DE BIJEN IN APRIL - MEI
Er komt in dezen tijd meer leven op den bijenstand, er moet dus ook meer zorg, meer arbeid aan besteed worden. De imker moet vooral voor de ontwikkeling der volken zorgen, opdat zij vooruitgaan en op tijd flinke zwermen kunnen afgeven.
Door het steeds grooter worden van den broedaanzet, wordt er meer honig verbruikt, en nu er nog geen sprake van honigdracht is, zal de in de korven aanwezige honig hard worden aangesproken en mag de imker wel goed toezien, dat er goed voedsel aanwezig is. Korven en kasten blijven nog hunne winterbeschutting behouden. De volken, die veel broed hebben, moeten warm gehouden, April en Mei hebben immers nog wel koude dagen en nachten, die veel schade aan het broed kunnen doen. De mobiel-imker neemt nu bij goed weder de ledige en te oude raten, ook darrenraat, er uit, en laat aan de bijen zooveel ruimte op de raat, als zij kunnen bezetten, hierdoor zal de ruimte in de kast grooter zijn en het aanzetten van broed bevorderd worden. Wordt de temperatuur warmer, dan vergroot de mobiel-imker de broedruimte door het bijhangen van werkster- of kunstraat.
Bijzondere zorg om ze vooruit te helpen verdienen de zwakke volken. De vlieggaten moeten misschien vernauwd worden om ze tegen rooverij te beschutten. Bij warm weder kan een zwak volk versterkt worden door het bijhangen van een, aan een sterk volk ontnomen, met rijp broed voorziene raat. Het volk zal er weldra door vermeerderen, en als er volk genoeg aanwezig is, zal men na 8 of 14 dagen er weer zoo'n raat bij kunnen hangen.
Hij, die tijdig zwermen wenscht te hebben, kan nu met de speculatie of drijfvoedering beginnen. Men voedert 2 à 3-maal in de week naar gelang van de sterkte van het volk en den nog aanwezigen voorraad, telkens 1 à 2,5 hectogr. honig. Bij ongunstig weder, als de bijen daardoor verhinderd worden om water te halen, geeft men met water verdunden, lauw warmen honig. De voederschoteltjes of bakjes moet men 's morgens wegnemen om het rooven te voorkomen. Hij, die geen bijenstand in zijn buurt heeft, kan 's morgens vroeg het voedsel geven. Dit heeft een betere uitwerking dan de avondvoedering.
De stabiel-imker moet er in dezen tijd voor zorgen, dat zijn korven van gelijke sterkte worden om zoo in korten tijd met zijn zwermen klaar te zijn. Door omzetten van sterke met zwakke korven worden de sterke in dezen tijd te zeer verzwakt en ontstaat er ook gevaar voor de koningin, daarom is dan ook de voorkeur te geven aan het volgende, wel is waar langzame, maar zekerder middel.
Wanneer de voederbak, onder een sterk volk gezet, vol bijen zit, neemt men hem weg en plaatst hem onder een zwak volk. Wel vliegen dan den volgenden dag de oudere bijen terug, maar de jongere blijven achter.
Omdat de moeite zoo klein is, kan men het gemakkelijk dikwijls herhalen.
Men moet niet vergeten om in dezen tijd de raten en de raampjes na te zien, want de larve van de wasmot begint zich te roeren, men zwavelt de raten door het verbranden van zwavel, eveneens de korven met raatwerk er in, die bestemd zijn om er zwermen in te huisvesten. Op rooverij moet steeds, gelet worden, kasten en korven houdt men met zorg rein.
B. Leessens.