STATISTIEK
In no. 8 van dit Maandschrift zegt „Distelvink" dat hij niet kan toegeven dat de 1918 boogkorven, tegenover 3691 kasten en 68592 strookorven, in Hannover in 1897, „geen fraai figuur maken" en tracht hij te betoogen, dat de Gravenhorster boogkorf een „echte overgangskorf" ja nog meer . . . een "goede volkskorf" is.
Mij dunkt, het „dom vinkenverstand" zooals de „Distelvink" zelf op blz. 117 (nov 1898) zijn verstand noemt, heeft hem een poets gespeeld.
Op genoemde blz. toch spreekt de „Distelvink" van een twintigtal en meer systemen, die, tezamen in getal 3691: „kasten daarstellen, en hiertegen komt het systeem Gravenhorst in een enkel systeem met 1918, dus meer dan de helft der kasten tezamen. Bij gevolg: Wat zegt gij geachte lezer van deze redeneering ?"
De lezer zal zeggen: die redeneering steunt op geenen grond; is uit de lucht gegrepen. Die redeneeriug zou hout snijden, indien de „Distelvink" al de 3691 kasten in Hannover geïn-specteerd had en dan ook werkelijk zooveel systemen aldaar in gebruik had gezien.
Jammer dat de „Distelvink" dat vooraf niet gedaan heeft, want dan zou hij hebben bevonden, dat in Hannover, wat de kasten betreft, in hoofdzaak gewerkt wordt naar de modellen van von Berlepsch en misschien nog meer het model door Dathe in gebruik gesteld, wordt gevolgd. In het voorbijgaan zij opgemerkt, dat „Distelvink" wel iets van von Berlepsch, maar niets van den Vader der bijenteelt Dzierzon of wel van Dathe's kasten schijnt gehoord te hebben.
De “Distelvink" spreekt echter van een twintigtal en meer systemen. Zoover ik weet zijn er echter maar twee systemen van bijenhouden en wel de vaste- en de losse bouw. Er zijn echter vele vormen waarin de losse bouw toegepast wordt, b.v. Dzierzon gebruikte geen raampjes maar alleen staafjes. Von Berlepsch, Dathe enz. enz. raampjes voor den lossen bouw. De 17 door ,Distelvink" ten onrechte zoogenoemde „systemen" maken schijnbaar een verbijsterenden indruk, het zijn echter alle kasten. Of dat nu Dzierzon- of Berlepsch- of Dathekasten genoemd worden, of zij van hout of steen, of riet of stroo, of zelfs van papier-maché gemaakt zijn, of zij in pavillons zijn opgesteld, of zij lager- of standaardstokken zijn, of zij een vast honigruim of opzetkastjes hebben, of zij van boven, van ter zijde of van achteren geopend worden, doet allemaal niets ter zake.
Het zijn kasten, vormen ter toepassing van het „systeem" lossen bouw, naar ieders bijzondere inzichten.
Het zijn kasten, die in alles zooveel met elkander gemeen hebben, zóó weinig van elkander verschillen, dat het Central Verein in Hannover, dat die zaak toch wel zal kunnen beoordeelen, al die kasten tezamen, ten bedrage van 3691, stelt tegenover 68592 strookorven en 1918 hoogkorren, zonder dus tusschen die kasten eenig verder onderscheid te maken.
Het „dom-verstand” heeft niet goed onderscheiden.
De vraag is en blijft: Is na 35 jaren in Hannover, de streek waar Gravenhorst al dien tijd door woord en geschrift zoo ijverig werkzaam was om zijne uitvinding, zijnen boogkorf ingang te doen vinden en algemeen te doen worden, is zijn korf nu overgangskorf geworden, zooals Dzierzon en Von Berlepsch voor 30 jaren meenden? dan moet beslist geantwoord worden; Neen!
