SPROKKELS
Honigslingeren.
Gewoonlijk worden de ramen bij het uitslingeren evenzoo in den slinger geplaatst als ze ook in de huif staan, n.l. met de celopeningen schuin naar boven. Enkele imkers ook plaatsen ze juist omgekeerd om zoodoende het uitvloeien, naar zij meenen, te bevorderen. Beide standen zijn echter af te keuren! De ramen moeten zóó worden gesteld, dat de cellen in liggenden stand zijn. Hierbij moet men dan tevens vooral er op letten, dat de schuine celrichting dezelfde is als waarin het raam wordt gedraald, dus rechts als ook de draaiing rechts is, en omgekeerd. (Dit berust op de wet, dat als iets van een draaiende in een rechte beweging overgaat, dit niet is in de richting van de middellijn of straal van den draaicirkel, maar in die van de raaklijn. Hornak, G.)
Door het inachtnemen van bovenstaanden regel, zal men veel beschadiging der raat voorkomen. (Uit: „Duitsche Imker").
---------
Wespen en motten.
Dezelfde imker (de heer Hornak) die den raad geeft over het plaatsen der ramen in den honigslinger, deelt tevens mede, hoe hij wespen en motten verdelgt. Bij den stal plaatst hij de bekende „muggeglazen", gevuld met bier en met rotte peren of anderen gistende vruchten er onder. Zoo ving hij op een dag bij de 200 wespen en hommels. Des morgens vond hij geregeld ettelijke motvlinders in de glazen verdronken Het is natuurlijk zeer goed, dat men tevens gedurende den nacht de vlieggaten met gaas of iets anders zoodanig afsluit, dat wel de lucht, maar niet de schadelijke vlinders toegang tot de huif hebben.
---------
De belangrijke rol van het stuifmeel van het broeden, en de groote hoeveelheid welke de bijen, ervan gebruiken.
Over dit onderwerp deelt de heer Bellot mede:
Ik heb in December, Januari en Februari een belangrijke proef genomen met drie huiven, waarvan twee een Carnioolsche en de derde een Corsicaansche koningin hadden ontvangen.
Daar ik in 't begin van December slechts weinig broed in deze drie stokken ontdekte, heb ik ze om de 10 à 12 dagen stukken raat met bijenbrood gegeven, afkomstig uit korven met vasten bouw. Deze stukken werden zoo dicht mogelijk bij het broednest geplaatst, gedurende de perioden van vorst werden de huiven binnenshuis gezet. Elke kolonie werd met ongeveer 1½ à 2 kilos stuifmeel "gevoederd". De bijen hebben er geregeld van gebruikt en in alle drie huiven was gedurende den geheelen winter broed op drie ramen.
Op dit oogenblik (lente) zijn de stokken alle vrijwel dubbel sterk, meest alle jonge bijen, wat duidelijk te zien is, daar de oude bijen zwarte waren en de jonge Carnioolsche en Corsicaansche.
Teneinde de moeder aan het leggen te houden gaf ik tevens wat ontzegelde honigraat.
Reeds vele jaren bewaarde ik zorgvuldig alle brokken raat met stuifmeel om ze in het vroege voorjaar te geven aan de beste zwermstokken, daar deze er minder voorraad van hebben dan de oude. Steeds vond ik dat de bijen het bijenbrood gretig aannamen en voor het broed gebruikten.
Ik houd mij dan ook overtuigd, dat het stuifmeel een veel grooter rol in het broeden vervult, dan de meeste imkers gelooven. Met hoeveel ijver wordt het trouwens vergaard. Ook heb ik opgemerkt, dat men nooit puike koninginnen verkrijgt, indien in den tijd dat deze in larvetoestand verkeeren, geen versch stuifmeel in de huif aanwezig is, en de bijen in die dagen niets kunnen verzamelen.
(Uit: „REVUE INTERNATIONALE.")
---------
Honig.
In het landbouwblad: „Le Sillon Romand" komt voor: „Een tijdschrift voor geneeskunde zegt dat boterhammen met honig uitstekend levertraan vervangen. Deze ontdekking zal voorzeker zeer ten genoegen zijn van de velen, die een tegenzin tegen dit geneesmiddel hebben.
Het blijkt telkens weer, dat de waarde van echten honig te weinig bekend is. Niet alleen toch is hij een uitstekend voedingsmiddel, doch tevens bezit hij voortreffelijke geneeskrachtige werking, zoowel bij vele in- als uitwendige ziekten. Lijders aan de lever geeft hij verzachting, bloedarmen bij geregeld gebruik genezing. Bronchitis en hardnekkige verkoudheid wijken door het gebruik van een afkooksel van hondsdraf (aardveil), vermengd met honig. Slapeloozen vinden baat door het nuttigen van een lepel honig.
