KAST OF BOOGKORF?



Daar tot nu toe op de vraag, van den Heer Dr. C. Hoitsema - Breda in aflevering 7 van dit maandschrift gesteld, nog geen afdoend antwoord ingekomen is, wil ik eens mijne ondervinding hieromtrent meedeelen.

Ook ik was eens langen tijd besluiteloos omtrent de keus van kast- of boogvorm. Mobielbedrijf was echter altijd mijn leuze. Ik was toch van de jeugd af behulpzaam bij 't bedrijf in mobielkasten in een streek, (Hessen-Nassau) waar de bijenteelt bloeiende was. Maar toen ik circa 20 jaren geleden mij hier vestigde, ondervond ik, dat men hier met een heel ander soort bijen te doen heeft. Ook de streek, het klimaat, de bloemenflora, alles verschilde met de oude heimat.

Had ik bij vader in „ständerkasten'' van Berlepsch e.a. geïmkerd, hier besloot ik het met „lagerkasten" (bij welke de honingruimte zich op zij bevindt) te probeeren. Ik liet mij uit Eystrup in Hannover 50 Dathe-Kasten komen en imkerde naar de aanwijzing, van het leerboek van Dathe. Ik wanderde (reisde) ook met de kasten naar de heide. Daar stonden zij dan in stapels van ieder zes kasten evenals schilderhuisjes, waarvoor zij tijdens de manoeuvres in die buurt meer dan eens gehouden werden. Hoewel overigens met de opbrengst tamelijk tevreden, deed mij 't groote ongerief bij het „wandern" (reizen) na eenige jaren besluiten, met mijne kasten niet alleen in 't vervolg thuis te blijven, maar ook deze successievelijk af te schaffen.

Ik spaarde intusschen geen moeite, die mobielwoning van naderbij te leeren kennen, welke door Gravenhorst uitgevonden en vooral in streken geprezen werd, waar men tot nu toe gewend was, in gewone strookorven te imkeren, vooral in 't noorden van Duitschland. Ik bestudeerde het leerboek van Gravenhorst en ging, twaalf jaren geleden, naar de provincie Hannover, bezocht daar de grootse Duitsche bijententoonsteling te Hannover en sprak verscheidene korypheën op 't gebied der bijenteelt, o.a. ook den stokdooven Heer Gravenhorst, met wien men alleen door middel van een gummislangetje, dat hij aan zijn oor hield, zich onderhouden kon.

Ik zag daar prachtig gevlochten boogkorven, met bijen bezet en ook onbezette. Onder de eersten bevonden zich zelfs zulke, die alle ongemakken eener verre reis hadden getrotseerd. Van nu af aan stond 't voor mij vast, dat in streken, waar men met de bijen moet reizen, de Gravenhorstsche boogkorf de beste mobielstok is. Ik kocht een korf met 16 raampjes en een ijzeren vorm en liet mijn knecht naar mijne aanwijzingen eenige korven vlechten, welke ik naast mijne kasten behandelde, die van jaar tot jaar door verkoop minder in getal werden.

Verschil in opbrengst heb ik niet kunnen constateeren. Hoewel ik dus gaarne onderschrijf, wat ik in Duitschland meer dan eens hoorde beweeren, dat, wie in een gunstige streek imkert, waar zijne lievelingen van 't voorjaar tot laat in den herfst voldoende voedsel vinden, dus niet behoeft te reizen, met elke mobielkast — wanneer hij tenminste het vak verstaat — de hoogste opbrengst verkrijgen kan...., zoo geef ik toch aan den boogkorf de voorkeur.

Ik sprak eens Luneburger beroepimkers, die echter niets van mobielbouw wilden weten, daar zij bij den ouden strookorf nog hunne rekening vonden. — Wat voor lui dat zijn? Dat zijn alle mannen van 't vak, hetwelk niet in eenige dagen geleerd wordt, maar waarvoor meerdere jaren noodig zijn. De aanstaande imker gaat daar bij een meester in 't vak ter leere. Hier leert hij alles, wat sedert eeuwen van geslacht tot geslacht aan ondervinding etc., de bijen betreffend, waargenomen en ontdekt is. Hij leert korven vlechten, reinigen, herstellen, de bijen afjagen, afstooten, vereenigen en nog verscheidene andere werkzaamheden. Hoofdzakelijk leert de leerling de behandeling der bijen van 't vroegjaar tot in den herfst, het reizen benevens alle voorzorgsmaatregelen en last but not least - het kiezen der „standkorven". Deze imkers hadden in den winter 70 tot 100 en meer gewone korven en vermeerderden in den loop van den zomer tot 350 resp. 500 en meer, en de gemiddelde opbrengst per jaar en per moederstok was ongeveer 80 pond honing.
Deze Luneburger imkers verzekerden mij: „Wanneer wij tot den mobielbouw overgaan, kiezen wij den Gravenhorstschen boogkorf.

Bij de keuze van de bijenwoning moet men m.i. ook onderscheiden of iemand de bijenteelt uitoefent als beroep of uit liefhebberij.
De beroepsimker moet een woning hebben, die naast andere goede hoedanigheden deze heeft, dat zij 1e weinig kost, 2e met het minste tijdverlies kan gebruikt worden, 3e 't toelaat, dat de imker — wanneer hij dit wil — reeds door een blik op 't heele volk en werk zich van 't een of ander overtuigen kan, 4e geschikt is, om daarmede te reizen. Aan deze eischen beantwoordt de boogkorf, even zoo goed als de oude strookorf.

Hij overtreft hem hierin, dat men bij zijn lossen bouw van slinger en kunstraat kan gebruik maken; de meeste kasten stelt hij in de schaduw daardoor, dat het bij hem mogelijk is, zonder eerst zoo en zoo veel raampjes te moeten verwijderen, dadelijk het gewenschte raampje te verkrijgen en dat hij geheel uit stroo vervaardigd is.

Anders staat het met de meesten, die de bijenteelt uit liefhebberij bedrijven. Zij zien er vaak tegen op, een korf met bijen op te nemen, 't onderste boven voor zich neer te zetten en zoo te opereeren. De meesten hunner zal het stellig beter bevallen — ook om andere reden —, wanneer zij in kasten imkeren, die niet behoeven verzet te worden , waarin men het ook niet met het heele volk te doen krijgt.

H.A. BEIL, Dinxperlo, 30 December 1898.