OPZETTERS



Een talrijk en flink bezette stal in den zomer, dan een rijke honingdracht in Aug. —Sept., dat is een weelde voor den ijmker! Dan kiest hij zijn opzetters uit de lichtste, maar toch prachtig volle en bevolkte stokken. Dan bezorgt de aanwijzing der opzetters (overwinteringsstokken), de in- en doorwintering, niet de geringste zwarigheid. Ongelukkig, echter, beginnen zulke jaren al meer en meerzeldzaam te worden!

Anders is het, wanneer, zooals zeker op de meeste plaatsen, ook dit jaar, naar opzetters gezocht moet worden. Goede opzetters zijn volken, die van 24—30 pond (½ kilogram) wegen, lange en bijna uitsluitend fijne, jonge raat hebben en in 't bezit zijn van een jonge, bevruchte koningin met veel volk; wel mag de koningin een of twee jaren oud zijn, maar dan moet zij toch mooi, effen, “geschaafd” broed vertoonen.
Dikwijls echter, zooals ook dit jaar, staan betrekkelijk veel volken op de plank, die alle goede eigenschappen van koningin, raat, enz. hebben, maar het vereischte gewicht in meerdere of mindere mate missen. Hoe nu deze volken, die om te oogsten toch ook weinig waarde hebben, te behandelen?

Eenige practische wenken, uit lange ervaring, zijn hier wellicht niet misplaatst. De losse-bouw ijmker heeft slechts raampjes bij te hangen of te verwisselen. Hij kan het gewicht bepalen door de verzegelde honingoppervlakte te meten; een vierkante decimeter, aan weerszijden flink gezegelde honingraat, weegt bijna een pond, men kan de maat een weinig ruimer nemen en dan is de berekening al heel gemakkelijk. De vaste-bouw ijmker kan bijvoederen met honing of suiker. Dit werkt echter niet zeer voordeelig, daar een volk van 5 pond bijvoedering na eenige dagen gewogen, gewoonlijk weinig meer dan 3 pond zwaarder wordt. Het schijnt, dat de bijen bij die overvloedige en rijke, onverwachte voedering het er maar eens van nemen en weelderig gaan leven.

Heeft men veel lichte volken, die men toch wil “opzetten”, dan handelt men m.i. veel beter en voordeeliger door voor een opzetter, twee korven te bestemmen en dan het volk, nadat in den winter de honingvoorraad van den eersten korf is opgeteerd, over te brengen op den reserve-korf, wien natuurlijk in den herfst de bevolking is ontnomen. Hierbij dient men eerstens te zorgen, dat de zwaarste der twee korven levend wordt gelaten, omdat het overkorven liefst zoo laat mogelijk, na den eigenlijken winter, behoort te gebeuren. Verder beware men het mooiste, lange, fijne werk voor den lente tijd, omdat alleen opzetters met zulke raten gunstig ontwikkelen. De meest geschikte tijd tot “overkorven" is einde Februari of Maart dan kiest men een mooien, zonnigen middag en verricht de bewerking buiten voor den stal. Volken op deze wijze „overgeschaard" zullen zich in het voorjaar altijd het eerste en krachtigste ontwikkelen.

Moet men het echter eerder, dus in den winter doen, dan lette men op het volgende: Onderzoek bij tijds, hoelang ongeveer nog de honingvoorraad voldoende blijft, om, al is deze nog niet geheel opgeteerd, een gunstige gelegenheid waar te nemen; want in den winter mag men de bijen slechts „overkorven" kort na een reinigingsvlucht. Zou men het doen na of tijdens een langdurige, gedwongen afsluiting, dan maakt men het volk vuil en ziek en richt het onvermijdelijk te gronde. Daags na een mooie reinigingsvlucht dan, neme men het volk of de volken, die men wil omkorven, uit den stal en brenge die een poosje in een verwarmd vertrek. De korf, waarin het volk moet gehuisvest worden, verwarme men eveneens. Nu bevestigt men aan het over te brengen volk een leegen korf en kaatst na eenig kloppen, al het volk daarin. Liefst in een donker vertrek neemt men nu dien korf met het volk af, laat het laatste een weinig tot rust komen en zoekt dan bij het licht de koningin.
Heeft men deze gezien, dan schudt men het volk, evenals een zwerm, op de gewone wijze in den verwarmden reservekorf en sluit deze direct met een doekje. Op een rustige plaats, binnenshuis, laat men het volk nu een paar dagen staan, en plaatst het daarna weer in den stal.

Op deze wijze kan men, ook bij de hevigste koude, de bewerking verrichten; toch de eerst beschreven wijze, buiten bij den stal, verdient altijd den voorrang!
Nog zij opgemerkt, dat een opzetter, die van zich zelf voldoende en flink bevolkt is, gewoonlijk het best voldoen en het minst verliezen zal.
Door bedwelming of aftrommeling echter kan men bijen van in te oogsten korven afnemen, en den opzetters toevoegen; aftrommelen is dan wellicht het meest verkieslijk. Toch brengt zulke bijvoeging altijd onrust en stoornis in den opzetter en de ondervinding leert, dat bijgevoegde bevolking in den winter dikwijls het meest afsterft.

W.A. OTTEN.