BRIEVENBUS
Stand der bijenhal.
In het nummer van 15 December 1901 komt een schrijven voor van den heer M. v.d. MEER te Reek over den stand der bijenhal, dat begint met een verhaal over den winter van 1890—'91, toen ook hij te treuren had over vele dood gevroren bijen, omdat zijn bijenhal met de open zijde naar 't Oosten was gekeerd.
Ook ik, zijnde beroepsijmker, ben van meening, dat die plaatsing verdient afgekeurd te worden, maar evenzeer die naar het Zuiden. Juist den tusschenweg, de plaatsing naar het Zuid-Oosten zou ik verkiezen. Want gedurende de koude winterdagen, als de wind uit het Oosten of Noord-Oosten blaast, zullen de bijen het in de naar het Oosten gekeerde hal te koud krijgen en niet voldoende gevrijwaard zijn tegen dood vriezen en daaraan moet men toch niet behoeven te denken.
Maar evenmin verdient het aanbeveling de bijenhal naar het Zuiden gekeerd te plaatsen, want dan zal de zoo dikwijls brandend heete namiddagzon tot omstreeks 5 uur des avonds op de kasten of korven staan te schijnen en het gevolg daarvan is, dat 't daar buiten zoo overvloedig naar honing zal ruiken, dat er veel gevaar komt, dat de roofzuchtige buren gaan rooven, dat weet ik bij ondervinding.
Ik had namelijk eens bij de boekweit staande een zoo genoemde schans in huur, die bij het bezetten een weinig te klein bleek te zijn, zoodat ik genoodzaakt was om mijn kasten zoo te plaatsen, dat ze naar het Zuiden gekeerd waren. Maar hiervan had ik al spoedig groote spijt, omdat die kasten aanhoudend strijd te voeren hadden tegen de andere, die ook in dezelfde schans stonden, maar naar het Zuid-Oosten waren gekeerd.
Ik zeg beslist, dat het evenzeer is af te keuren om een bijenhal naar het Zuiden gekeerd te plaatsen als naar het Oosten, tenzij, dat er aan de bijenhal een zeer lange kop bevestigd is, zoodat de heete middagzon niet op de kasten kan schijnen.
Dit weinige meende ik te moeten meedeelen met het oog op eerstbeginnende bijenhouders, die anders mogelijk hun bijenhal verkeerd zouden plaatsen.
A. KORTSCHOT, Aalsmeer, Januari 1902.