VRAGENBUS
Antwoord op vr. 11. (sept. 1902)
Zie: “De rechten van den ijmker bij het zwermen"
Antwoord op vr. 14. (okt. 1902)
In de “Nordlinger Bienenzeitung" (No. 15 van 1 Aug. 1892, blz. 171) bericht majoor VON MANN 't volgende: “Ik zag onder de bijen voor 'n kast op 'n afstand van slechts 1 M. de koningin, terwijl de dar op haar rug zat. De kop van den dar was op den rug der koningin ter plaatse, waar de vleugels aangezet zijn. 't Achterlijf van 't mannelijk dier was boogvormig omlaag gekromd, juist als 't achterlijf der koningin, wanneer zij eieren legt. 't Samenhangend paar was hoogstens 2 M. van 't vlieggat verwijderd ..... De bevruchting moet onmiddellijk nadat de koningin 't vlieggat verlaten had, gevolgd zijn."
Tot recht verstand van 't bovenstaande is 't misschien niet ongewenscht te vermelden, dat voor 1892, op gronden, ontleend aan de anatomie der bij, aangenomen werd, dat de bevruchting steeds hoog in de lucht plaats had, de koningin zittend op den rug van den dar.
T. DE HAAN zegt op blz. 23 van “De Bij en haar Bestaan" (Groningen 1896), dat de bevruchting plaats heeft “hoog in de lucht"; F. AUG. KELTING zegt op blz. 18 van “De Honigbij" (Beverwijk 1896), dat zij geschiedt “eenigszins hoog in de lucht. " Dat eenigszins is alleszins vermakelijk. De opvatting van beide schrijvers blijkt in strijd te zijn met de waarneming van MANN. Als hoog of eenigszins hoog in de lucht regel is, blijkt laag in de lucht geen onmogelijkheid.
v. B.
Antwoord op vr. 14. Zie: “Uit de Brievenbus. ".