Men wachte zich echter vooral tegen het gebruik van namaaksels met een basis van glucose (zetmeel- of stijfselsuiker). Deze toch zijn niet alleen zonder geur en zonder geneeskracht, maar erger nog leveren ze gevaar door de verstoppingen, die er niet zelden door veroorzaakt worden.
(Uit: „Tribune de Genève.")
---------
Sneeuw voor de vlieggaten.
Meer dan eens werd mij gevraagd, of men de sneeuw voor de vlieggaten moest opruimen, daar er anders gevaar voor verstikking der bijen mocht bestaan. Steeds echter gaf ik als mijn meening te kennen, dat men beter doet de huiven met rust te laten, zoo de voorraad sneeuw althans niet zeer aanzienlijk is. De lichte, holle sneeuw is vol lucht en vormt tevens een uitmuntende bedekking tegen de kou. Een ervaren imker in mijne buurt zegt zelfs: „Ik zie niets liever dan dat mijn huiven onder de sneeuw beschut zijn, want dan ben ik zeker van een goede overwintering."
(Uit: „GLEANINGS.")
---------
Onderzoek of was vervalscht is.
Hiervoor worden verscheidene meer of minder eenvoudige en doeltreffende methoden aanbevolen.
Een van de eenvoudigste en onbedrieglijkste middelen is, volgens de Leipz. Bienen zeitung, het volgende: men neemt van de te onderzoeken wassoort een stukje ter dikte van een potlood en ongeveer 2 cM. lang en doet dit in een glas. Men overgiet dit stukje met benzine, zoodat het 2 cM. onder deze vloeistof staat en laat het twee uren rustig staan. Is de was zuiver, zoo verdeelt zij zich in zeer kleine plaatjes; is het plantenwas of paraffine dan blijft het stukje onveranderd, is het stukje vervalscht, dan zullen wel enkele kleine plaatjes loslaten, doch de vorm van het stukje verandert weinig. Bij eenige oefening is het op deze eenvoudige wijze mogelijk, ongeveer het procentgehalte reine bijenwas uit eene vervalsching te bepalen.
(Uit Leipz. Bztg.)
---------
De bijenluis.
Is zij parasiet of dischgenoot van de bijen? Velen houden het eerste voor waar, en meenen, dat de luis zich voedt met het bloed der bijen. Dr. Alex. Bralint, een Hongaarsch geleerde, heeft reeds in 1895 bewezen, dat de bijenluis geen parasiet, maar een dischgenoot van de bijen is, die zich voedt met honing. Hiervan kan men zich licht overtuigen, als men de met luizen voorziene koningin nauwkeurig gadeslaat, wanneer zij door de bijen gevoederd wordt. Bij deze gelegenheid loopen steeds meerdere luizen naar den mond der koningin, om eenige dropjes van het gereikte voeder op te zuigen. Gestadig keeren. zij daarna met gevulde magen langs den zelfden weg naar hare vorige plaats terug.
Een eenvoudig middel, om de luizen te vangen, bestaat hierin, dat men een met terpentijn gedrenkt stuk doek des nacht onder de stokken legt, die er last van hebben. Door onrust en brommen geven de bijen te kennen, dat haar iets niet bevalt, (de terpentijnlucht). Zij maken veel beweging en den anderen morgen vindt men de luizen op de plank liggen.
(Uit pract. Wegweiser).
---------
Zijn darren, geboren uit eieren van onbevruchte koninginnen geschikt voor de bevruchting?
Deze vraag wordt door een Australischen imker met ja beantwoord. Hij kocht een broedtafel van. een Italiaansch volk, om haar te gebruiken voor koninginneteelt. Hij bekwam hieruit eene Koningin, die echter niet meer bevrucht kon worden, omdat er wegens het late jaargetijde geen darren meer voorhanden waren. Zij werd dus noodwendig darrenbroederig. Het volgende jaar werden een aantal zwarte koninginnen met goed gevolg door deze Italiaansche darren bevrucht, hetwelk duidelijk uit de kleur der nakomelingschap bleek. Uitdrukkelijk wordt hierbij opgemerkt, dat in den omtrek van 20 Engelsche mijlen geen andere Italiaansche bijen aanwezig waren.
(Bee-Bulletin).
---------
Spinnen als mottenverdelgsters.
Pfarrer Gerstung beveelt ten zeerste aan in ledige bijenwoningen en in de kasten, waarin de wastafels bewaard worden, spinnen te zetten, omdat deze de wasmotten en maden verdelgen.
---------
Oude kunstwastafels, die door lang liggen uitgedroogd en bros geworden zijn, maakt men weer voor 't gebruik gereed, wanneer men ze in lauwwarm water plaatst, daar in een korten tijd laat staan en daarna in eene warme kamer of in de zon droogt.
(Uit Bztg. für Schl.-Holstein.)
H. Groustra en B. Wigman.