UIT DE BRIEVENBUS
Vraag 14. (reactie op vraag 14, okt.nr.)
Veroorloof mij onder dit hoofd een plaatsje te verzoeken voor iets, dat in de vragenbus thuis zou kunnen hooren. Maar ik durf er daar niet goed mee voor den dag te komen, want dan zou 't schijnen, dat ik me een brevet gaf van voldoende op de hoogte te zijn van apistische en entomologische litteratuur om den heer v. B. uit den brand te kunnen helpen. En dat is geen kleinigheid! De heer v. B. heeft zooveel van die litteratuur tot zijn beschikking, dat een verwijzing voor hem al voldoende is.
't Zou dus eigenlijk wel een witte raaf zijn, als ik toevallig iets te vertellen kan hebben, dat den heer v. B. nog niet onder de oogen was gekomen, want, kan men zoo wat alles ter hand nemen, dat over apistiek en entomologie verschenen is, dan mag voorondersteld worden, dat ‘t ook met aandacht is ingezien. Bovendien is duidelijk te merken, dat de heer v. B. niet van vandaag of gisteren is. Het boekje van LOTTER heeft hij gelezen; hij weet, dat het zich “van alle andere werkjes van dezen omvang onderscheidt", van die andere werkjes is hij dus ook op de hoogte. Hij weet, dat Prof. FLEISCHMANN een geleerde is, die “zich vooral met nieuwe onderzoekingen omtrent de honingbij heeft bezig gehouden, die herhaaldelijk blijk heeft gegeven van zijn groote belangstelling in de apicultuur", en zegt, dat “het theoretisch gedeelte dus stellig op de hoogte van den tijd is”
Ik krijg, als ik vraag 14 lees, den indruk, dat me een examen afgenomen wordt. Tegenover menschen, die alles zoo goed weten, raakt men den kluts wel eens kwijt en de heer v. B. zal ’t me zeker niet euvel duiden, dat ik 't hier nu verder onder ons bepraat, zoo met Piet en Klaas, die bijen houden. Een verwijzing alleen zou voor die menschen ook wel niet voldoende zijn.
Ik zou zoo zeggen, dat de geleerde Prof. FLEISCHMANN wel eenigen grond gehad moet hebben voor hetgeen hij ons omtrent de samengestelde en enkelvoudige oogen meedeelt — in ieder geval kan ons dit meer vertrouwen geven dan eenvoudig een geuite andere meening — vooreerst zal er voor ons wel niet veel anders overschieten dan af te wachten tot de wetenschap ons klaarheid gegeven zal hebben.
Wat de paring van koningin en dar betreft, zal men, ook de heer v. B. , als 't gewone geschrijf over bijenteelt ter hand genomen wordt, menig interessant gevalletje geboekt vinden.
Van dikke raten lezen wij een aardig voorbeeld op bladz. 155, 21sten regel van boven in het vorige nummer van het “Maandschrift." ("Geen zwermen") De heer A. HOOGENDOORN, die klaarblijkelijk gedurende meerdere jaren zich vol belangstelling met de apicultuur, ook wel bijenteelt genoemd, bezig houdt, heeft ons dat daar heel duidelijk verteld.
Op bladz. 123 van dezen jaargang van het “Maandschrift" wordt onder “Cijfers" meegedeeld, dat een sterk volk in den zwermtijd uit 2000/5000 darren bestaat, dat zijn er meerdere duizenden, precies wat Prof. FLEISCHMANN zegt.
't Zal wel in meer apistische werken vermeld worden, maar in ieder geval lezen we in het “Handboek van Bijenhouders" van J. DIRKS, bladz. 51, 17den regel van boven: “bedekken zij de daarmede gevulde cellen met een blinkend vlies” zooals dat prof. FLEISCHMANN ook vertelt.
Ik geloof niet, dat er iemand onder ons is, die 't van de oogen beter weet dan de professor; enkele zullen er maar zijn, die de paring van de koningin bepaald gezien hebben; zeer velen hebben dikkere raten, duizenden darren en met een blinkend vlies gesloten cellen opgemerkt.
Th. Mollen.