BRIEVENBUS



BIJEN EN BLOEMEN


Ja, Mijnheer de Redacteur, ik kan me wel begrijpen, dat U zoo grif nog maar niet kondt aannemen, wat de Heer J.P.M. Soer, in het nummer van Juni uit de „Revue horticole'' meedeelt. 't Zal er wel zoo staan, als 't daar verteld wordt, maar .... in dit geval is me 't geloof niet geschonken. Ik bedoel het geval met dien peren-boomgaard én die vlier én die vogelkers.

Ik heb wel gehoord en ik heb 't zelf gezien, dat, als men zuidelijker komt de boel veel vroeger in bloei raakt, maar nog nooit, dat alles tegelijk stond te bloeien wat hier vroeger is, is 't daar ook, maar verder komt 't een na 't ander, precies zooals bij ons. Nu heb ik al veel perenbloesems zien opengaan, ik heb zelf een boomgaard met fijne fruiten; dat was zoo in den loop van April.
Ik ben een groot vrind van vogelkers, in mijns vaders tuin stond een groote struik tusschen 't hout en die was speciaal mijn eigendom. Die struik is lang verdwenen, maar mijn vrouw is 12 Mei jarig en 't is de gewoonte geworden om dan 't huis met vogelkers te versieren ; 't eene jaar begint ze, 't andere jaar is ze om dien tijd mooi in bloei. Van vlier, ten minste van zoo'n vlierbos bij den put of aan 't huis, ben ik ook een liefhebber, die bloeit om dezen tijd - dat is in de laatste helft van Juni.

Hoe hebben dat nu die bijen, welke op bladzijde 429 (juni) aan 't vliegen zijn, aangelegd? Hebben ze in April met elkaar zitten te praten en gezegd: Ja, die perenboomen bloeien wel, maar, als we nu wachten, dan komt er in Mei vogelkers en in Juni vlier, dat is veel frisscher en gezonder - laat de perenbloesems maar ongemoeid! Hebben ze soms gedacht, toen de vogelkers en vlier er uit waren - dat loopt verkeerd, beter iets dan niets, vooruit naar de perenboomen, dan doen we aan de menschen ook nog een plezier, want dan bestuiven we die bloemen naar den aard.

Ik zeg nog eens, 't geloof is me in dit geval niet gegeven. In de vragenbus van 't Maandschrift is ook het bevliegen van de zonnebloem behandeld. De zonnebloem is een mooie bloem en ze zal ook nog wel eens een nuttige bloem worden, als zij en wij den tijd van leven hebben - maar voor honig, dat ben ik met de beantwoorders van die vraag heelemaal eens, verwacht ik er niets van - al staat 't in nog zooveel boeken. Zelf heb ik er nooit een honigbij op gezien, en dan zegt bovendien een van de heeren dat, als ze er op komen, ze er nog maar kwaad tuig uit halen.
't Is wel brutaal van me, maar ik heb wel eens gedacht, dat van 't bestuiven der bloemen door de bijen nog in 't geheel niet alles bekend is, dat er dikwijls wat al te haastig wat van verteld wordt en dat wij zelven maar eerst eens goed uit de oogen moeten kijken vóór we aannemen wat we er zoo hier en daar van lezen.
't Is wel eens bij mij opgekomen, dat we er rekening mee moeten houden, of de bijen stuifmeel, of honigsap verzamelen. Zou 't weghalen van 't stuifmeel de bestuiving bevorderen? Ik durf er geen oordeel over uit te spreken, maar 't zou toch niet kwaad zijn, als dat gevalletje eens goed bekeken werd - ik heb alle respect voor het geschrijf, maar ik heb er toch graag 't eigen weetje bij.

Op 't Landhuishoudkundig Congres te Maastricht is ook, en dat is nu best te begrijpen, over de Bijenteelt gesproken. Met de drukke nering en de schrale tering kon ik niet van huis om daar te gaan luisteren en ik heb alleen een kort verslag in het Nieuws van den Dag daarover gelezen.

Ze hebben 't daar over honiggevende gewassen gehad, de Heer A. Leesens uit Bemelen, heeft er over gesproken - bomen uit wier bloesems de bijen veel honig kunnen verkrijgen moeten langs de wegen geplant worden - vruchtboomen, linden - acacia's worden in 't Nieuws niet genoemd, maar voeg ik er toch zeker bij - de Heer Snellen, Maastricht noemde ook den ahorn. Ze waren daar al goed op de hoogte van de kruisbevruchting - ze hadden er takken met kersen, die daardoor sterk geladen zijn en die dan geen schade door nachtvorsten meer ondervinden. Volgens den Heer Camman uit Tiel, verliep 't in de Betuwe anders, daar waren de kersenboomen ook sterk geladen, de bloesems waren sterk bevrucht, maar ze vielen nu toch bij menigte af. Voor dit laatste geval hadden de Heeren Leesens en Kelling uit Santpoort, eene afdoende verklaring, nam. de bloesems waren niet sterk genoeg bevrucht.

Ja, Mijnheer de Redacteur, nu komt 't geloof met alle kracht over me - niet sterk genoeg bevrucht, dat zal 't zijn. Waren er meer bijen geweest, of hadden de enkele bijen hare functies, dat is zoo bij wijze van spreken, beter weten te verrichten, dan was 't zaakje in orde gekomen. Men zou wel kunnen beweren, dat de bevruchting te sterk was geweest, maar dat is toch niet zoo zuiver geoordeeld, 't kan alleen maar komen, omdat de bevruchting niet sterk genoeg was. Maar de tijd zal komen, dat de ware ijmker ook hierin aan zijne lievelingen den beteren weg wijst, laten wij vooreerst nu maar helder uit onze eigen oogen kijken en met vlijt ons bedrijf uitoefenen, we hebben drukke, goede dagen — in die drukte zou men de klok wel eens kunnen hooren luiden en niet weten waar de klepel hangt.

Th. Mollen.