STAKEN ZIJ MAAR NIET
Menigeen zou gaarne zich met de bijenteelt onledig houden, en wanneer men hen hoort zeggen „ik zou gaarne bijen houden," en men hen als dan vraagt: waarom zij niet er toe overgaan, dan is het antwoord: staken zij maar niet.
't Is waar, dat het verre van aangenaam is, een bijensteek op te loopen met de verdere onaangename gevolgen, doch eveneens is het niet minder waar, dat velen zelf dikwijls schuld er aan hebben.
De bij toch valt niet aan; zij verdedigt zich, wanneer zij aangevallen wordt, en wat doet een ieder in dusdanig geval? Haar kortstondig bestaan is een onafgebroken arbeid, waarvan de imker de vruchten heeft; storen wij haar dan zoo weinig mogelijk, en wanneer wij onze bijen verzorgen, letten wij dan op de volgende regels, en wij zullen voor menig steekje gespaard blijven. Onder de vele zullen de volgende wel de voornaamste zijn.
1e . Laten wij steeds kalm en bedaard, zacht en rustig onze bijen behandelen, vermijden wij elken schok of stoot, waardoor de bijen onrustig en kwaad worden.
2e . Gaan wij nooit onze bijen behandelen, wanneer wij bezweet zijn, de zweetlucht maakt haar boosaardig.
3e . Bezoeken wij onze bijen niet, nadat wij sterken drank gebruikt hebben; door dien reuk verliezen zij zeer hunne goedaardigheid; reeds een minder aangename adem heeft zijn uitwerking op de bijen.
4e . Zeer heete dagen, waarop ook de drukkende lucht ons onweder aankondigt, zijn minder geschikt, om zonder steek van de bijenhut terug te komen.
5e . Kiezen wij toch voor het bezoeken onzer bijen de uren, waarop het meeste volk uit is; de jongere bijen, die thuis zijn, zijn zachter en minder geneigd om van haar angel gebruik te maken.
6e . Kondigen wij ons bezoek aan, door een weinig rook in de bijenwoning te jagen, de bijen slurpen alsdan honig op en zijn minder tot steken geschikt.
7e . Denken wij bij het af borstelen der ramen, dat er bijen zijn, en doen wij niet, alsof wij een tafel of iets anders afvegen.
8e . Gaan wij nooit bij het behandelen van een volk voor het vlieggat staan, daardoor beletten wij de terugkeerende bijen in hunne woning te komen; en in vereeniging met de uitkomende kunnen zij het ons lastig maken.
9e . Begeven wij ons nooit blootshoofds nabij de bijen ; op onze haren hebben zij het niet gezien, vooral als deze zwart van kleur zijn; zij vliegen er op, verwarren er zich in, en de steken zijn onvermijdelijk.
10e . Wanneer de bijen kwaad zijn en eenige zich op ons gezicht hebben neergezet, slaan wij ze dan er nooit af, maar verwijderen wij ons en van zelf zullen zij afvliegen.
11e . Laten wij het gebruik van sluier niet minachten, maar daarentegen bedienen wij ons nooit van handschoenen, die ons slechts ongemak veroorzaken ; ook zullen de handen op den duur ongevoelig worden.
12e . Heeft de omgang der menschen een grooten invloed op de dieren, evenzoo is het met de bijen, zoodat het zijn voor heeft, zijne bijenhal te zetten op een plaats, die nog al eens bezocht wordt; zorgen wij daarentegen, dat geene huisdieren zich er om bewegen, hetgeen schadelijk is.
Voegen wij hieraan toe, dat niet, zooals men soms zegt, de bij haar meester kent, maar hij moet de bij kennen, hare gewoonten en gebruiken. Om haar te kennen, geldt hetzelfde, hetgeen gezegd wordt van andere wezens, nml.: daartoe moet men langen tijd met haar omgaan.
Zij men dan niet bevreesd, wanneer men er lust toe gevoelt om bijen te houden, voor de steken, die men meestal door eigen schuld oploopt; en hij die de bijenteelt begonnen is, en zich ontmoedigd zou gevoelen door de steken, zegge hij: men wordt er niet dommer door; en mocht zulks zich bewijzen, dan ook zal hij minder gestoken worden.
A. STASSEN, Beesel.