrood of pollen bevindt, in de slingermachine geplaatst, nadat vooraf de verzegelde honing met een mes b.v. is ontzegeld. Door het snel ronddraaien vliegt alle honing en ook het open broed uit de wascellen en wordt opgevangen in een pot onder de kraan der machine. Over dien pot wordt een lapje neteldoek gebonden of een zeef daarop gezet, waardoor de honing moet heenvloeien. Op den doek of in de zeef blijven de jonge, mede uitgeslingerde larven achter. Op deze wijze krijgt men dus absoluut zuiveren honing, die voor hooger prijzen een ruimer afzet zal vinden, dan tap en ook gemakkelijk kan mededingers met den besten tafelhoning.
De uitgeslingerde raampjes, waarin zich dus nog al het gesloten broed en ook al de pollen bevinden, worden in een ledige woning geplaatst, b.v. in die waaruit zij genomen zijn en daarop de bijen geveegd van den volgenden drijveling, waarmede men op dezelfde wijze handelt. Men gaat zoo voort, tot het drijven is afgeloopen.
De mobiel-imker behaalt dus gewichtige voordeelen, die den stabiel-imker ontgaan. Immers eene vergelijking van beide methoden van drijven geeft de volgende uitkomsten: de mobiel-imker oogst zuiverden en reiner honing, die eene hoogere marktwaarde heeft; hij doet zijn werk vlugger; hij verliest door het drijven veel minder volk; hij vernielt geen wasbouw en spaart daarmede zijne volken niet alleen veel arbeid, maar zijn oogst op de heide zal ook grooter zijn, omdat voor de wasproductie behalve kracht ook materiaal noodig is n.l. honing en wel groote hoeveelheden; hij vernietigt geen broed (uitgezonderd het open) en beschikt dus op de heide ook over jonge arbeidskrachten; hij behoudt het bijenbrood (pollen), een onmisbaar voedsel voor de jonge larven, wat de heide slechts spaarzaam levert; hij kan, als hij wil, ook de minder zware volken drijven en alle honing ontnemen, omdat hij na het bevliegen der heide zoo noodig weer raampjes met honing, die hij bij het drijven bewaarde, kan teruggeven. Daardoor beschikt hij over vlijtiger volken, immers de ervaring leert, dat de ijver stijgt, zoo de voorraad ontnomen wordt. Hij behoeft niet te vreezen voor heidezwermen (wel voor hongerzwermen, indien hij onvoorzichtig genoeg is allen honing te ontnemen; maar ook hiervoor mag de stabielimker wel vreezen). Wil hij zich toeleggen op het winnen van tafelhoning, dan is ook daarin het voordeel aan zijne zijde, omdat juist de losse bouw het mogelijk maakt die honingsoort in groote hoeveelheden te winnen, als n.l. het gewin goed is.
Het zou niet moeilijk vallen meerdere voordeelen van den lossen bouw op te noemen, die bij het drijven op den voorgrond treden. Maar waartoe meer?
Indien de imker zijn belang zal leeren begrijpen, zal hij zich ongetwijfeld moeten toeleggen op den lossen bouw. Maar dezen moet bij leeren : een goed stabielimker is nog niet een goed mobielimker, al schaft hij zich deze of gene soort van mobielwoning aan. Oefening maakt ook hier den meester; maar dan liefst oefening onder de leiding en voorlichting van practisch en theoretisch ontwikkelde mobielimkers.
Voordrachten over, maar vooral cursussen in bijenteelt dienen overal gegeven en gehouden te worden, om de eenvoudige imkers in ons land op de hoogte te brengen met de verbetering van de bijenteelt in de laatste jaren in het buitenland, door de oordeelkundige toepassing van den mobielbouw. Waarom zouden onze imkers nog langer verstoken moeten blijven van de kennis, die noodig is om de grootst mogelijke voordeelen met hun bedrijf te behalen ? Ja, waarom ? Omdat onze eenvoudige imkers zoo gehecht zijn aan het oude en hij zich zelf te hoog staan, om van anderen te leeren? Het moge van sommigen gelden, van velen geldt het niet; mijne ervaring, zoowel bij voordrachten als op cursussen, heeft mij geleerd, dat zij gaarne willen leeren, en het geleerde in toepassing brengen, als hun maar de gelegenheid geboden wordt.
B. Wigman, Lunteren, 1 Aug. ‘98