DE VOORDEELEN VAN VERVROEGDE KUNSTZWERMING
(Opgedragen aan stabiel- en mobiel imkers)
Alhoewel het voorzeker geen tijd is van zwermen, mag het toch wél een goede tijd heeten voor een stuk over het zwermen. Men heeft dan allen tijd den inhoud ervan te overdenken en, als men er lust toe heeft, te beoordeelen óók. Wie het er mee eens is, kan dan in het nieuwe jaar de proef er mee nemen.
Er zijn er, die tegen kunstzwermen zijn: men moet de natuur haren gang laten gaan! Of deze, alles aan de "natuur-overlaters" ook tegen broeikassen zijn en tegen enten en oculeeren? Hun stelling streng doorvoerende moesten ze ook geen bijen houden, maar deze in wilden staat in holle boomen laten nestelen. Zoo dwaas zijn de luidjes echter niet: ze behouden gaarne wat goed is in hun oogen.
Hierbij vergeten ze echter, dat al wat nu oud is en bekend, óók eens nieuw was en toen door velen als "nieuwigheden" werd verworpen. Natuurlijk zonder dat ze er eerst behoorlijk kennis van genomen hadden: onbekend maakt onbemind.
Velen dan zijn tegen kunstzwermen uit onbekendheid. En toch zijn hare voordeelen van zoo groote waarde voor den imker, dat men ze niet te vaak in 't licht kan stellen. Het komt hierbij echter maar weer aan op de juiste handelwijze. Evenals bij kunstbemesting, die ook vele vijanden telt . . . . . onder de verkeerde proefnemers.
Onder de meester-imkers geldt het buiten kijf voor een groote waarheid, dat de grootste oogst komt van den volkrijksten stok, die geen of weinig darren heeft te voeden, noch broed op te fokken en voldoende ruimte heeft voor de berging van den honing in de tijden van het groote gewin. Ja, deze waarheid zal wel geen enkele bijenhouder wagen te bestrijden.
Welnu, een goed uitgevoerde kunstzwerming stelt ons in staat aan alle genoemde voorwaarden te voldoen. Meer nog: zij verschaft een goeden oogst zonder het broeden te benadeelen. En dit alles zonder ingewikkeldheid, zonder noemenswaardige kosten en moeite. Deze methode verdient daarom zonder twijfel aller aandacht, zoowel van de vaste- als van de losse-bouwimkers, daar ze op beide systemen voor bijenteelt toepasselijk is.
De mobiel imkers verkondigen steeds, dat kunstzwermen evenals natuurlijke de stokken verdeelen en dientengevolge den honingoogst verminderen. Deze bewering nu is juist voor de bekende oude methoden van kunstzwerming, doch ze is dit niet meer voor de nieuwe met dubbele ontzetting. De beschrijving dezer methode zal dit duidelijk aantoonen.
Beginnen we met den zwerm. Men neemt dien op een mooien dag van een zéér volkrijken stok met veel broed zoodra men de darreneieren bespeurt; de stabiel-, zoowel als de mobiel imker elk volgens de bekende methoden. Men plaatst hem op de plaats der moederkolonie om hem te versterken met de oude buitmaaksters die van het veld terugkeren. Zoo krijgt dus de zwerm alle bijen van den moederstok, doch mist hij alle broed, in geval men vasten bouw heeft. Terwijl men bij lossen bouw het natuurlijk evenzoo kan regelen. Binnen weinige dagen zullen ook de jonge evenals de oude kunnen inzamelen. Plaatst men den zwerm in een ledige huif, zoo haast hij zich raat te bouwen voor nieuw werksterbroed en voor de berging van pollen en honig.
Darrencellen echter (in den eersten tijd) niet, daar het een zwerm is. Gedurende het groote gewin zal ook het werksterbroed slechts beperkt zijn, daar alle tijd en ruimte in beslag worden genomen voor de honingdracht. Er heerscht een koortsachtige ijver om raat te bouwen en raat te vullen. Hetzelfde geldt voor het geval, dat men kunstwastafels in de nieuwe woning heeft geplaatst.
Zooals we zeiden, maakt men den kustzwerm zoo vroeg wanneer pas de eerste darreneieren zijn gelegd. De nieuwe stok heeft dus geen onnoodige smullers te onderhouden en zal daardoor grooter voorraad overhouden. Verder wordt de nuttige tijd van de rijke dracht niet voor een deel verspild door het natuurlijke zwermen. De bijen regelen de legging ernaar, dat het groote verlies der buitmaaksters geregeld wordt aangevuld. Kort en goed: de zwerm verkeert in de meest gunstige voorwaarden voor honingwinning en in een gunstig jaar zal hij meer dan den winter voorraad inzamelen.
Wat wordt er nu echter van de moederhuif, waarin niets overbleef dan het broed met eenigen voorraad? Heel eenvoudig: deze stellen we in de plaats van een anderen volkrijken stok met veel broed. Zoo ontvangt dus de eerste huif bijna alle vliegbijen der tweede en is zij ongeveer even sterk als voor de kunstzwerming.
