Werkzaamheden in Februari - Maart.
Naar gelang de dagen lengen, vermeerdert de vertering van een bijenvolk. Voor Januari wordt een verbruik geraamd van 1/2 à 1 K.G. honing, voor Februari 1 à 1½ K.G., voor Maart 1½ à 2½ K.G. Vooral de met weinig gewicht ingewinterde volken moeten dus in het oog worden gehouden om wanneer de nood dringt door omjagen of bijhangen te voorkomen, dat de bijen den hongerdood sterven. In dezen tijd begint in iederen goeden korf of kast het broedaanzetten. Al te vroege broedaanzet is verkeerd, men moet daarom nu ook geen prikkelende middelen gebruiken, want er kunnen nog vele kwade, gure dagen komen.
De bij heeft in deze dagen om haar voedsel en de spijs voor het broed te bereiden vooral water noodig. Is het te koud, dan kan zij dat buiten niet gaan halen. Vele vliegen daarvoor uit en keeren nooit meer terug. Men kan ze hierbij ter hulp komen door een of ander drinktoestel. Voor korven, die boven een opening hebben, kan men zich bedienen van een honingglas, dat men met water gevuld, met een stukje dicht linnen afsluit, en omgekeerd op den korf plaatst. Voor kasten zijn andere drinktoestellen te gebruiken, zooals b.v. het drinktoestel "Perfect." Op elken goed geordenden bijenstand zal men het geheele jaar door er een drinkplaats op na houden.
Men gebruikt daarvoor een schotel, vult die half met kiezelsteentjes, zet daarin omgekeerd een groote flesch, zoodat de opening de kiezelsteentjes raakt. Zoo zal het water niet hooger komen dan de kiezelsteentjes, waarop de bijen kunnen zitten en waar tusschen zij het water vinden.
In het begin vult men de flesch met honingwater, ze leeren zoo die plaats kennen, later giet men er water in, waarin men wat zout gedaan heeft. 's Zomers zal die drinkplaats zwart zien van de bijen. 't Is eene kleine moeite, waardoor men niet alleen voorkomt, dat de bijen, als ze water aan beek of gracht zoeken, daarin verdrinken, maar ook, dat zij naar mestvaalten of dergelijke plaatsen vliegen, hetgeen ze doen om de daarin voorkomende zouten.
Laat de temperatuur een algemeene uitvlucht der bijen toe, dan neemt men die gelegenheid te baat om korven en kasten zooveel mogelijk te ontdoen van doode bijen, afgeknaagd zegelwas en ander vuil. Vindt men maden of poppen van werkbijen, dan is dit een stellig teeken, dat de moederbij of koningin nog aanwezig is. Bemerkt men daarentegen, dat na een algemeene vlucht de bevolking lang onrustig blijft, dan kan men veronderstellen, dat het volk moerloos is, waarvan men zich dan spoedig bij gunstig weder moet overtuigen.
In dit geval is het eenige en doelmatigste middel die bevolking toe te voegen aan een ander volk, dat in het bezit is van een koningin. Bij den lossen bouw is dat vlug te doen door raten bij te hangen, waarop bijen zitten. Bij den vasten bouw zal men ze afkloppen en bijstaan. Lang te sukkelen en veel geduld te hebben is ten zeerste te ontraden, zoowel bij moerlooze, als bij zwakke volken, 't is óók het voordeeligst om dat spoedig te verbeteren. Voegt men volken samen, dan geeft men ze door een of ander sterk riekend kruid of ander middel denzelfden geur, dan zal 't niet zoo lastig gaan.
E. J.