DE BIJENSTEEK



Zooals bekend is, bezit de gewone honigbij (Apis mellifica) aan haar achterlijf in een scheede verborgen, een angel welke van weerhaken is voorzien. Wanneer de bij zich in een opgewekten toestand bevindt, dan blaast zij de lucht met meer kracht door de z.g. bromringen, zoodat daardoor een heel ander gegons ontstaat. Wanneer men dit gegons hoort, mag men vrij zeker zijn, dat de bij geneigd is, om te steken. Zoodra de andere bijen dit gegons hooren, denken ze zeker, dat men ze hinderlijk is, en vertoonen dadelijk denzelfden steeklust.

Uit den angel stroomt bij den steek een zuur reageerend vocht, hetgeen veel op mierenzuur gelijkt. Dit vocht wordt door een kliertje, dat in verband staat met het angelkanaaltje, afgescheiden. Dit vergif, en niet zoozeer de steek, veroorzaakt de pijn. Bij het steken drukt de bij het achterlijf vast tegen het slachtoffer aan, terwijl door samentrekking van kleine spiertjes de angel uit het gekromde achterlijf te voorschijn komt en in het lichaam dringt. Heeft deze steek plaats op menschen of dieren, dan zal het omliggend elastische weefsel zich vast om den angel heen sluiten, zoodanig dat de angel beklemd raakt, de weerhaken zich vastzetten en terughalen onmogelijk is. Zoodra de bij gestoken heeft, wil zij ontvluchten en scheurt de laatste ring van het lichaam af en moet daardoor haar steeklust met den dood boeten.

Hoewel de gevoeligheid bij verschillende menschen niet dezelfde is, zoo is een enkele steek in den regel zeer pijnlijk en veroorzaakt een opzwelling. Dit wordt door den waren bijenhouder niet eens geacht en bijna niet eens meer gevoeld, waardoor men ten laatste ongevoelig wordt voor het vergif.
De bijen worden heelemaal aan haar oppasser gewend vandaar dat de bijenhouder doorgaans zeer vertrouwelijk met zijne beestjes omgaat.

Het is echter raadzaam voor eerstbeginnenden om het aangezicht, door een sluier of bijenkap tegen de steeklustige bijen te beschutten. Daarbij moet men, om zich zooveel mogelijk tegen steken der bijen te vrijwaren, de werkzaamheden, die men aan de korven te verrichten heeft, met bedaardheid, kalmte en vastberadenheid ondernemen. Nimmer mag men een bij met de hand of een doek afweeren, want daardoor lokt men een aanval uit van meerdere bijen. Hem, die lust heeft in bijen, geef ik den raad, teneinde de opzwelling te beletten, de handen en andere onbedekte lichaamsdeelen goed dik te besmeeren met suiker, stroop of honig. (Wat zullen onvoorzichtigen zich een schade berokkenen door toepassing van dit middel. Wij waarschuwen er met nadruk tegen. RED.)

Wordt hij ergens gestoken, waar hij dit voorbehoedmiddel niet heeft aangebracht, dan neme hij dadelijk wat honigoplossing of suiker in zijn mond en losse dit op met speeksel, om die oplossing op de plaats te strijken, waar de angel zit. Enkelen gebruiken ook wel geest van salmoniak, zout, slaolie met gekneusde ajuin, azijn, kortom datgene, wat het eerst bij de hand is. Door middel van tabaksrook laten de bijen zich gemakkelijk verjagen; het is daarom raadzaam om bij het naderen van een bijenstal een pijp of een sigaar te rooken; daardoor zal men minder last van de omvliegende bijen hebben. Denk bij het naderen van een bijenstal aan het spreekwoord der bijenhouders: „Haastige spoed is zelden goed."

L. UNEKEN, Borger.