Men zal echter meenen, dat hierbij een leelijke "maar" is: de stok is moederloos. Dan, dit is eer een vóór- dan een nadeel. Wél is er staking in de legging van werkstereieren, maar ook worden geen darreneieren gelegd. Alle bijen kunnen inzamelen, terwijl de sterfte tijdens de eerstvolgende drie weken ruimschoots wordt gedekt door de uitloopende jonge werksters.
Elken dag echter bieden vele honderden broedcellen plaats voor honingberging en worden tevens broedsters vrij voor de uitvlucht. Hier dus geen verlies door darrenonderhoud, noch door voeding van werksterbroed, (1) noch ook door de verwarring van natuurlijk zwermen: men verkrijgt de groots mogelijke opbrengst. Terwijl tegen den tijd, dat de bevolking gaat verzwakken, t. w. nà het uitloopen van 't laatste broed, een jonge moeder, binnen ongeveer zes weken na de kunstzwerming begint te leggen. In streken met een rijke vroeg zomerdracht geven zulke kolonies dan ook dikwijls verbazend groote honigopbrengsten.
Gaan we nu over tot de behandeling van den tweeden stok, dien we alle buitmaaksters ontroofden ten bate van den eersten, waarvan de zwerm is genomen.
Helaas, zou een beginner uitroepen als hij den volgenden dag dezen zag staan; schier geen enkele bij die in- of uitvliegt, stilte als van het graf. En nog meer zou deze onkundige zich bedroeven als hij nader toezien, voor de huif vele doode en stervende darren zou bespeuren benevens een massa groote witte darrenlarven. Onze nieuweling zal de omzetting als een fout beschouwen en wellicht op middelen gaan zinnen deze te herstellen. Hij kan echter gerust zijn en onbevreesd afwachten: binnen zes à zeven dagen toch zal deze schijndoode stok weer even druk vliegen als de beste. Gaan we slechts na, wat er na de omzetting voorvalt.
De kolonie is plotseling beroofd van hare draagsters, vrij juist alsof er een zwerm is afgetrokken. Met dit verschil evenwel, dat de moeder bleef, waardoor het groote verlies binnenkort kan worden aangevuld. Het zwermplan wordt nu echter geheel opgegeven: al het darren broed bijgevolg uitgetrokken en de reeds uitgeloopen mannetjes worden zonder kwartier van den voorraad gedreven. Immers zijn er geen vliegbijen die nieuwen aandragen, zoodat men er geen overtollige kostgangers meer van kan laten smullen.
Ook zal de moeder geen darreneieren meer leggen, doch met des te meer ijver het werksterbroed vermeerderen. Reeds na ongeveer tien dagen is de stok weer vrijwel even volkrijk als tevoren, daar toch elken dag duizenden jonge bijen uitloopen en er geen oudere sterven, daar deze alle naar de andere huif zijn verhuisd.
Den elfden dag kan men dan ook van dezen tweeden stok een sterken kunstzwerm afnemen, welke geheel of bijna onder dezelfde gunstige omstandigheden verkeert als de eerste. Immers heeft hij evenmin als deze darren te onderhouden, terwijl de voorjaarsdracht in vollen gang is.
Had men den moederstok echter aan zichzelf overgelaten, zoo zou hij nu welhaast zwermrijp zijn en daardoor veel kostbaren tijd verliezen, juist als de eerste lentebloemen overvloeien van heerlijken nectar. Nu evenwel ziet men den tweeden zwerm evenals den eersten van elf dagen tevoren onvermoeid indragen terwijl daarbinnen nieuwe raten worden gebouwd, tenzij men er oude tafels in plaatste. In dit geval zal het honiggewin natuurlijk grooter zijn, terwijl ook kunstraat dit doet toenemen, al moge dit de raatbouw dan ook niet zoozeer bespoedigen als men wel eens meent. Hoe dit echter ook zij, ook deze tweede zwerm zal in den regel meer dan zijn winterprovisie inzamelen, vooral in streken met een rijke najaarsdracht.
Wat nu echter aangevangen met den tweeden moederstok? Hier komen we tot het tweede punt der nieuwe kunstzwerm-methode: de dubbele omzetting. Is toch bij de eerste kunstzwerming de eerste stok gesteld in de plaats van den tweeden en deze op een ledige, nu bij de tweede, elf dagen later, komt de tweede stok weer op zijn oude plaats en de eerste ergens op een open stand.
Noemen we de beide moederstokken A en B, dan hebben we dus:
voor de eerste kunstzwerming: A -B;
daarna: 1ste zwerm –A-B;
na de tweede kunstzwerming: 1ste zwerm—B; 2e zwerm—A.
Waarom deze tweede omzetting?
Om bij den eersten stok, waaruit voor elf dagen de eerste kunstzwerm werd genomen, een mogelijke natuurzwerming te beletten, welke zijn ondergang kon veroorzaken.
