VERSLAG

over het Congres van Duitsch-Oostenrijksch-Hongaarsche Bijenhouders

van 26-30 Augustus 1899 te Keulen gehouden.


Van 26-30 Augustus 1899 werd te Keulen gehouden het jaarlijksch Congres van Duitsch-Oostenrijksch- Hongaarsche bijenhouders, waaraan tevens was verbonden een tentoonstelling van levende bijen, woningen en gereedschappen voor de bijenteelt.

Ingevolge de opdracht, mij vanwege het Bestuur der Vereeniging tot bevordering der Bijenteelt in Nederland verstrekt, heb ik het congres bijgewoond en de expositie herhaaldelijk bezocht en zal trachten, voor zooveel mogelijk, mijne indrukken van een en ander weer te geven.

Ik had reeds herhaaldelijk het genoegen vorige tentoonstellingen van de Duitsch-Oostenrijksch-Hongaarsche bijenhouders te bezoeken, en wanneer ik een en ander, bij vorige gelegenheden gezien en gehoord, weer eens in mijn geheugen terug roep, dan moet ik, eerlijk gezegd, bekennen, dat de dit jaar te Keulen gehouden Wanderversammlung tentoonstelling niet in alle opzichten aan mijne verwachtingen hebben voldaan.

Reeds bij de opening der tentoonstelling viel het mij op, dat de Victoriazaal, dezelfde zaal die ook in 1880 voor hetzelfde doel gediend heeft, nu meer dan toen voldoende ruimte had om al het ingezondene in zich op te nemen, terwijl ook op de in 1872 te Salsburg gehouden tentoonstelling eene veel grootere verscheidenheid van allerlei gereedschappen, woningen levende bijen enz. te vinden was. Ik wensch hiermede niet zoo zeer de beteekenis dezer gehouden tentoonstelling te verkleinen doch alleen te constateeren het feit, dat op diezelfde tentoonstellingen bij vorige gelegenheden veel talrijker was ingezonden, zoo zelfs dat het toen moeilijk moest vallen uit den waren overvloed van al het aanwezige, eene keuze te doen.

Naar de reden vragende, waarom slechts zoo matig was ingezonden, werd mij geantwoord, dat de oogst over het algemeen in Duitschland door de droogte verre beneden het middelmatige was gebleven, waardoor de lust voor velen om groote onkosten te maken belangrijk was verminderd, en tevens, dat ook juist in die dagen door het Rheinische Verein te Bonn het 50-jarig bestaan van dat Verein stond gevierd te worden, waar de meeste leden van en rondom Keulen reeds hunne werktuigen, woningen, producten, enz. hadden heengezonden. Aangezien nu op iedere tentoonstelling de meeste inzendingen van uit den naasten omtrek komen, kan het om die redenen geen verwondering wekken, dat in Keulen niet alles was comme il faut, zooals ik en ook velen met mij het reeds eerder hadden gezien.

Groep A. In de Afdeeling levende bijen was slechts zeer matig ingezonden ; daar waren aanwezig 65 volken, benevens 23 koninginnen voor het meerendeel in kastjes voor waarneming geschikt. (Beobachtungstöcke.)

Van die 65 volken waren 22 in de gewone Lüneburger strookorven gehuisvest, de overige in allerlei kasten als: model Von Berlepsch, Dathe, Gerstung, Alberti enz. ook in min of meer daarvan afwijkende vormen. In boogkorven waren geen levende bijen ingezonden.

Wat nu betreft eene tentoonstelling van zuivere en gekruiste bijenrassen, waarvan in Duitschland tot voor eenige jaren zooveel werk werd gemaakt, ik heb daarvan niet zoo heel veel meer gevonden. Natuurlijk hadden de Heer Ambrozic uit Ober Krain en de Heer Satori uit Milaan, de daar inheemsche Krainer en Italiaansche bijen ingezonden, doch behoudens nog een paar uitzonderingen was bijna al het overige van Duitschen bloede De lust schijnt niet meer te bestaan voor dergelijke kostbare liefhebberijen in het groot.

Groep B. In Groep B. Bijenwoningen, waren van de kastensoorten de meeste modellen aanwezig, zoowel enkel- als dubbelvoudige van Von Berlepsch, Dathe, Gerstung, Alberti enz. enz., zoowel van hout als van geperst stroo. De nieuwste uitvinding op dat gebied, die van kurk gefabriceerd, was niet aanwezig; ik had die gaarne eens gezien, doch mij werd verzekerd, dat die soort reeds tot de geschiedenis behoort, aangezien de ondoelmatigheid van dat materiaal (kurk) reeds in den afgeloopen winter voldoende was gebleken, doordien de wanden uit elkander vielen en afbrokkelden. Evenzoo is het gesteld met raampjes gemaakt van zaagsel met eene zekere kleefstof vermengd. Een exemplaar was daarvan te Keulen aanwezig, maar de meeste raampjes waren gebroken, blijkbaar reeds op de reis van Weenen. De gewone strookorf was vertegenwoordigd door 12 stuks van verschillende inzenders, voor het meerendeel goed afgewerkte Lüneburger stolpkorven, terwijl de Heeren Gödden, Seidel en Thie inzenders waren van de op de tentoonstelling aanwezige boogkorven. Het trok mijne aandacht, dat alle drie die boogkorven slechts voor 8 en 11 raampjes waren ingericht, en dat van de 16 boogskorven, door Gravenhorst in de laatste Aufl. van zijn werk voor honig winnen speciaal aanbevolen, zelfs geen enkel exemplaar was ingezonden.

P. BIJDENDIJK (Wordt vervolgd.)