MEÊ BEREIDING



Geachte heer Redacteur !

Misschien kan onderstaande dienen om nog een andere wijze meêbereiding bekend te maken, welke bereidingswijze wij vonden in een boek van eenigszins ouderen datum.

„Zal de meê wezenlijk goed en gezond in 't gebruik zijn dan moet men ze van den besten Honig gemaakt en aangenaam van reuk en smaak zijn. Men moet ook een vrij groote hoeveelheid meê in eens bereiden anders gist zij niet goed. De gewone hoeveelheid is 15 pond honig voor 45 kan water. Men kookt dit mengsel op een helder vuur, passende op het afschuimen, totdat het vocht door de verdamping zoodanig verdikt is, dat er een ei op drijft.

Men maakt er dan twee deelen van: het eene wordt in steenen kruiken op een koele plaats weggezet, om zoo langzaam mogelijk te gisten; het andere, wordt in een vaatje van geschikte grootte gedaan, dat er maar half mede moet gevuld wezen. Het vaatje wordt op een onderstel in den hoek van den haard gezet; er wordt een stuk grof doek op het bomgat gelegd, dat verder niet dicht gemaakt wordt. Weldra ontstaat er eene onstuimige gisting, die wel drie maanden duurt. Een dik en overvloedig schuim dringt onophoudelijk uit het bomgat en vloeit in eene schaal, die men daartoe onder het vat heeft gezegd. Het ledige, dat door die uitvloeiing in het vat ontstaat wordt aangevuld met het daartoe in kruiken ter zijde gezette vocht.

Wanneer de gisting bedaard is, voegt men bij de mee 2 of 3 kan ouden wijn, en hangt nu in het vat, dat men nu naar den kelder brengt, een knoopdoekje van fijn linnen met gekneusde kaneel en eenige kruidnagelen. Na verloop van een jaar is de mee goed, om in flesschen getapt te worden; daarin moet men ze nog een jaar laten, als men ze volmaakt goed wil drinken; zij wordt door liggen beter, even als de likeurwijnen, met welke zij vele punten van overeenkomst; heeft.

B.C. Blauw te H.