In den eersten stok zal binnen eenige dagen een jonge moeder het levenslicht zien, en bij haren bruidstocht, zou een groot deel der bevolking, die immers sterk is als tevoren, haar kunnen volgen. De overblijvende ook al zijn er nog een of meer gesloten moederwiegen kunnen noch voorraad, noch volk genoeg voor den winter winnen. Ten einde dus dit te voorkomen, wordt de tweede moederstok op de plaats van den eersten gezet, d.i., weer waar hij eerst stond, terwijl de eerste nu een nieuwe standplaats krijgt.
De tweede stok krijgt daardoor aanstonds de duizenden vliegbijen van den eersten in ruil voor die hij moest afstaan aan den tweeden zwerm. Zoo hebben we dan vier koloniën gekregen in plaats van twee en behoeven we vooreerst niet te vreezen voor latere natuurzwermen, daar geen van alle darren of darrenbroed heeft. Drie der vier verkeeren in de meest gunstige omstandigheden voor honiggewin: de beide zwermen en de tweede stok. Deze laatste krijgt daarbij een jonge moeder.
Hoe staat het echter met den eersten moederstok die een nieuwe standplaats kreeg? Voor het verlies harer buitmaaksters is er van zwermen geen sprake meer. Na eenige dagen vatten de oudste broedsters de gestaakte inzameling weer op. Gedurende 10 dagen loopen er nog jonge bijen uit van de eieren der oude koningin, zoodat, als deze een vruchtbare legster is, de stok daarna vrij volkrijk is (2), en bovendien welhaast in 't bezit van een jonge leggende moeder.
Voor evenwel deze de eerste eieren gaat legden, en nadat het laatste broed harer moeder is uitgeloopen, kan men den aanwezigen voorraad dezer huif inoogsten, daar ze immers uitsluitend honig bevat. Indien men op een rijke tweede dracht kan rekenen, en men zijn bijenstand wil vermeerderen, plaatst men den jongen stok in een nieuwe huif.
Niet zelden zal hij nog een goede "kosttiem" worden, zooals de term in het Noorden luidt, of althans met een weinig bijvoederen door den winter kunnen komen. Mocht men echter zijn stal niet willen uitbreiden, of zoo geen overvloedige nadracht is te wachten, dan is de kolonie zeer nuttig te gebruiken om den tweeden zwerm te versterken en tevens om dezer of een anderer oude moeder te vervangen. In dit geval bekomt men drie sterke volken, waarvan twee jonge moeders bezitten. Zoodat men in alle gerustheid den winter kan afwachten met kans op een rijken najaars oogst — indien men in een gunstige streek woont of deze kan opzoeken — en zonder groot gevaar voor moederloosheid.
Bovenbeschreven nieuwe methode van vervroegde kunstzwerming met dubbele omzetting danken wij een fransch imker, den heer Vignole.
Deze zijn in 't kort dus de voordeelen ervan:
1. Zij verdeelt de stokken niet, maar is er integendeel geheel op ingericht om alle krachten voor het honiggewin beschikbaar te maken.
2. Zij voorkomt bijna of geheel alle darrenproductie.
3. Beperkt de werkster fokking tot het striktnoodige, zonder te schaden aan het honiggewin.
4. Onderhoudt de levenskracht der kolonies door de vervanging der oude moeders door jonge en maakt moederloosheid tot een zeldzaamheid.
Deze methode is ten slotte zoowel toepasselijk op den vasten als op den lossen bouw. Natuurlijk beter op den laatsten. Deze toch bezit onmiskenbare voordeelen boven den eersten. Eén groot nadeel heeft ze echter: ze kost meer aan materiaal, al wordt dit dan ook door verstandige imkerij vergoed door de meerdere opbrengst. Velen bevinden zich daarom goed bij den gemengden bouw, die minder kostbaar is en toch de voordelen van den mobielbouw voor een deel mee doet genieten.
De mobiel-imkers beginnen in te zien, dat ze in een noodlottige cirkel ronddraaien: ze beletten het zwermen om een grooter opbrengst te verkrijgen, maar ze kunnen vaak niet beletten dat enkele hunner stokken daardoor oude moeders krijgen of zelfs moederloos worden. En ze dus aan deze zijde verliezen, wat ze aan de andere dachten te winnen.
Winstgevende imkerij vraagt sterke kolonies en jonge, vruchtbare moeders, beide. Welnu, de nieuwe methode van vervroegde kunstzwerming met dubbele omzetting geeft ze alle twee.
Hulde daarom den Heer Vignole, die de dank verdient zoowel van de vaste – als van de losse – en gemengde bouwimkers.
H. Grouwstra.
(1) Men achtte dat voordeel niet te gering. Kundige onderzoekers toch berekenen dat de bijen evengoed 4 tot 6 cellen met honig kunnen vullen als een enkele bij het aanzien te geven. Wat dus voor een vrij goede moeder, die een 2500 eieren daags legt, 1000 à 15000 volle honigcellen per dag beloopt.
(2) Er zijn dan bijen van 1 tot pl.m. 21 dagen oud. Legt de moeder dus 2500 à 3000 eieren per dag, dan telt de kolonie 50,000 à 60,000 bijen.