TEELTKEUS.



Een verstandig korf-imker zal in den herfst de opzetters bij voorkeur kiezen uit die stammen wier stokken zich steeds onderscheidden door vlijtig honing zamelen, door gestadige volkrijkheid en daarmee in verband staanden bouw van veel fijn werk.
Menigmaal treft men bijkers aan, die niet opzien tegen wat arbeid, en de te zwaar geworden endelingen, of oude stokken met jonge moer, of zelfs uitgelezen oude koninginnen uitjagen om ze op een passend werk te slaan voor de overwintering. Zoo wordt reeds een zekere teeltkeus toegepast. Hij weet bij ondervinding, dat de moer of koningin de voornaamste factor voor de voortplanting en instandhouding der goede eigenschappen van een bijenvolk is.
De natuurlijke vermenigvuldiging door zwermen beantwoordt in den regel het best aan de voorwaarden gesteld aan de volkomen ontwikkeling in alle richtingen van de koningin. Daardoor is er overvloed van bijen, warmte en voedsel, en zoo een verzorging, die niets te wenschen overlaat. Bij de hoogere dieren wreekt zich een te kort aan voedsel en verpleging ook nog buiten den schoot der moeder. Bij de bij is het ontwikkelingstijdperk na het verlaten van den dop afgeloopen en het ontbreken van eenige materie noodig voor het gedijen van zulk een veeleischend en veelbrengend wezen als de moederbij, zal het individu schaden, maar daardoor niet minder het komend volk.

In dit opzicht zou menigen losse-bouw maker wel een verwijt kunnen treffen. Men wil vermeerderen, jonge koninginnen kweeken, liefst in het voorjaar, als de natuur nog in hare ontwikkeling ten achteren is. Een volk, al is het 't beste, wordt moerloos gemaakt. De bijen zoeken de schade te herstellen en gevoelen drang om de vrouwelijke made, die een werkbij zou worden, door passende voeding en vergrooting van de cel weer tot een volmaakte koningin op te kweeken. Door den haast om een nieuwe koningin te bekomen worden eenzijdig verpleegde, te oude maden vervormd, te spaarzaam gevoed, misschien te vroeg verzegeld. Kan nu de imker ter rechter tijd ingrijpen door onregelmatig aangezette cellen te vernietigen, dan zou op deze manier nog wel wat goeds voortgebracht kunnen worden.

Slechter nog is de vroeger bij onze oostelijke naburen veel gevolgde methode van broedafleggers. Eenige raampjes met broed worden met een handvol bijen afgezet, en dat erbarmelijk hoopje moet nu een of meer koninginnen het aanzijn schenken, waarvoor in den natuurlijken staat een kolonie overvloeiend van bijen en levenskracht niet te veel is. Geen wonder dus, dat men de vermeerdering door zwermen natuurlijk vindt, daarentegen het moerloos maken om de bijen te dwingen, in strijd met de natuur noemt. Er is echter nog een andere natuurlijke weg, en door dezen te gebruiken is het aan de practische Amerikanen gelukt om de techniek der koninginneteelt op te voeren tot een afzonderlijken tak der bijenteelt, waarvan de verkregen resultaten de heele imkerswereld met bewondering hebben vervuld.
Vooral, als in de lente een koningin in den stok teekenen geeft van verslapping, ook al is het volk nog krachtig, zal in vele gevallen het volk overgaan tot het bouwen van koninginnecellen, en de legmachine, alias de koningin, wordt door de bijen aangespoord nog wat van haar luttelen voorraad af te staan voor de instandhouding der soort. De voor plaatsvervangsters bestemde princessen in den dop worden door de bijen uitstekend verzorgd en gevoed, groeien op tot goede, krachtige koninginnen, die niet ten achteren staan bij die welke geteeld zijn onder den invloed der zoogenaamde zwermkoorts. Men kan dus zijn voordeel doen met een kolonie, welke een afgeleefde koningin bezit, en haar door doelmatige behandeling er toe brengen reeds aangezette moercellen te verzorgen, zonder dat er teekenen van zwermlust aanwezig zijn. Dit is wat de Duitschers noemen "stille Umweiselung", een soort plaatsvervanging.
Nu hebben ons de Amerikaansche koninginnefokkers geleerd dezen toestand kunstmatig in 't leven te roepen, door aan de koningin den toegang tot een zeker aantal broedraten te versperren, onverschillig of dit geschiedt in het eigenlijke broedruim, of in het daar boven geplaatste honingruim. In deze door een rooster van de koningin gescheiden broedraten worden met een made voorziene koninginnecellen verder verzorgd. De jonge bijen, die zich in overvloed op de versperde broedraten bevinden, schijnen te voelen, dat de koningin slechts gedeeltelijk haar taak kan vervullen, verplegen de koninginnecellen en zetten zelfs op jonge bijenmaden bekercellen aan. Dit gebeurt des te eerder, als de koningin reeds een paar jaar oud is, zooals hier boven werd opgemerkt. Aan deze belangrijke ontdekking omtrent den invloed der afsluiting door den rooster, of liever door op verschillende wel doordachte manieren partij te trekken van de natuurlijke geaardheid der bijen, is grootendeels de vooruitgang te danken, die wij waarnemen op 't gebied der koninginneteelt, en daardoor ook op wat men het bijenfokken noemen kan.

