VERVOER VAN BIJEN.
De Heer (Wigman) heeft het noodig geoordeeld onder het door mij ingezonden stukje betreffende "vervoer van bijen", voorkomende in no. 6 van het Maandschrift voor Bijenteelt, eene opmerking te plaatsen, waardoor de door mij geopperde bezwaren betreffende het ondersteboven plaatsen van korven zouden worden weerlegd.
ZEd. begint daarbij met op te merken dat "indien ik meer practisch bekend was met de methode Gravenhorst, ik ook ongetwijfeld deze woorden in de pen zou hebben gehouden ,enz." De Heer (W.) kan echter aangaande mijne practische bekendheid met die methode volkomen gerust zijn. In de inrichting van den Heer W. Günther te Gispersleben, alwaar de ondergeteekende zijne opleiding in de bijentee1t gehad heeft, en alwaar hij eenen geheelen volledigen cursus in bijenteelt heeft medegemaakt, waren ook eenige boogkorven aanwezig, om ook daaromtrent de noodige ondervinding op te doen, en had ik dus ruimschoots de gelegenheid, ook met die methode volkomen vertrouwd te worden.
Op mijne terugreis heb ik bovendien, behalve den Heer G. Dathe te Eijstrup, ook den Heer Gravenhorst te Brunswijk bezocht, en ben daar ook nog eenige dagen gebleven, alleen met het doel om zeer van nabij de methode van den boogkorf, onder leiding van den genialen uitvinder dier methode zelve, zeer van nabij te leeren kennen.
Toen ik daarna terug kwam en mij moest inrichten om de bijenteelt in het groot, als middel van bestaan te gaan uitoefenen, en daarvoor eene keuze moest doen tusschen de twee door mij bestudeerde stelsels van mobielbouw, heb ik na rijp beraad en degelijke overlegging om overwegend technische redenen besloten, den boogkorf, als volgens mijne overwegingen bij de Berlepsche methode achterstaande, geheel te laten varen, en mij in deze te houden, voor een deel aan den vasten bouw, en voor een ander deel de methode van Von Berlepsch aan te nemen. De Heer (W.) zal het mij na deze inleiding wel tengoede houden, wanneer ik over de methode Gravenhorst ook een woordje wil meespreken; ik reken mij daartoe althans minstens even bevoegd als de meesten van hen, die slechts met enkele boogkorven, en dus geheel als "bijman in den hof" en ook niet meer, werken, zonder daarmede zelfs ooit, althans heel weinig te reizen.
De Heer (W.) zegt verder "dat vóór de reis naar de heide, bijna alle honig wordt ontnomen, hetzij uitgeslingerd, hetzij in de raat in de honingkast geplaatst". Dat is alles richtig, het is volkomen goed mogelijk, na afloop van het boekweitgewin ongeveer alle tafels, waarin niet te veel broed zit te slingeren; in die streken waar de bijen de boekweit bevliegen, en waar ze daarna per as naar de heide moeten worden vervoerd is dan ook omstreeks 10 Augustus niet zoo heel veel meer te winnen, en kunnen de bijen dan ook in een paar dagen, de pas uitgeslingerde ramen niet weer zoo spoedig met lossen honig gevuld krijgen, en om die reden levert het vervoer van de boekweitstreek naar de heide dan ook geen overwegend bezwaar op, er zit dan maar weinig broed meer in, geen honig van belang en ook de wasbouw is voldoende vastgewerkt, en kan dus wel tegen een stootje.
Heel anders echter is het gesteld wanneer de bijen einde Juni of begin Juli van de kleistreken, vol broed in alle stadiën, voorzien van veel lossen, dikwijls de laatste dagen gewonnen honig, en met teedere en nog niet overal vastgebouwde raten bij warm weer moeten worden vervoerd naar de boekweitvelden, dan is het niet mogelijk al die ramen van b.v. slechts één enkele wagenvracht, dus p.m. 70 à 80 stokken spoedig genoeg uit te slingeren, en zulks te minder nog, aangezien die ramen omstreeks dien tijd dikwijls zwaar zijn, zoowel van versch gewonnen honig als van allerlei broed, terwijl de wasbouw dan, of nog geheel op zich zelve staat, geheel zonder steun dus, of nog slechts onvolledig, heel losjes slechts aan de zijkanten der raampjes is vastgebouwd.
Heeft de Heer (W.) omstreeks Juli en onder zulke omstandigheden, zelf wel eens een wagenvracht bijen vervoerd, hetzij dan in gewone korven, boogkorven of wel kasten? over afstanden van 8 à 10 uren, waarbij dan in vele gevallen de groote rivieren en het rangeerterrein van een groot spoorwegstation met zijn verschillende daarop gelegde rails moeten worden gepasseerd ?
