Waarop te letten bij woningen voor lossen bouw.
In het verslag over de Internationale Tentoonstelling van Bijenteelt te 's Hertogenbosch ("Maandschrift voor Bijenteelt" 1902, bladz. 179), lezen wij : "Men krijgt den indruk, dat al mogen in 't buitenland heel wat systemen van bijenwoningen gebruikt worden, de tusschenvormen toch meer en meer verdwijnen en 't wel niet zoo heel lang meer zal duren, dat 't aantal typen minder wordt en de eigenaardige voordeelen van elk type voor bepaalde toestanden ons duidelijk zullen zijn."
Zeker, daarin ligt een goede wensch opgesloten, wij zullen stellig daartoe komen, maar vreezen ook, dat 't in de eerste jaren nog niet zoo glad het geval zal zijn. Bijenhouders, onverschillig of ze aan vasten of aan lossen bouw doen, staan altijd vast op hun stuk, zij hebben hunne eigene opvattingen, waarvan ze maar bij uitzondering afzullen wijken, zij luisteren veelal niet, of met doove ooren naar 't geen anderen hun mochten vertellen.
Een bijenhouder is vervuld van zijn bijen, hij ziet dat merkwaardige leven en wil er meer van weten, hij onderzoekt, merkt op, maakt zijn gevolgtrekkingen, en maar al te dikwijls is dan het resultaat een verbeterde, ja, zelfs een geheel nieuwe bijenwoning. Wie 't voorrecht heeft met een gezond verstand bedeeld te zijn, zal 't meeste kans hebben, dat hij met iets voor den dag komt, dat doelmatiger is. Zoo iemand weet ook gebruik te maken van 't geen de wetenschap ons geleerd kan hebben, vooral als hij zelf wetenschappelijk gevormd mocht zijn. Dit komt wel eens voor, maar, wel jammer, veel meer zullen wij de resultaten zien van hen, die zonder gezond verstand en zonder voldoende vorming de wetenschap er bij halen en met allerlei beschouwingen voor den dag komen, die vele bladzijden van onze tijdschriften vullen; hunne kornuiten draven daar dan weer lustig op door en zoo wordt er heel wat papier bedrukt, maar de eigenlijke zaak komt niet - dan met onvaste, wankelende schreden verder.
In Duitschland heeft Dzierzon langen tijd een grooten invloed gehad en op dit oogenblik is de Duitsche vaklitteratuur geheel vervuld van Dzierzon en van zijn tegenstander Gerstung. En wat zegt nu daarvan de "Revue Internationale de l'Apiculture" in haar nummer van Oct. l.l., bladz. 222: "In Duitschland zijn de bijenhouders voortdurend aan 't krakeelen om te weten, welke de beste bijenwoning is, òf Dzierzon òf Gerstung gelijk heeft, òf men de koningin bij de groote dracht moet opsluiten en het leggen van eieren tegengaan òf niet, alles punten, die wij meenen, dat al sedert lang opgelost zijn.”
Hetgeen, waarover in Duitschland zoo heftig wordt gestreden, is volgens het bovengenoemde blad al lang een afgedane zaak, en zou 't soms kunnen zijn, dat al dat gekibbel in Duitschland voor een groot deel een gevolg is van persoonlijke ijdelheden, waarbij natuurlijk wel weer de eene of andere perfecte bijenwoning een rol zal spelen ? 't Is jammer, dat bijenhouders bij hun werken niet meer een voorbeeld nemen aan 't bijenvolk, aan dat organisme, dat eendrachtig in de voorwaarden van zijn bestaan voorziet. "Bijenvolk", dat is een mooi woord, 't geeft zoo eigenaardig weer, dat wat men daar in den korf bijeen heeft, te zamen hoort, een geheel vormt - elk heeft zijn werkkring, maar is toch geheel afhankelijk, is buiten dat organisme van geen waarde. Vóór honderden jaren, toen men dit woord al gebruikte, ofschoon men er overigens menige verkeerde voorstelling op nahield, werd een bijenvolk reeds als zoodanig bekeken. Wij kunnen ons dan ook zeer goed voorstellen, dat mannen, die met de bijen zijn opgegroeid en altijd daarmede bezig zijn geweest, die er zoo dikwijls een goed oog op moeten hebben, aarzelen om daaraan te gaan tornen - en we zullen eerst dan de waarde van den lossen bouw leeren kennen, als ook die mannen er zich op toe gaan leggen. Wie met ongeoefende, zelfs ruwe handen ingrijpt, zal veel kunnen bederven, maar er zijn toch voorbeelden te over, dat we op een bijenvolk een grooten invloed kunnen uitoefenen. Wij geven het de woning, die het omvat, wij wijzen het den weg bij den ratenbouw, wij regelen zijn oogsten, wij grijpen op zoo velerlei wijzen in, en - tenzij men in onverstand 't onmogelijke zou verlangen - de grens is niet aan te geven van 't geen we door cultuur bereiken kunnen - en wel niemand zal ontkennen, dat de losse bouw daarvoor vele voordeelen oplevert.
Heeft een bijenhouder het voornemen om één, of meer, of al zijn volken in kasten over te gaan brengen, dan mag hij eerst degelijk bedenken, wat hij eigenlijk van die volken verlangt, ook rekening houden met 't geen zijne omgeving oplevert en naar die gegevens zijne keuze doen.
(Wordt vervolgd.)