Heden geldt : Zonder koninginneteelt geen ware bijenteelt. Terwijl gedurende den zwermtijd het honinggewin op den achtergrond wordt gedrongen, ten minste het een met het ander niet heelemaal kan samengaan, is het door de moderne methoden mogelijk, zooveel koninginnen op te kweeken, als men wil, zonder dat dezelfde stok noemenswaard in zijn honinghalen wordt verhinderd. Men heeft nu keus en keur van jonge koninginnen om oude of minder goede te vervangen, òf zulke, die door ongewenscht zwermen dikwijls oorzaak zijn van arbeid en verlies voor den bijenhouder. Een zelfde kolonie, welke in het broedruim gewoon haar werk doet, kan door het plaatsen van een daarvoor geschikte verdieping medewerken om per week minstens een tiental jonge koninginnen te laten bevruchten. Afzonderlijke koninginneteelt of bevruchtingskastjes zijn zoo overbodig.

De methoden om de koninginneteelt volgens boven vermelde beginselen in praktijk te brengen zijn menigvuldig en naar ieders smaak en opvatting voor wijziging vatbaar. De meest bekende is die van ALLEY, welke eieren of jonge maden van een uitgelezen koningin in werkbijcellen overbrengt, en dan met die cellen in den kweekstok, waarin door de bijen die cellen tot moerdoppen vervormd worden. Een ander beroemd koninginnekweeker DOOLITTLE vervaardigt kunstmatig moercellen van was, en brengt daarin koninklijk voedersap met een heel jonge made. In den laatsten tijd heeft E.L. PRATT te Swarthmoore in Pensylvanië deze methoden verder ontwikkeld en door geniale toepassingen den weg afgebakend voor koninginneteelt en wat daarmede in verband staat als een tak van nijverheid.

De verdienste, dat op het vaste land van Europa meer algemeen de aandacht wordt geschonken aan de Amerikaansche koninginneteelt, vooral aan die van DOOLITTLE en E.L. PRATT, komt toe aan de heeren GIRAUD PABOU FILS, nu GIRAUD FRèRES SUCCrs te Blain en te Le Landreau, Frankrijk. Zij hebben de toepassingen dezer methoden met het resultaat hunner eigene waarnemingen neergelegd in een brochure: "Traité pratique pour l'élevage des reines" (Practische verhandeling over koninginneteelt). In 's Hertogenbosch hebben wij gelegenheid gehad van nabij kennis te maken met de voor dit doel gebezigde bijenkasten en het kunstvaardig uitgedachte gereedschap van deze firma te bewonderen. Menig bijker zal echter maar voor een deel de draagwijdte en het algemeen nut dier nieuwigheden hebben begrepen. In vele buitenlandsche vakbladen treffen wij reeds aanhalingen uit de brochure van GIRAUD PABOU aan. Voor de breedere schaar der Nederlandsche imkers is het zeker nuttig wat uitvoeriger en grondiger die stof te behandelen dan dit door dorre uittreksels mogelijk zou zijn. (Wordt vervolgd).

L. VAESSEN-GRUBBEN, Maasbree.