HOE BOUWEN DE BIJEN AAN KUNSTRATEN ?
In de beide Amerikaansche vakbladen, die mij in handen komen: “The Bee Keeper’s Review” in het nummer van Juli, en “Gleanings in Bee Culture” in dat van Augustus wordt met lof eene zeer uitvoerige verhandeling vermeld van Prof. C.P. GILLETTE over kunstraten.
Beiden geven het overzicht van de meer belangrijke gevolgtrekkingen, waarmede hij zijne verhandelingen sluit, nam. de volgende:
1. Bijen gebruiken onbekommerd het raatwas, zoowel om den middenwand als om de wanden der cellen op te bouwen.
2. Hoe dikker de kunstraat is, des te zwaarder zal er gebouwd worden.
3. Als de middenwand veel dunner is dan die van een natuurlijke raat, dan zullen de bijen dien steviger maken door aan den bodem der cellen was toe te voegen.
4. Als de middenwand van de kunstraat dikker is dan die van een natuurlijke raat, dan krijgt men een raat met een dikkeren middenwand dan bij een natuurlijke raat. Of met andere woorden: de bijen zullen den middenwand van een kunstraat niet af knagen tot op de dikte van een gewoon gebouwde raat voor werksterbroed.
5. Middenwanden van kunstraten, die niet dikker zijn dan —.17 van een millimeter, worden weinig of niet door bijen afgeknaagd.
6. Raat voor darrenbroed heeft een dikkeren middenwand en zwaardere celwanden dan raat voor werksterbroed.
7. Een kunstraat met een dikkeren middenwand en zeer dunne celwanden, zal toch tot raat met zwaardere celwanden opgebouwd worden.
8. Zeer hooge celwanden van een kunstraat worden niet afgeknaagd tot op de dikte der cellen van een natuurlijke raat.
9. De dunne en extra dunne en de "1899er" kunstraten met diepe cellen geven raat, die wat de lichtheid betreft, al zeer nabij de raat komt, zooals de bijen die natuurlijk bouwen.
10. Als zware kunstraten gebruikt worden dan is de extra zwaarte van de raat, die er op gebouwd wordt, minder een gevolg van de extra dikte der celwanden dan van den zwaarderen middenwand.
11. Als zeer lichte kunstraten gebruikt worden, dan is de zwaardere raat bijna uitsluitend daaraan toe te schrijven, dat de middenwand zwaarder is dan die van een natuurlijke raat.
12. Als men gebruik maakt van kunstraten, die met zoo'n overvloed van was vervaardigd zijn, dat de geheele raat er van gebouwd kan worden, dan voegen er de bijen nog meer was aan toe, somtijds bijna voldoende om de raat te bouwen zonder het was van de kunstraat noodig te hebben.
13. Men geeft het was op de voordeeligste wijze, als de middenwand van de kunstraat de dikte heeft van dien van een natuurlijke raat, en als er maar weinig, of op zijn hoogst eene matige hoeveelheid was in de celwanden is.
14. Zijn raten slecht in de ramen bevestigd, dan is dit meer een gevolg van zwakke volken en een schrale honigdracht dan van het soort raten, dat men gebruikt om een begin te maken: ofschoon grootere stukken raat en strooken kunstraat in de ramen wel dienen om de raat. steviger aan het raam te bevestigen.
15. Afscheidingen tusschen de ramen zijn bepaald noodig om de beste resultaten te verkrijgen bij de opbrengst van raathonig.
16. Hoe breeder de raat is, natuurlijke of kunstraat, des te grooter is daarin de verhouding van den honig tot het was.
17. In natuurlijke raat voor werksterbroed, 2½ centim. breed, is de verhouding van de hoeveelheid was tot die van den honig van l tot 20 en van die van zijn gewicht van l tot 25.
In Gleanings in Bee-culture worden hieraan nog eenige beschouwingen vastgeknoopt, waarvan een en ander volgt. Ik merk daarbij op, dat dit blad uitgegeven wordt door “de A.I. Root Compagnie,” Medina Ohio, eene maatschappij, welke alles exploiteert wat met bijenteelt in verband staat, zij zond in op de Parijsche tentoonstelling (Bladz.453, aug.) en bracht o. a. dit jaar een “Root`s Weed kunstraat” in den handel.
Er wordt op gewezen, dat de gevolgtrekkingen over 't geheel overeenstemmen met die van den heer WEED; alleen daarin bestaat verschil, of de bijen den dikken middenwand van kunstraten voor broed van de gemiddelde grootte afknagen, en of de celwanden daarvan dikker zijn dan die van een gewone raat.
De hierop betrekking hebbende gegevens van Prof. GILLETTE worden besproken en in “Gleanings” komt men nu, naar aanleiding daarvan en van de onderzoekingen van den heer WEED tot de slotsom, dat de meerdere zwaarte van raat op een zware wastafel gebouwd over het algemeen meer het gevolg is van meerder was aan den middenwand dan van meerder was aan de celwanden.
Verder wordt gezegd, dat hetgeen dit bulletin ons leert van veel waarde is en dat het 't belang aantoont om alle kunstraten zoo dun te maken, als de bijen ze bouwen, zoowel voor broed als voor honig. Nu is het nog niet mogelijk geweest om zulke raten te vervaardigen, maar de A.I. Root Co. streeft er naar, en de raten van 1900 zijn veel dunner dan die van 1898 en het begin van 1899.
De tabellen van Prof. GILLETTE toonen aan, dat er heel wat verschil is in de wijze, waarop de celwanden gebouwd worden; en gaat men de cijfers zorgvuldig na dan blijkt, dat het overtollige was in een raat (en wij moeten dat ruim hebben om 't ineenzakken te voorkomen) aangebracht moet worden in de celwanden der wastafel zelve. De A.I. Root Co. streeft er naar om het was te verminderen, zoowel in de wanden als in de basis der cellen en hoopt vóór er 2 of 3 jaar verloopen zijn, voor broed een kunstraat te hebben zoo dun, als nu die voor honig gemaakt wordt, maar dan is in het was zeer fijn, buigzaam metaaldraad, ongeveer van No.40 gewerkt. Zoo'n kunstraat zou voor den bijenhouder een heele besparing zijn, ten eerste in de kosten, omdat hij nu verplicht is voor raten met broedcellen kunstraten te koopen, waaraan overtollig was is, niet zoozeer omdat de bijen dat noodig hebben om de raten verder op te bouwen, maar wel omdat ze niet in elkaar zouden zakken, als ze verder opgebouwd worden.
Deze onderzoekingen schijnen voor een deel de gevolgtrekkingen te wijzigen, waartoe de heer WEED door zijne proefnemingen gekomen was; maar in hoofdzaak leiden zij toch denzelfden weg op. In een volgend nummer van “Gleanings” zal er nog op terug gekomen worden.
J.C. Bosch