BIJENTEELT
In een vorig stukje hebben wij gezegd, dat het minder op het systeem van woning dan op de kennis van den ijmker aankomt om van goede oogsten verzekerd te zijn. Het is daarmede nu niet gezegd, dat alle woningen even goed zijn, neen!
Dat zij verre. Doch over woningen later.
Wat moet nu een ijmker zijn?
Vooreerst moet hij liefhebberij voor de bijen hebben, niet alleen omdat zij lekkeren honig verzamelen, maar ook in het leven en drijven van de diertjes; het wonderbare van hunne samenleving, van bouw enz. Hij moet ze behandelen, gelijk een vader zijne kinderen doet, d.w.z. ze plegen en verzorgen.
En wanneer het al eens een enkele maal mag gebeuren, dat hij een steek ontvangt, zoo mag hij niet boos worden en zijne stokken maar laten staan, neen, het beste is om den angel zoo spoedig mogelijk uit de wond te verwijderen, een paar maal overdwars te krabben en maar weer aan 't werk te gaan. Werk! Ja, een ijmker moet arbeidslust hebben, niet, hetgeen gebeuren moet, uitstellen tot morgen, want dit kan groote nadeelen mede brengen. Uit liefde voor het welzijn van zijne bijen zal de ijmker alle werkzaamheden steeds op rechten tijd doen en ze overigens met rust laten.
Een zekere geschiktheid moet hij zich ook eigen maken; d.w.z. hij moet een korf om kunnen nemen zonder dezelve te stooten of rukken, eene kast openen zonder gedruisch, want dit alles brengt de bijen in toorn en maakt ze steeklustig. Ook moet hij zijne korven of kasten zien zelf te vervaardigen; dit geeft groote besparing. Ordelijkheid moet iedere ijmker met alle kracht beoefenen, zoowel als reinheid.
De eenvoudigste bijenstal geeft een goeden indruk, wanneer hij er netjes uitziet zonder spinnewebben, waarin bijenlijken hangen, of onkruid, dat tot voor de vlieggaten opgroeit, zoodat de bijen moeilijk uit of in kunnen vliegen; ook mag een bijenstal niet als bergplaats gebruikt worden b.v voor hout of turf of andere doeleinden; want mocht men in den winter het een of ander noodig hebben zoo is het een zoeken en scharrelen van geweld, waardoor men allicht eenen of anderen stok in onrust brengt, waardoor hij gevaar loopt om te komen.
Neen, een bijenstal moet bijenstal blijven en voor den stal moet minstens 3 voet grond zijn waarop geen gras of onkruid groeit, opdat de bijen, die zwaar beladen of anders thuiskomen en voor de woningen neervallen, zich, na gerust te hebben, gemakkelijk weder in vlucht begeven kunnen om het vlieggat te bereiken.
De korven moeten niet scheef of met het vlieggat naar ééne zijde gekeerd staan, en wanneer men een korf om neemt of eene kast opent zoo mag op den bodem geen vingerdik vuil liggen, waarin de wasmotten vroolijk huizen.
Gereedschappen moeten eene vaste plaats hebben en zindelijk zijn, opdat, wanneer men het een of ander noodig heeft, men niet behoeft te zoeken en, wanneer men het dan eindelijk vindt, het eerst nog schoongemaakt moet worden.
Dit kunnen wij van onze nijvere diertjes zeer goed leeren, want deze houden ook alles op hun plaats en zindelijk. Immers wij zien altijd den honig boven en achter in de woning, het bloemenstof in den omtrek van het broednest, alles in goede gesloten orde en reinheid.
Baron von Berlepsch heeft eens gezegd: voor alles leert theorie, anders blijft ge een stumper uw leven lang en met recht. Goede bijenboeken en tijdschriften moet men met lust en ijver bestudeeren en waar het kan, vergaderingen bijwonen. Hierdoor wordt menig donker punt opgehelderd en zal men veel kunnen leeren tot welzijn van onze lievelingen.
Er valt nog zooveel te leeren. Doch hierover later eens.
TUKKER Jr.