MÉE of HONIGWIJN
Geachte Redacteur!
In de in October gehouden vergadering van de Afd. Noord-Brabant, werd bij de bespreking van de middelen tot verbetering van de opbrengst der bijenteelt door een lid gezegd, dat goede mée- of honigwijn een product is, dat tot goede prijzen in groote hoeveelheden gevraagd wordt.
Natuurlijk rees onmiddellijk de vraag, waarom men zich dan niet meer toelegde op het maken van dien honigwijn? En het antwoord daarop luidde, dat zeer weinigen wisten, op welke wijze zij daarbij te werk moesten gaan.
De wensch werd toen uitgesproken, dat deze zaak eens in ons Maandblad behandeld, en daarin naar een goed voorschrift, om mée te bereiden, gevraagd zou worden. De zaak kwam mij belangrijk genoeg voor om U er een plaatsje in ons Maandblad voor te vragen. Om echter maar dadelijk een punt van uitgang te hebben, dat, naar ik hoop, eenige discussie zal uitlokken, laat ik hier een voorschrift ter bereiding van honigwijn volgen, dat mij door een geacht medelid voor dat doel welwillend gezonden werd.
Het luidt aldus :
"In een zuiveren koperen ketel worden 60 à 65 Liters water gedaan. Is dit tamelijk warm geworden, dan vermengt men het met ongeveer 6 Liters honig en laat het mengsel anderhalf uur zachtkens koken; van tijd tot tijd moet het vuile schuim van boven worden afgeschept. Is de tijd van koken voorbij, dan wordt het honigwater in metalen of aarden potten overgeschept, waarin het zóó moet afkoelen, dat het iets warmer is dan water, dat aan de zonhitte is blootgesteld. Daarna wordt het in een zorgvuldig gezuiverd vat overgestort; de spon wordt er opgelegd, maar niet vastgeslagen. Is de kelder tamelijk warm, dan begint het honigwater na 5 à 10 dagen reeds te gisten. Nadat het 14 dagen gegist; heeft wordt de jonge honigwijn in een ander vat overgetapt; de droesem moet natuurlijk achterblijven. In het tweede vat duurt het gisten ongeveer 10 à 14 dagen; is de honigwijn tot rust gekomen, zoodat men in het vat niets meer hoort, dan wordt het spongat gesloten. Na 3 à 4 weken wordt hij helder en is hij te drinken.
Wordt hij nu in flesschen afgetapt, goed gekurkt en in koud zand gelegd, dan mousseert hij binnen weinige dagen tamelijk sterk."
Ik ben van deze zaak volstrekt niet op de hoogte, en geef dus het voorschrift, zooals ik het ontving, zonder op- of aanmerkingen, met vriendelijk verzoek echter aan mijn meerbevoegde medeleden, hun oordeel hierover in ons blad te willen melden, en ook hunnerzijds eens een bereidingswijze op te willen geven, wanneer zij zich met deze niet kunnen vereenigen.
Wie dan lust heeft, kan door proefnemingen vaststellen welke wijze de beste is en het meeste voordeel geeft.
Aan U, Mijnheer de Redacteur, mijn dank voor de plaatsing.
Met hoogachting,
G. de GRANCY, Haanwijk bij Vucht, dec. 1898.