Werkzaamheden in April - Mei.



Recht welkom waren voorzeker de schoone dagen in Maart, die ons veroorloofden om onze bijen eens degelijk na te zien. Over het algemeen zal men dit jaar zeer tevreden zijn over de overwintering. De stokken hebben niet veel volk verloren, de hoeveelheid van het verbruikte kan heel normaal genoemd worden. Roerziekte komt dan ook niet veel voor. De stand van het broed is zeer bevredigend, wij mogen daarom hopen, dat dit goede begin ook een goed einde zal hebben.

De zon staat elken dag wat hooger, geeft meer warmte, de bijen maken daarvan al gebruik om hier en daar eens te zoeken of er wat te vinden is. In dezen tijd kunnen zij reeds terecht op: wilge-, appel-, peere-, kerseboomen, aardbeien, aal- en kruisbessen, lijsterbessen, kornoeljes, frambozen, wilde rozen, salie, thijm, vuilboom (berberis), e.a. De bijen vinden bij hunne eerste uitvlucht in hoofdzaak stuifmeel, waaraan zij zeer groote behoefte hebben voor het bijenbrood, noodig voor de jonge bijen.
Willen wij dat het broed goed vooruit zal gaan, dan moeten wij reeds half April beginnen met vloeibaar voedsel te geven. Men doet dat langzaam, eerst, een paar keer, om den derden dag een hectogr., dan om den tweeden dag anderhalf hectogr., en vervolgens elken avond twee hectogr. Mocht het nu gebeuren, dat men met al dat voederen te gauw het krassen van den lepel op den bodem der honington gewaar wordt, dan kan men zich helpen door suiker met water aan te roeren en dit mengsel in te koken, de verhouding daarbij is twee kilogr. suiker en een liter water, waarbij men een beetje zout doet.

Iets of wat weerprofeet moet de bijenhouder zijn. Nooit moet gevoederd worden, wanneer den volgenden dag slecht weder te verwachten is. door het toereiken van voedsel worden de bijen aangezet om spoediger en meer uit te vliegen, bij slecht weder zou men met dat voederen eer achteruit dan vooruit gaan. Zeer voorzichtig moet men bij het voederen zijn, dat er geen honing op den bijenstand gemorst wordt, evenzeer moet men zorgen, dat 's morgens het voedergereedschap weggenomen wordt, anders zou men de rooverij in de hand werken. Men neemt het rooven waar, als, vooral 's morgens en 's avonds, een hevige woeling heerscht bij een korf, terwijl de andere korven rustig zijn.
Om de bijen van den roovenden korf te kennen, bestuift men die uit den aangevallen korf komen met meel, nu let men op en kan bij zijn eigen stand of bij een in de nabijheid gaan zien waar die witte invliegen. Als vreemde bijen komen rooven moet men den korf, die aangevallen wordt, eenige dagen verwijderen. Legt men in dien korf naphtaline of een ander sterk riekende stof, dan zullen de roovers gauwer herkend worden en meer moeite hebben om binnen te komen.

E.J.