Vraag 14.) (reactie op vraag 14, okt. 1902)
Mijnheer de Redacteur, hoe dankbaar ik den heer Th. M ook ben voor de moeite, welke hij zich getroostte om mijn vragen te beantwoorden, hij veroorlove mij de volgende opmerkingen:
1. De heer Th. M. weet blijkbaar niet, wat over entomologie in 't algemeen, over bijenteelt in 't bizonder, jaarlijks verschijnt en in 't laatste tiental jaren b.v. verschenen is. Anders kon hij onmogelijk de conclusie trekken, dat iemand, wien dat alles ter beschikking staat, 't ook met aandacht kan inzien. Daardoor is een menschenleven te kort.
2. De belangstelling van Prof. FLEISCHMANN in de bijenteelt, blijkt uit de jaarlijksche vacantie-cursussen voor ijmkers aan de universiteit te Erlangen, door hem en zijn beide assistenten geleid.
3. De reeks nieuwe anatomische modellen, ten behoeve van 't onderwijs aan die cursussen, door hem vervaardigd, zijn daar om een denkbeeld van zijn hernieuwd onderzoek te geven.
4. Om te beoordeelen of LOTTERS' Katechismus zich door de medewerking van Prof. FLEISCHMANN onderscheidt van alle andere werkjes van dien omvang, is 't onnoodig al die andere werkjes te kennen. Men behoeft m.i. slechts te weten, welke hoogleeraren werken over bijenteelt schreven of daaraan meewerkten. Met COOK, ROUSE, CIEFIELSKI, BASZLER en FLEISCHMANN is ’t lijstje dier professoren voor de laatste jaren, naar ik geloof, volledig. De heer Th. M. oordeele nu zelf.
5. Natuurlijk bestaan er gronden voor de meening van Prof. FLEISCHMANN, dat met de enkelvoudige oogen alleen op korten afstand wordt gezien. Al ware 't alleen maar die van JOH. MÜLLER (1826). Maar ik verwijs naar de volgende aanhaling uit KNUTH's “Blutenbiologie” (I, blz. 169). “De bij vele insecten voorkomende voorhoofdsoogen (de fig. verwijst naar den hommelkop van LEEUWENHOEK), schijnen te dienen om bij ‘t uitvliegen in een heldere ruimte of naar 'n lichtpunt de helderheid of ‘t licht te onderkennen. Hun plaatsing wijst reeds daarop, terwijl ‘t onderscheiden van vormen hun niet mogelijk is (1898). Uitgemaakt of niet uitgemaakt, ik begrijp niet, waarom de heer Th. M. zich ergert, als ik de gronden der verschillende meeningen wensch te kennen.
6. "Men zal menig interessant gevalletje over paring van koningin en dar in de gewone bijenlitteratuur geboekt vinden", zegt de heer Th. M.
O ja, ‘t ras der Lüttichau's en Immendorf’s is nog niet uitgestorven. Maar er is niet altijd ‘n BERLEPSCH bij de hand, om ’t interessante tot zijn ware afmetingen terug te brengen, M’s antwoord brengt mij helaas geen stap verder.
7. De mededeelingen van den heer HOOGEDOORN over dikke raten waren mij natuurlijk onbekend. Intusschen veronderstelt de heer H. , dat men hem 'n "onmogelijk" zal toeroepen. En hij bracht ’t tot 'n raatdikte van bijna 2 gewone raten, dus nog niet tot de 5 c.M. Tusschen 5 c.M. en 8 c.M. is 'n groot verschil. En de heer Th. M. weet de laatste loodjes, enz. COWAN deelt mee (The Honey Bee, pag. 188) dat hij in glazen klokken dikwijls raten kreeg van vijf tot zeven en een halve c.M. Maar glazen klokken zijn abnormale bergplaatsen voor bijen.
8. De cijfers op blz. 123 (sept.) van dezen jaargang meegedeeld, staan op ‘t oogenblik niet tot mijn beschikking. Maar zij zijn ontleend aan “Alfonsus Imkerbote”, blz. 42 en daar is mij 't verband tusschen een zwermrijpen stok met 2000—5000 darren en een zwerm met 0 tot hoogstens 500 darren niet duidelijk. Een der beide opgaven of beide zijn m.i. onjuist.
9. Over de verwijzing naar blz. 51 van DIRKS' Handboek verheug ik mij in hooge mate. Maar DIRKS spreekt alleen van een "blinkend vlies, geheel verschillend van de wasdeksels der honing cellen" en professor FLEISCHMANN spreekt ook van honing als conserveermiddel der pollenkorrels, die, en dit voeg ik er nu bij, volgens hem nog gedekseld wordt. In elk geval blijken de waarnemingen van FLEISCHMANN en DIRKS niet in alle opzichten overeen te stemmen, zooals de heer Th. M. triomfantelijk schijnt te meenen.