Na 35 jaren bedraagt het getal bijenvolken in boogkorven gehuisvest, nog niet meer dan 2½ % van de geheele bijenteelt in Hannover; is het getal strookorven daar zelfs nog ongeveer 36 maal grooter dan het aantal Gravenhorster boogkorven, en .….. zal dus de boogkorf ooit een goede „volkskorf” worden, dan moeten er toch, volgens Bartjes gerekend, altijd nog een goede 12 à 13 eeuwen, of te wel 1200 a 1300 jaren verloopen, voor en aleer in Hannover althans, alle bijen in boogkorven zullen wonen.
Dat noem ik een mager, een zeer mager resultaat; en de bewering, dat die stokvorm. dan ook hier te lande de stokvorm der toekomst, „de volkskorf” zou kunnen worden, acht ik eenvoudig ondenkbaar, aangezien voor ons land dezelfde redenen gelden als voor Hannover.
De boogkorf is in Hannover, tengevolge van de groote propaganda van den heer Gravenhorst voor zijne uitvinding, die werkelijk, oppervlakkig beschouwd, veel aantrekkelijks heeft, door vele beroepsimkers beproefd, en ook aanvankelijk geroemd.
Aangezien echter, zooals de „Distelvink” toch wel weten zal, in Hannover veel, zeer veel met de bijen moet worden gereisd, en daarbij gebleken is, dat de boogkorf slechts met inachtneming van allerlei omstandige en ongewenschte voorzorgen, en ook dan zelfs nog niet, zonder het grootste gevaar voor verstikking en stuk rijden, kan worden vervoerd, zoo is na verloop van enkele jaren glashelder gebleken, dat die stokvorm voor de praktijk, in Hannover althans, niet bruikbaar was, en zijn de boeren daar weer geheel teruggegaan tot hunne oude bekende methode, de gewone strookorven, zonder zich zelf aan verdere proefnemingen te willen wagen en daarom zal de boogkorf in Hannover wel nooit „volkskorf" worden.
Aangezien nu de omstandigheden van Hannover met die van ons land, zoowel wat den aard van het gewin, als de verplichting van te moeten reizen, niet zoo heel veel verschillen, is de veronderstelling volstrekt niet gewaagd niet alleen, doch zelfs zeer natuurlijk, dat de pogingen om ook hier den boogkorf algemeen te doen worden, schipbreuk zullen lijden, en voor hen, die daarmede proeven eenigszins in het groot nemen, verlies en alzoo schade zullen tengevolge hebben.
Dat de proeven met den boogkorf in Hannover genomen tot zooveel teleurstellingen aldaar geleid hebben is bovendien m.i. zelfs oorzaak dat de mobielbouw in die Provincie veel minder algemeen is dan in het overige Duitschland. De boeren hebben met den boogkorf hun leergeld betaald en wachten zich nu verder. Ter wille van de goede zaak, (uitbreiding van den mobielbouw) zou ik dan ook op grond van de ervaring aan de statistiek in Hannover ontleend, niet durven adviseeren de verspreiding van den boogkorf zoo sterk te bepleiten.
Bovendien, dat de boogkorf zoo weinig bijval heeft gevonden is geen geval, dat op zichzelve staat, wanneer men weet, dat van een 200tal boogkorven, voor eenige jaren van wege de Belgische Regeering daar te lande gratis uitgegeven, er zelfs geen enkele meer in gebruik is, terwijl het mij bovendien persoonlijk bekend is, dat ook hier te lande, daarmede reeds proeven genomen zijn door enkelen, die tot resultaat hebben gehad, dat die boogkorven voortaan op zolder en niet meer in den bijenstal eene plaats hebben gekregen.
De feiten bovengenoemd zijn voor mij aanleiding, om, gedachtig aan het spreekwoord: „wie zich aan een ander spiegelt, spiegelt zich zacht" voor den boogkorf vooral geen propaganda te maken, aangezien de mislukking van de proeven met dien korf, even als in Hannover, ook hier te lande, de verspreiding van den mobielbouw in het algemeen, wel eens beduidend zou kunnen tegenhouden.
P. BIJDENDIJK, Brummen, 27 November 1898.