DE ITALIAANSCHE BIJ.
Dat er hier en daar bijen in holle boomen en dergelijke plaatsen wonen, hebben we allen gehoord, velen zullen 't zelfs gezien hebben; toch blijft het een uitzondering, iets, dat nog in de couranten wordt vermeld. 't Zijn ontvlogen zwermen en wel niemand vooronderstelt, dat de honingbij in ons land in wilden staat voorkomt, zooals dat bijv. met hazen en konijnen 't geval is.
Wel vinden wij hier andere bijensoorten, die honing inzamelen, maar hare levenswijze wijkt overigens belangrijk van die onzer honingbij af, zij vormen nimmer talrijke koloniën en 't zou zeker niet loonen om dien honing op te gaan zoeken. 't Eigenlijke gebied van den stamvorm onzer honingbij zal moeielijk te omschrijven zijn, evenzeer als dit het geval is bij onze huisdieren en cultuurgewassen, die al sedert overoude tijden met ons bestaan verbonden zijn.
In verschillende streken vindt men verschillende rassen. Of die afkomstig zijn van onderscheidene stamvormen, of misschien van een stamvorm, maar gewijzigd door allerlei invloeden, zooals klimaat, honingbronnen, het ingrijpen van den mensch, enz. is een punt, dat veel kans heeft een gesloten boek voor ons te zullen blijven.
Die rassen bestaan echter en nu men ze meer leert kennen, bemerkt men eigenaardigheiden, goede en minder gewenschte eigenschappen; de mogelijkheid bestaat, dat we daarmede ons nut kunnen doen en het voor de teelt van belang kan zijn.
De Italiaansche bij is van die rassen hier 't meest bekend. Ik heb daarmede eenige ondervinding opgedaan en wensch die in het „Maandschrift" mee te deelen, ze zoude mogelijk anderen ten nutte kunnen zijn, vooral als meerderen mijn voorbeeld willen volgen. Duidelijker zal dit voor velen worden door een beschrijving en eenige bizonderheden uit het werkje van HALLEUX te laten voorafgaan.
Wij lezen daarin zoo ongeveer:
"De Italiaansche bij is schooner dan de gewone, zij is gemakkelijk daarvan te onderscheiden door hare fraaie, geelbonte kleur. De eerste ring van 't achterlijf der werkbij is geheel bruingeel of oranjekleurig; de twee volgende zijn geel met zwarten rand; de laatste ringen zijn zwart; het achterlijf loopt eenigszins spits toe. De darren hebben zeer smalle, gele strepen.
De kleurschakeering is echter niet eenvormig voor al de individuen van een zelfde moeder afkomstig. De koninginnen verschillen ook, sommige zijn donkerbruin, andere rood- of geelachtig. Die, welke men — misschien ten onrechte — voor de zuiverste houdt, hebben de vier eerste ringen van ‘t achterlijf van een fraaie, lichtgele kleur, het uiteinde daarvan is zwart.
De Italiaansche bij is vruchtbaarder dan de zwarte en ontwikkelt zich vroeger in de lente. Zij is zeer vlijtig en begint haar dagtaak met de eerste ochtendschemering en eindigt die met den laten avond. Men beweert, dat haar tong een weinig langer is dan die der zwarte bij; hierdoor zou zij in staat zijn buit te maken op sommige bloemen, zooals roode klaver, voor gewone bijen ongenaakbaar. Zij is zeer zacht van aard en laat haar korf nazien, zonder veel neiging tot steken te toonen.
Zij waakt niettemin streng aan het vlieggat en verdedigt zich beter tegen de pogingen der roofbijen en den inval der wasmotten. Het is dan ook een der beste bijensoorten, vooral in gematigde luchtstreken met een vroege honingdracht; zij tiert niet in koude, hooger gelegen streken.
De gele bij wordt in het noorden van Italië en in de Trans-Alpische kantons van Zwitserland in ‘t groot gekweekt. Jaarlijks wordt er een groot aantal naar Amerika verzonden, wat voldoende hare waarde bewijst .....
Mij bleek, dat de Italiaansche bij werkelijk de goede eigenschappen, vooral vlijt en waakzaamheid, door den heer HALLEUX opgesomd, bezit. Zij schijnt dus vooral om deze en meer andere redenen tot kruising met onze gewone zwarte bij het meest geschikt; gedurende den zomer van 1900 hadden wij in onzen bijenstal toevallig eenige volken van gekruist Italiaansch ras; ondanks het ongunstig seizoen hadden juist deze volken zich opvallend flink ontwikkeld en wogen later zelfs eenige ponden zwaarder dan andere volken van gelijken ouderdom en sterkte.
Aangemoedigd door dit succes betrokken wij dit jaar een zwerm van zuiver Italiaansch ras, ten einde daarmede in 't volgend jaar proeven tot kruising te nemen. Wij stellen ons voor hier toe de oorspronkelijke koninginnen zoolang mogelijk zuiver te bewaren en alle Italiaansche darren door deze korven gekweekt, levend te laten, ten einde deze zooveel mogelijk met de jonge koninginnen der zwarte bijen te doen paren.
Tot nu toe voldeed genoemde Italiaansche zwerm uitstekend: gehuisvest op 't einde van Juli in een schoon „vel" van 8½ kilogr., ontwikkelde hij zich spoedig en bezette dit broednest tot tweemaal vol met mooi regelmatig broed, dat goed opkwam. De bijen toonden zich vooral zeer ijverig en begonnen reeds een paar dagen na aankomst vooral 's morgens flink pollen in te zamelen. Einde Augustus, toen al het broed was uitgeloopen, woog de korf bruto 10 kilogr. Gedurende de mooie, zonnige dagen van 20—24 Sept. werd nog goed gehaald op de kleine paardebloem; toen nog zag ik in alle raten ettelijke cellen met verschen honing gevuld. Ik stel mij voor, den lezers, later nog den uitslag der kruising mede te deelen.
W.A. OTTEN.