* * *


De mee, welke de heer TH. M. mij schonk, bleek in ‘t vat tot azijn te zijn geworden. Maar mocht zijn zure honingwijn mijn smaakzenuwen minder aangenaam aandoen, hij liet mij althans volkomen nuchter. Jammer voor de lezers, dat er door zijn breed gedoe zoo weinig in mijn glas, zooveel op de tafel terecht kwam. Ik had 'n grooten doek noodig om wat hij stortte, weg te vegen. De wil voor de daad nemende, betuig ik den heer Th. M. nogmaals mijn dank.

F.C. van Brussel., 23/XI '02.

----------


Vraag 14.
Mijnheer de Redacteur! 't Is heel vriendelijk van U om mij het schrijven van den heer v. B. naar aanleiding van mijn artikeltje over deze vraag ter inzage te zenden, voor het geval ik daar nog op terug zou wenschen te komen.
Veel ruimte zal ik, zelfs al had U me dat niet zoo dringend op 't hart gedrukt, niet in beslag nemen. Ik heb vraag 14 nog eens nauwkeurig nagelezen en mijn opvatting blijft, dat ik de daarin gestelde vragen behoorlijk heb beantwoord — beknopt, zooals dat voor de “Vragenbus” gewenscht wordt. De opgegeven cijfers zijn juist, ik ontleende een en ander aan bronnen, die de lezers van 't “Maandschrift" kunnen controleeren — voor de paring van dar en koningin kon ik nog niet verwijzen naar bladz. 176, (nov. "Vragenbus") doe 't nu nog even. 't Geval van de samengestelde en enkelvoudige oogen is, dat stem ik geheel met den heer v. B. in, nog niet uitgemaakt. De navrage is hier naïef.

In 't bovenstaande ligt ook mijne meening omtrent de beschouwingen van den heer v. B. opgesloten, ik ga daar nu niet verder meer op in. Maar, ziet u, mijn gewaarwording, dat er een examen afgenomen werd, had toch wel wat grond. Met een zekere schuwheid, zelfs niet direct aan den examinator, heb ik mijn antwoorden ingediend, en nu wordt me zoo overstelpend onder 't oog gebracht, wat ik toch ontzettend veel te kort geschoten ben en genadiglijk wordt mijn wil voor de daad genomen. Hoe onnoozel om vragen te gaan beantwoorden van iemand, die 't bij slot van rekening zelf veel beter weet.
Ik kan er dan ook wel wat voor voelen, dat de heer v. B. me onbeholpen vind, als ik op zijn professoraal terrein kom. Maar waarom moet ik nu als een ongemanierd mensch afgeteekend worden? Als iemand, die verzuurde mee geeft, nog niet eens behoorlijk in kan schenken en dan zijn gast dat gemors met een grooten doek weg laat vegen! Nee, dat's toch immers een verkeerde voorstelling? Ik zou veel spijt gevoelen, als ik dien indruk op de lezers gemaakt had.
Mijn deel was alleen om de gestelde vragen met zoo min mogelijk omhaal te beantwoorden, ik vertelde daarbij welken indruk 't geleerd gedoe van den heer v. B. op mij maakte, een indruk, die sedert bij mij niet is verzwakt.

Th. M

* * *


Na gelegenheid gegeven te hebben voor re- en depliek, wenscht de redactie de voortzetting van deze beschouwingen in het "Maandschrift" te sluiten.