DE DARREN
Het lichaam van den dar is breeder en plomper dan dat van de koningin of van een arbeidsbij. Het borststuk is krachtig ontwikkeld en dicht met haren bezet, terwijl de vleugels lang en breed zijn. De kaken en de zuigtong zijn weinig ontwikkeld en duidelijk te onderscheiden van die der arbeidsters. De darren hebben de kaken ook niet noodig, daar ze geen deelnemen aan het reinigen van woningen en cellen, of het bouwen der raten.
Aan den ronden kop bespeurt ge de groote samengestelde oogen, welke elkaar op den schedel raken. Dit is niet het geval bij de andere bijen. De drie enkelvoudige oogen liggen verder naar beneden dan bij koningin of arbeidsters. Zij staan dicht bij de inplanting der voelers, welke naar beneden hangen. Tevergeefs zoekt ge bij den dar de schoone inrichting aan de achterpooten, welke ge bij de arbeidster bewondert.
De dar kan dan ook geen stuifmeel verzamelen of naar den korf dragen. Het achterlijf is meer afgerond dan bij de andere bijen en een angel bezit de dar niet. Tevens mist het diertje den moed, waardoor de arbeidsters zich onderscheiden. Bij schoon weer kunt ge vooral op den middag de darren voor den korf zien spelen in de warme stralen der zon. Of ze trekken al gonzend de velden in.
Het geoefende oor van den imker bemerkt dadelijk of er darren in de vlucht zijn. Het geluid dat zij maken is zwaarder en krachtiger, dan dat der arbeidsters. Als de darren geen aandeel nemen aan eenigen arbeid in of buiten den korf, waarvoor dienen ze dan? Er hebben vroeger verschillende dwaze theorieën bestaan omtrent de bestemming der darren.
Natuurvorschers der oudheid zagen in de koningin een mannetje, dat de wijfjes, de arbeidsters, moest bevruchten. Deze laatste legden de eitjes. Juist dus als een haan met zijn hennen. Heel aardig bedacht, maar nu zat men met de darren. Om zich hiervan af te maken noemde men deze "verbasterde" bijen. Te meer was men hiertoe geneigd, daar men had bemerkt, dat ze niet konden arbeiden.
In later tijd zag men in de darren broedbijen, bestemd om de warmte te ontwikkelen voor het broed. Nog heden ontmoet ge imkers, die deze meening deelen. Men kan hun dan vragen hoe de warmte voor het broed wordt ontwikkeld in tijden dat er geen darren zijn en het koud is, b.v. in 't voorjaar of in den nazomer. De darren toch leven in den warmsten tijd van het jaar. In sommige streken ziet men in de darren muzikanten, welke gonzen of muziek maken om den arbeid der bijen te veraangenamen of te verlichten.
Eindelijk liet ook de wetenschap haar licht schijnen in het donkere van den bijenkorf. Verschillende mannen hebben bewezen, dat de darren alleen dienen om koninginnen te bevruchten. Bekijk een dar eens nauwkeurig. Druk hem zacht op het borststuk, dan wordt de lucht in de luchtbuizen (tracheeën) naar achter geperst en een gedeelte der geslachtsorganen komen naar buiten. Met een weinig verbeeldingskracht zult ge bemerken, dat deze organen in vorm op een stierenkop gelijken. Verscheidene imkers hebben deze opmerking wel eens gemaakt, zonder de beteekenis van die lichaamsdeelen te kennen.
Wanneer de dar nog als nimf in de cel zit, zijn reeds de geslachtsorganen in alle deelen te onderscheiden. In de laatste dagen van den nimfentoestand scheiden twee boonvormige klieren mikroskopisch kleine korreltjes af. Talrijke uiterst fijne huisjes voeren de korreltjes (het sperma) naar een grooter uitvoeringskanaal. Daar verzamelen zij zich tot een prop, welke bij de paring wordt uitgestooten en waarmee het spermablaasje der koningin wordt gevuld. Of er dan veel zaadjes in het blaasje zijn? Volgens onderzoekingen van professor Leuckart meer dan 25 miljoen.
