EEN PRAATJE OVER DE BIJEN


Vervolg 2.

Kunnen de nijvere bijtjes, die in de felste zonnehitte rusteloos blijven doorwerken, menig lui mensch, die meer van schaduw dan van zonneschijn houdt en zich daarom liefst onder lommerrijke boomen begeeft, ten voorbeeld gesteld worden, door haar vlijt; ook door hare bewonderenswaardige orde en netheid, zouden zij menige slordige, onzindelijke huismoeder beschamen.
Het is waarlijk een imposant gezicht, zoo'n enge bijenwoning, waarin zich duizenden en duizenden dier diertjes bevinden, die alle ordelijk en vreedzaam zich bewegen en hare taak volbrengen, zonder de minste stoornis of tweedracht.

Belangrijk vooral is, betrekkelijk dit punt, de rol der moederbij of koningin. Iedere bijenkolonie bezit namelijk eene, doch ook slechts ééne koningin, meerdere worden (uitgezonderd alleen in den moederstok gedurende den zwermtijd) volstrekt niet geduld. De koningin is dan ook als de spil waarom alles draait; van haar bestaan hangt het lot en het al of niet gedijen der geheele bevolking af; zij wordt volstrekt geëerbiedigd en alle bijen zijn innig aan haar gehecht.

Het gebeurt wel eens, bij het zwermen, dat de koningin, (die den zwerm altijd vergezelt) niet kan vliegen en dan dicht bij den pas verlaten korf op den grond valt. Wild en onbesuisd als altijd, vliegt de drom bijen dan aanvankelijk wel in de lucht, doch weldra bemerken zij het verlies der koningin en beginnen aanstonds onrustig heen en weer te vliegen om haar te zoeken; gewoonlijk wordt dan de hulpelooze gebiedster spoedig door eenige bijen gevonden en pas is dit geschied of allen (als op een gegeven sein) voegen zich bij haar, omringen haar en blijven daar rustig liggen, tot de vaardige hand des imkers haar in een korf verzamelt.

Wanneer soms een bijenvolk zijne koningin, door een of andere reden verliest, beginnen aanstonds alle bijen, zoowel in als buiten hare woning, onrustig heen en weer te loopen, als wilden zij hierdoor hare droefheid over het treurig verlies te kennen geven; slaagt nu de imker er in haar eene andere koningin te doen aannemen; (wat soms niet zoo gemakkelijk gaat, daar zij het gezag eener vreemde zoo maar niet dadelijk willen erkennen) dan is de rust weer hersteld; doch gelukt dit niet of wordt dit verzuimd, dan kwijnt het volk langzaam weg en wordt eene gemakkelijke prooi van roovers.
Het is dus voor alle imkers van het grootste belang, steeds na te gaan of hunne volken van eene goede koningin zijn voorzien.

Opmerkelijk is ook de gehechtheid der bijen aan hare eens ingenomen standplaats, regelmatig komt iedere bij, ook na de grootste zwerftochten, op en in haar eigen woning terug en wanneer men eene bijenwoning ook maar één meter verplaatst, dan ziet men de thuiskomende arbeidsters alle op de vroegere plaats aankomen en bezwaarlijk (of in het geheel niet) zullen zij hare woning terugvinden.

Geheel anders is het echter met een zwerm; deze kan men naar verkiezing plaatsen waar men wil, daar geen enkele dier bijen nog naar den moederkorf terugvliegt. Waren de bijen van natuur niet met deze wonderlijke eigenschap begiftigd, dan zou de imker bij het "voortzetten" van nieuwe volken op de grootste moeilijkheid stuiten, terwijl dat nu zoo gemakkelijk gaat.

Welk een schoon blijk van de Alwijze voorzienigheid des Scheppers, die deze kleine diertjes een leefwijze voorschreef, zoo geëigend, om op een gemakkelijke wijze, door den mensch tot zijn voordeel te worden benuttigd.

W.A. OTTEN.

Wordt vervolgd.