I N G E Z O N D E N
Geachte Heer Redacteur,
Gaarne zag ik het onderstaande geplaatst:
In het verslag van de Algemeene Vergadering van 27 September gehouden te Boxtel komen verschillende voorstellen en aanmerkingen voor over de noodzakelijkheid van vakmannen aan de redactie.
Ook ik ben daarvoor, want er blijven vragen onbeantwoord en dat moet vermeden worden, want als men een vraag doet, is het meestal van dien aard, dat men behoefte heeft aan het antwoord en als dat antwoord dan een maand of wat later komt, dan heeft men er meestal niets meer aan.
Nu is mijn bedoeling niet, dat een ijmkervakman aan het hoofd moet staan, neen, ik stel voor, dat men een rondvraag doet in het Maandschrift aan alle ijmkers-vakmannen, welke zich willen verplichten tegen vergoeding van port, papier en inkt, om de zooveel maanden (verdeeld onder de vrijwillige medewerkers) een of meer maanden te willen antwoorden, alleen in het Maandschrift, op de ingekomen vragen, daar men dan zeker is, dat de gestelde vragen worden beantwoord.
Ook dat men de Redactie verplicht geen onderscheid te maken met de ingezonden mededeelingen, maar dat zij ook moet denken om de leeken, want al is de inhoud van dien aard, dat de vakmannen het niet noodig hebben, de leeken kunnen het best gebruiken.
CORN. L. GLAZER, Loosduinen, 28 Oct. 1900.
----------
In het Verslag van de Algemeene Vergadering op 27 September l.l., te Boxtel gehouden, kan men lezen, hetgeen ook Art. 8 van het Huishoudelijk Reglement der Vereeniging bevat, dat de Redactie van “het Maandschrift” bij het Hoofdbestuur berust.
Voorstellen omtrent die redactie heeft men dus te richten aan het Hoofdbestuur, dat naar aanleiding daarvan nadere instructies aan den redacteur zou kunnen geven. Het komt mij voor, dat “het Maandschrift,” waarvan de ruimte maar al te beperkt is, niet de plaats is om dergelijke voorstellen en mogelijk nadere beschouwingen daarover op te nemen; volgens mijne meening is het dan ook niet gewenscht om daarvoor ruimte af te staan. Zooveel te liever zal het mij zijn en ik zal het steeds op prijs stellen, als vakmannen mij hunne meening willen meededen en ik geef hun de verzekering, dat ik me altijd gaarne beijveren zal om daar zoo onbevangen mogelijk rekening mede te honden.
Ik plaats het ingezonden artikel, omdat het mij gelegenheid geeft om op het bovenstaande te wijzen, maar vooral, omdat ook in deze bemerking een bewering voorkomt, waarvoor de inzender geen den minsten grond kan hebben. Ik vind het evenzeer gewenscht, dat de vragen zoo spoedig mogelijk beantwoord worden — dat gaat moeielijk in een blad, dat maar eens in de maand verschijnt en ik heb dan ook de vragen, die daarvoor maar eenigzins in aanmerking kwamen ongeveer keerend schriftelijk beantwoord, en herhaalde die antwoorden dan in het „Maandschrift" ten dienste van andere lezers.
De regeling, die de heer Glazer voorstelt, komt mij omslachtig voor; ik vind 't doeltreffender, dat ik, als ik 't wenschelijk oordeel, mij met ervaren vakmannen in verbinding stel. De heer Glazer schijnt de mogelijkheid, dat dit heeft plaats gehad, niet voorondersteld te hebben — toch is het zoo. De heer Glazer verklaart stellig, dat er vragen onbeantwoord blijven en knoopt daar eene heele beschouwing aan vast.
Ik kan verzekeren (voor de jaargangen 1898 en 1899 behoef ik me niet verantwoordelijk te stellen, toen waren er drie degelijke vakmannen aan de redactie,) dat er geen vragen onbeantwoord zijn gebleven en kom dan ook tot de gevolgtrekking, dat de Heer Glazer het anders voorstelt, als het is. Daar moet ik met den meesten ernst tegen opkomen, want anders zou menige lezer zoo'n praatje voor goede munt aannemen en de lust verliezen om vragen op te zenden. Dat zou mij spijten, want steeds valt het mij op, dat in de beste buitenlandsche tijdschriften die afdeeling ook het meeste ruimte inneemt.
Ik lees verder, dat de heer Glazer verlangt, dat men de redactie verplicht geen onderscheid te maken met de ingezonden mededeelingen, maar dat zij ook moet denken om de leeken, enz. Zoolang als ik de eer zal hebben redacteur van het „Maandschrift" te zijn, zal het aan mij zijn om te beoordeelen wat geplaatst zal worden of niet — maar als men het artikel van den heer Glazer leest, zou men tot de meening kunnen komen, dat er elk oogenblik mededeelingen op zijde worden gelegd. Ik kan stellig en. gaarne verzekeren, dat dit nog maar bij groote uitzondering is voorgekomen.
Het „Maandschrift" is het orgaan van de Vereeniging — zeer juist zegt de Algemeene Secretaris in het verslag over 1899:
"De bijenhouders beginnen in te zien, hoe noodzakelijk het is, zich aan een te sluiten en hunne kennis van het bedrijf te vermeerderen. Het orgaan der Vereeniging tracht in dit laatste te voorzien, al is het op bescheiden wijze."
Het „Maandschrift" tracht in dit laatste te voorzien, het is een orgaan van en voor bijenhouders. Wil men in dagbladen en verdere tijdschriften belangstelling voor bijenteelt opwekken, dat is uitstekend, dan kan men voor leeken schrijven, maar in het.
“Maandschrift” verlang ik bijdragen van vakmannen en tracht ik bijdragen voor vakmannen te leveren — geen praatjes, welke iedereen kan samenstellen, die behoorlijk leest en schrijft. Klare mededeelingen van vakmannen over 't geen ze zelven zien en opmerken, moeten de kracht van ons blad zijn, en daarbij zal het mij zeer welkom zijn, als de vragenbus toenemende belangstelling mag ondervinden.
J.C. BOSCH.