De paring heeft steeds buiten den korf plaats, wat tal van proeven hebben bewezen. Men heeft onbevruchte koninginnen de vleugels geknipt, zoodat zij zich niet in de lucht konden verheffen. Zij bleven onbevrucht.
Het is van groot belang, dat de bevruchting steeds buiten den korf plaats heeft. Daardoor kan de koningin paren met een dar uit een anderen korf, wat ook altijd schijnt te gebeuren. Het paren met eigen bloed wordt dus voorkomen. Zelfs bij de planten is deze maatregel doorgevoerd — kruisbevruchting. — Hoe het samentreffen van koningin en dar plaats heeft, is niet met voldoende zekerheid bekend. Wellicht speelt hierbij de reuk een groote rol. De darren geven vooral in den zwermtijd een eigenaardigen geur af. (Zie L'Apic. mod. 1898).
Bij de paring zit de koningin op den rug van den dar. Het bevruchtingsproces, dat steeds in de vlucht plaats heeft, kost den dar het leven, daar bij de scheiding, de organen van het mannetje afscheuren. Wie goed acht geeft, kan de koningin na de bruidsvlucht zien thuis komen met het bevruchtingsteeken. 't Is het bewijs, dat het bestaan van den korf vooreerst is verzekerd.
Slechts éénmaal in haar leven wordt de koningin bevrucht.
Er is dus maar een dar voor noodig. Toch zijn er in een korf wel eenige honderden. Waarom dan zooveel? De bevruchting der koningin is van groot gewicht voor de bijenkolonie. Zij begeeft zich tot op een aanmerkelijke afstand van den korf (wel een half uur). Door het groot aantal darren zijn de kansen gunstig, dat de koningin een mannetje zal vinden. Er is in de geheele natuur voor grooten overvloed gezorgd. Denk ook eens hoe rijkelijk het stuifmeel in de bloemen wordt geproduceerd, waarvan toch maar een heel klein gedeelte noodig is voor de bestuiving. De darren leven slechts kort. Alleen in de zwermmaanden worden zij in den korf geduld. In ons land worden de darren in het laatst van Juli of begin van Augustus gedood. Vroeger meende men (en velen meenen het nog), dat de darren door de bijen worden doodgestoken en men spreekt van een „hommelmoord."
Let eens op, wat er gebeurt, wanneer in Aug. de darren niet meer noodig zijn.
Ze zitten dan in een hoek van den korf dicht op een, zonder dat er met de arbeidsters wordt gestreden. De darren doen ook geen moeite om de warme plaatsen in den korf weder te bezetten. Hoe gaat dit "afdrijven" der darren zoo kalm toe?
Planta en Schönfeld hebben er ons een antwoord op gegeven. Zij hebben darren gevoed alleen met honig. Binnen enkele dagen waren ze dood. Verschillende onderzoekingen hebben bewezen, dat de darren wel honig kunnen opnemen, doch dat het stikstofhoudend voedsel hen door de arbeidsters wordt gegeven in voedersap. Slechts 3 dagen kunnen zij dit ontberen. Reeds op den tweeden dag zijn ze zoo zwak, dat ze gemakkelijk van de tafels kunnen afgedongen worden. Spoedig sterven ze.
Wellicht vindt iemand het vreemd, dat de bijen juist in het laatst van Juli of begin Augustus de darren verstooten. In dien tijd eindigt de groote dracht en wordt er ook minder stuifmeel in den korf gebracht. De bijen kunnen nu ook niet zooveel voedersap bereiden. Het broed wordt in de eerste plaats er van voorzien. De darren krijgen niet meer.
Brengt men korven uit ons land naar zuidelijker streken, waar de dracht langer duurt, zoo worden de darren ook later „afgedreven".
T.C. HOOTSEN.