BRIEVENBUS
JAGERS EN PLAATSVERWISSELING
In N°.2 van den eersten jaargang van dit Maandschrift, wordt in een artikel „Iets over het jagen," eene methode besproken, waarbij men den jager (kunstzwerm) in de plaats van den moederstok zet en deze laatste op eene andere plaats in den stal. (het stukje van den Heer van der Meer, in het mei nummer bladz.414 van den loopenden jaargang komt ook vrijwel op hetzelfde neer). Men zou op die wijze ontheven worden van den bekenden last: het wegbrengen der jagers.
Dadelijk in '98 reeds behandelde ik een paar zwermrijpe volken (vaste bouw) volgens bedoelde methode, met het gevolg, dat de proefneming mislukte. Toch beproefde ik het in het volgende jaar ('99) al weer; ik nam met de noodige voorzorgen, zooals het bijsteken van ledige raten in de zijwanden des korfs, toen een 10-tal volken, die ik afjoeg en in de plaats der respectieve moederstokken stelde; doch op den eerstvolgenden vliegdag (daags na het jagen) waren reeds vóór den middag vijf dezer jagers afgevlogen, waarop ik de overigen dicht stopte en uit den stal nam, vast besloten de proef niet meer te herhalen.
Beide keeren had ik echter de jagers op gewone wijze (hoewel zeer klein) 's morgens in de vroegte genomen, als alle bijen thuis waren. Daar ik meende, dat dit misschien de oorzaak der mislukking kon zijn, nam ik dit jaar nogmaals eene proef met twee volken die voldoende zwermrijp waren: opzettelijk nam ik slechts zeer weinig bijen (ongeveer een theekopje vol) en plaatste deze met de koningin dadelijk in de nieuwe woning en op de plaats van den moederstok; de kleine zwermpjes werden toen nog met vele buitmaaksters versterkt en het scheen goed te zullen gaan. Daags daarna was het echter weer mis, want evenals vorige jaren vlogen de jagers (als gewone zwermen) reeds voor den middag van de nieuwe woning af; ik
was dus nogmaals genoodzaakt de moederstokken maar weer op hunne oude plaatsen te zetten.
Ik veronderstel, dat de voornaamste oorzaak van het mislukken dezer proeven gelegen is, in de flinke honigdracht op de witte klaver, enz., die hier steeds met den zwermtijd samenvalt. Inderdaad de buitmaaksters verlaten geregeld den verplaatsten moederstok en komen allen zonder uitzondering, zwaar beladen bij het nieuwe, kale zwermpje aan. Daar vinden zij eene nagenoeg naakte woning en weinig cellen om haren buit uit te storten; het gevolg is, dat zij weldra ontevreden stil blijven en op een gegeven oogenblik met koningin en al „de wijde wereld intrekken." Nu was dit (mits zij maar spoedig „aanvlogen") op zich zelf nog zoo erg niet; doch men jaagt gewoonlijk slechts, ten einde de voorzwermen uit de nazwermen, endelingen te kunnen keeren en dan vliegt juist alles onder elkaar.
Ik meen op grond van bovenstaande ervaringen te mogen besluiten, dat het nemen van kunstzwermen of jagers (met onderlinge plaatsverwisseling met den moederstok) niet zal gelukken in streken, waar in dien tijd eene rijke honigdracht voorkomt; alleen in geval wanneer men de jagers op groote zoogenaamde „vellen" kan doen, zou het misschien gaan. Ik vind echter, dat deze methode geen aanbeveling verdient.
W.A. OTTEN.