Bijen met lange tongen.
Vervolg bladz. 104. (juli 1902)
De resultaten van zijn metingen waren als volgt: ( Red.: als eenheid van maat is 't honderdste deel van den Eng. duim gebruikt. Ook de hieronder vermelde maten van ROOT zijn in deze eenheid uitgedrukt.)
De geheele tonglengte lag bij de Italianen tusschen 24. 5 en 26.5, bij de Cyprische bijen tusschen 25 en 27, bij de zwarte tusschen 23.5 en 25 en bij de Krainer tusschen 25.5 en 26. De lengte van de eigenlijke tong (ligula) lag bij de Italianen tusschen 16 en 17.5, bij de Cyprische tusschen 16 en 18, bij de zwarte tusschen 15 en 16 en bij de Krainer tusschen 17 en 17.5.
De ligula strekte zich voorbij demandibels uit: bij de Italianen van 15—22, bij de Cyprische van 19—23, bij de zwarte van 13.5—19, bij de Krainer van 21—22.
De gemiddelde tonglengte bedroeg bij de Italianen 25.47, bij de Cyprische 26.12, bij de zwarte 24.07, bij de Krainer meer dan 25.5.
De uiterste tongmaten verschilden bij de Italianen en Cyprische slechts 2, bij de zwarte slechts 1½.
De gemiddelde tonglengte der Cyprische was 0.65 grooter dan die der Italianen, terwijl de gemiddelde tonglengte van deze 1.4 meer bedroeg dan die van de zwarte.
De tong der roode klaverbijen was gemiddeld 0.04 langer dan die van alle andere. 't Hoogste gemiddelde der langtongen was 25.5, d. i. 0.08 langer dan 't gemiddelde der andere. Acht groepen Italianen zonder lange tongen hadden gemiddeld een langer tong dan de beste roode klaverbijen.
Bijen, die gezegd worden op de roode klaver te oogsten, verschilden niet in tonglengte met die, welke niet op de roode klaver werkten, ofschoon zij van denzelfden stand kwamen. Hieruit trekt GILLETTE de gevolgtrekking, dat 't al of niet bezoeken van de roode klaver waarschijnlijk van iets anders afhangt dan van de lengte der tong.
Zoover zijn onderzoek zich uitstrekt, beweert GILLETTE, dat er geen redenen bestaan om van langtongige bijen te spreken. De verschillen zijn daarvoor veel te gering.
Van de hommels is ‘t bekend, dat zij de roode klaver druk bezoeken. DARWIN nam ze aan als de eenige bevruchters van die bloemen. GILLETTE heeft ook van deze dieren de tongen gemeten en vond dat deze maten 45 tot 58 bedroegen, en dat de gemiddelde tonglengte bijna tweemaal zoo groot is als die der honingbij. De bloemkroonbuisjes, welke hij van de roode klaver mat, varieerden in lengte tusschen 34 en 37 en de meest geschikte honingbij, die hij vond, kon er haar tong slechts voor 2/3 insteken. Hij betwijfelt 't dan ook zeer, dat er bijen zijn, die de roode klaver op legitieme wijze bezoeken. Ten slotte spreekt GILLETTE zijn geloof uit in de mogelijkheid van een langtongig bijenras, dat echter alleen door een langdurig proces van zorgvuldige teeltkeus kan worden verkregen en niet plotseling voor den dag zal komen.
* * *
Na dit professoraal betoog raadt HUTCHINSON, de redakteur van „The Bee-keepers' Review" aan, voorloopig een afwachtende houding tegenover 't vraagstuk der lange tongen aan te nemen. Maar hij verheugt zich over 't feit, dat uit GILLETTE's onderzoek gebleken is, dat de tong der honingbij in lengte varieert, iets, dat wij in Europa reeds lang wisten.
ROOT laat zich echter niet zoo spoedig door een professor in den hoek dringen. Hij beweert, dat de lengte der kroonbuis van de roode klaver in 't Oosten der Vereenigde Staten varieert tusschen 12 en 36 of 37, dat de lengte van de helft der bloempjes op een hoofdje 20 tot 22 is (Red.: wanneer deze maten juist zijn en ook de tongmaten van ROOT moet 't gemakkelijker zijn door ophooping van variaties klaverbloemen met korte buisjes te verkrijgen dan bijen met lange tongen), zoodat de bijen wier tong zich behoorlijk ver tusschen de mandibels uitstrekt, den honing van de helft der bloempjes kan bemachtigen, dat hij inderdaad gezien heeft, dat de bijen alle korte bloembuisjes ledigden en de lange voor zoover zij konden, dat tonnen roode klaverhoning worden verzameld, omdat de bijen, wanneer niets anders bloeit, in de secties honing bergen, die in smaak zeer veel gelijkt op dien, welke hij in zijn jeugd uit hommelnesten wist machtig te worden.
* * *
Intusschen, de stroom advertenties schijnt te verminderen ‘t Professorale koud-waterbad heeft gewerkt. Ik houd 't meer met GILLETTE dan met ROOT, die mij te hard van stal geloopen is, vooral omdat RANKIN, die medewerker was aan een proefstation, na lange jaren beproefd te hebben bijen met lange tongen te kweeken, ten slotte slechts gelooven kon eenig resultaat verkregen te hebben.
Na het bovenstaande betwijfel ik, dat de heer BEIL veel succes van zijn lange tongen zien zal, al hoop ik van harte ‘t tegendeel voor hem. Maar zelfs al slaagt deze proef dan bewijst deze enkele absoluut niets.
F.C. van Brussel, Mei '02.