Mijnheer de Redacteur.

Hoewel ik het volkomen eens ben met de bewering van de H. H. de Neu en Doornbosch, dat de gewone ronde strookorven voortreffelijke eigenschappen bezitten, toch zij het mij vergund, om naast de goede hoedanigheden de slechte te plaatsen.

1. De gewone strookorven zijn goed om te overwinteren, als zij goed van honing voorraad voorzien zijn. Ontbreekt die, dan is bijvoedering omslachtiger dan in den lossen bouw, waar men zonder stoornis gevulde tafels met honing geven kan.

2. De honingvoorraad is in stabielbouw niet zoo nauwkeurig te bepalen als in mobielbouw, vooral als het sterke volken zijn.

3. De vaste bouw geeft geen goede gelegenheid om gelijkmatig bevolkte stokken te krijgen, de meeste methoden daarvoor geven dikwijls groote schade en teleurstelling. Losse bouw is hiervoor beter geschikt door 't bijzetten van raampjes met broed uit de sterke volken.

4. Bij vasten bouw is de zwermlust moeilijker te beperken binnen zekere grenzen dan bij lossen bouw.

5. Het vol bouwen der woningen is bij vasten bouw overgelaten aan de willekeur der bijen, zoodat half ontwikkelde volken zich soms al toeleggen op zwermen, en is de woning volgebouwd, dan danken zij dikwijls hartelijk voor de aangeboden ruimte, verkregen door 't plaatsen van een ring onder den korf. Bij lossen bouw wordt de ruimte, door 't verzetten der afsluitingsplank verkregen, gaarne door de bijen ingenomen.

6. Het ontnemen van honing is bij vasten bouw omslachtiger en schadelijker, daar het niet anders kan dan door het vernielen van den wasbouw.

7. Voor het verwijderen van de bijen uit hare woning (b.v. in den Herfst na afloop van het gewin) is de losse bouw gemakkelijker dan de vaste; er vallen veel minder dooden.

8. Vaste bouw geeft geen goede gelegenheid, om het broeden van darren te beperken; losse bouw leent zich daarvoor bij uitstek: de raampjes met darrencellen wegnemen en er voor in de plaats zetten raampjes met werkbijencellen.

Deze acht stellingen van lossen bouw tegenover vasten bouw, gegrond op eene 16-jarige ondervinding, acht ik voorloopig voldoende. Lof en eer aan onze voorgangers, die ons de richting hebben aangewezen, waarnaar wij imkeren moeten in de mobielwoning en evenzeer lof aan den stabielbouw, niet om zijne deugden of gebreken, maar om zijne oudheid.

M. v.d. MEER, Reek bij Grave.