DE LEIPZIGER WASPERS
In de “Leipziger Bienenzeitung” wordt eene beschrijving met afbeelding gegeven van eene nieuwe o.a. in Duitschland gepatenteerde waspers, wij lezen daaromtrent in “Biene und ihre Zucht” van Augustus.
Het uitsmelten van het was hielden de meeste bijenhouders tot nog toe voor eene zeer
omslachtige, tijdroovende bezigheid, daardoor ook weinig loonend, omdat de bestaande toestellen niet voldoende opleverden, meestal ging er maar eene kleine hoeveelheid was in en die werd dan nog maar zeer langzaam verwerkt. Daarom verkocht men de raten, welke nog uitgesmolten konden worden, voor een prikje aan rondtrekkende kooplui, die het ruwe was in het groot verwerkten, en zoo maakte men zich van dien onaangenamen en vervelenden arbeid af. Dat zal anders worden, als de Leipziger waspers bekend wordt.
Ieder bijenhouder, of tenminste elke vereeniging van bijenhouders zal er zich eene aanschaffen, want daarmee kan het ruwe was op de meest eenvoudige wijze dadelijk in een waschketel met kokend water in korten tijd, met weinig brandstof en zonder eenig geknoei uitgeperst worden.
In het Duitsche maandschrift wordt nu naar de afbeelding verwezen. Bij gemis daarvan zullen wij trachten er door eene beschrijving eenige voorstelling van te geven. Het is eene ronde of vierkante kooi van vertind staafijzer, die men nog met grootmazig vlechtwerk kan omkleeden. Aan den bovenrand zijn twee of drie steunsels aangebracht, die op den rand van een waschketel kunnen rusten. In de kooi past een deksel, dat met een hefboom of schroef omlaag gedrukt kan worden. Men hangt de pers in den ketel met warm water en doet er een ¾ M² tot l M¹ langen en naar omstandigheden ruimen perszak in, die met het ruwe was gevuld is.
Dit smelt voor zoover het in het water komt dadelijk samen en vormt ten slotte een weinig omvangrijke breiachtige massa onder in den zak. Deze trekt men nu flink omhoog en draait hem stevig met een knot dicht. Het bovengedeelte daarvan, dat niet in het water komt, opdat men het altijd met de handen zou kunnen aanpakken, legt men over den rand van den ketel. Nu brengt men het deksel op den zak en drukt het herhaaldelijk naar omlaag. Het gesmolten was dringt door den zak heen en drijft boven op het water, waar men het met een grooten lepel afschept en daarna in een vat doet, dat er bij staat.
Dan beweegt men het deksel en den hefboom weer omhoog en bewerkt den zak van alle kanten met een stuk hout om den drab van een te scheiden en dan nogmaals uit te persen. Heeft men dit eenige keeren gedaan, den zak ook eens los gemaakt, den inhoud met het hout ook duchtig dooreen gekneed en nogmaals uitgeperst dan is al het was verzameld. Men heft de pers uit den ketel omhoog, schuift twee stukken hout onder de steunsels en perst den draf boven den ketel droog. Het water tusschen den saamgekoekten drab vloeit dan in den ketel terug.
Het is raadzaam om het was, dat na het roeren in den zak verkregen wordt — het is maar een kleine hoeveelheid — in een afzonderlijk vat te doen, omdat het donkerder van kleur is. Als het persen afgeloopen is, wordt de draf uit den zak geschud, deze wordt gekeerd en door schudden en uitspoelen gereinigd van de larvenhuidjes en de bloemenstof, die er aan blijven zitten, om later weer te kunnen gebruiken.
De pers werkt uitstekend, men kan er per keer 15—20 pond ruwe was mede uitsmelten en er blijft dan geen kruimeltje meer in.
Elke bijenhouder kan nu gemakkelijk zijn was zelf uitkoken, de betrekkelijk rijke opbrengst van was van raten met kunstwastafels zelf oogsten en de vrij hooge winst, die tot nog toe de rondtrekkende wasopkoopers, niettegenstaande aanmerkelijke onkosten, maakten, zelf opsteken.
Nu het zoo eenvoudig en gemakkelijk geworden is om het ruwe was zelf uit te smelten, is het ook voordeeliger om de kunstraten voor eigen gebruik zelf te gieten en omdat men daarbij het eigen gewonnen was gebruikt, is men er zeker van, dat men kunstraten van zuiver bijenwas heeft. Maken wij van het ingezamelde was zelve kunstraten, dan levert het ons het grootst mogelijke voordeel op.