Heeft Z.Ed. wel ooit gezien welke schokken worden te weeg gebracht bij het in- en uitrijden van de veerponten, vooral bij lagen waterstand, en ook bij het passeeren der reeds genoemde rangeerterreinen of wel van enkele overwegen van spoorwegen ? Indien de Heer (W.) zulke tochten eens in zoele zomernachten had medegemaakt, en van al die bezwaren dus practisch en geheel op de hoogte was, waarlijk dan zou Z.Ed zich nog wel eens terdege bedenken, alvorens hij voor de tweede maal, hetzij dan korven, boogkorven of kasten in eenen anderen dan den door de bijen aangewezen natuurlijken stand, plaatste. Zulke schokken kunnen bij het reizen naar de boekweit door de bijen niet worden weerstaan, indien daarbij niet in allen deele de meest uitgebreide voorzorgsmaatregelen worden in acht genomen, en waartoe in de eerste plaats behoort, dat moet worden vermeden om door verkeerden, naar buiten afloopenden stand van den wasbouw, het uitloopen van den lossen honig te bevorderen.
De gevolgen blijven dan niet uit, en het stukrijden of wel geheel doodrijden van bijenvolken komt, in jaren wanneer op de klei goed gefokt en gewonnen wordt, veel meer voor dan de Heer (W.) zich misschien wel voorstelt. Indien men zooals de ondergeteekende, gedurende 25 à 30 jaren reeds, ieder jaar minstens vijf wagenvrachten van de kleistreken naar de boekweit vervoerd heeft, zonder daarbij noemenswaardige schade te beloopen, dan geloof ik wel met eenige ondervinding van vervoer van bijen te mogen medespreken, en wel in staat te zijn daarin van advies te dienen.
P. Bijdendijk, Brummen, 22 September 1898.
Of de Heer B. bevoegd is of niet een woordje mee te spreken over de methode Gravenhorst, heb ik niet beweerd. In de noot op blz. 94 (No. 6) heb ik gesproken van practisch meer bekend met die methode. In hoeverre de Heer B. nu aangetoond heeft wel practisch met de genoemde methode op de hoogte zijn, waarmee hij na zijne opleiding, voor 25 à 30 jaren, volgens zijne eigene verklaring, niet werkte of persoonlijke ondervinding opdeed, laat ik gaarne aan het oordeel der lezers over. Meent hij nochtans "minstens even bevoegd te zijn als de meesten van hen, die slechts met enkele boogkorven als bijman in den hof werken, zonder daarmee zelfs ooit, althans heel weinig, te reizen", dan moet de heer B, volgens mijne bescheiden meening, al heel weinig waarde hechten aan practische ervaring, of hij moet onder practisch bekend zijn met eene methode iets geheel anders verstaan dan er algemeen onder verstaan wordt. De Heer B. houde het mij ten goede, dat ik de ervaringen van practische, ontwikkelde imkers, onverschillig met welke methode en met hoeveel stokken zij imkeren, meer vertrouwen schenk, dan aan de theoretische bespiegelingen over eene of andere methode zelfs door vakmannen, die geen persoonlijke ondervindingen met die methode opdeden.
Het doet mij evenwel genoegen, dat de Heer B thans erkent, dat het vervoer van de boekweit naar de heide geen overwegend bezwaar oplevert, hoewel hij op blz. 94 (No. 6) het met bijen reizend publiek meende te moeten waarschuwen tegen mijne raadgeving op blz. 66 (No. 5 noot). Nu heet alles richtig, volkomen goed mogelijk, en toen …… Het schijnt, dat de Heer B. eerst nu tot de ontdekking komt, dat niet het vervoer van bijen in ’t algemeen door den Heer H. en mij werd besproken, maar alleen het reizen van de boekweit naar de heide. Er werd immers gesproken van de bijen in Augustus.
Wanneer de Heer B. nochtans goedvindt in bovenstaand artikel het vervoer van de klei naar de boekweit ter sprake te brengen, dan zal hij van mij niet kunnen verwachten, dat ik daarop thans een antwoord geef. Zoodra dat vervoer (met boogkorven n.l.) aan de orde komt, zal het misschien blijken, dat de bezwaren evenals van boekweit naar de beide geheel of gedeeltelijk wegvallen of mogelijk minder overwegend zullen bevonden worden. Ik dank intusschen den Heer B. voor zijne welwillendheid, om de beide door hem aan mij gerichte vragen zelf te beantwoorden. Hij weet natuurlijk, waarom hij dat in ontkennenden zin doet. Ten slotte zou ik den Heer B nog wel willen vragen aan de lezers van ons Maandschrift te willen meedeelen of hij vergelijkende proeven genomen heeft met het vervoer van bijen in Gravenhorster boogkorven en in kasten onder volkomen dezelfde omstandigheden en juist behandeld, zooals de methode voor ieder stelsel aangeeft. Eerst dan zal blijken of de schade bij vervoer werkelijk grooter is in boogkorven dan in kasten. Doch het gaat niet aan theoretische bespiegelingen over den Gravenhorster boogkorf te willen vergelijken met eene plm. 30 jarige ondervinding opgedaan in kasten. De Heer B. leze eens wat de "geniale" Gravenhorst in "der Practische Imker" (nieuwste druk) op blz. 207 en vervolgens over het reizen met den boogkorf mededeelt.
B. Wigman.