TEELTKEUS.

(Vervolg bladz. 27, febr. 1903.)

Wij zullen eerst om ieder het zijne te geven, een woord zeggen over de methode van ALLEY, behandeld in zijn brochure: "Successfull Methods for Rearing Queen Bees" (Gevolgrijke methode voor Koninginneteelt). Door overvloedige voedering van een sterk volk kunnen de bijen in denzelfden toestand gebracht worden als een volk, dat zwermen wil. Koninginnen kunnen slechts geteeld worden in de warme maanden, maar door voederen voor en na de dracht kunnen goede koninginnen gefokt worden. Dus veel bijen, warm weer, overvloed van honing en stuifmeel en een vlugge, krachtige koningin, zijn eerste vereischten. Men teelt voort van zulke koninginnen, die vroeg in 't seizoen vol volk zitten, b.v. een 10-tal standaardramen vol broed hebben, terwijl andere koninginnen maar de helft opbrachten. Wanneer die koninginnen bovendien schoone bijen voortbrengen, b.v. zuivere Italiaansche, des te beter, vooropgesteld, dat zij ook vlijtig honing halen. De fokkolonie moet sterk door den winter gekomen zijn. De eieren moeten in raten gelegd zijn, waarin maar een- of tweemaal broed is geweest. Zeer oude raten, die door langdurig gebruik broos geworden zijn, zijn ondienstig voor de bijen.

De werkbijcel wordt door de bij, die een koninginnecel er van maakt, bijna tot aan de basis afgebroken en van daar uit wijder opgebouwd. Met een scherp en verwarmd mes kan de imker dat zelf doen. De cellen worden niet rechthoekig, doch in een hoek van 45 " ingekort, zoodat de raat er uitziet als de tanden eener zaag, de eene wand eener cel wordt zoo wat 3 m.M., de tegenovergestelde 6 m.M. hoog. Zoo wordt een geheele rij cellen besneden. Wanneer de cellen, vooral die van oude raten, plat, rechthoekig worden doorgesneden, bouwen de bijen daarop zeer weinig bekervormige cellen.
Zet eerst een reeds goed bebroede raat midden in een sterk volk, dat voor de voortteeling bestemd is, voeder rijkelijk als 't noodig is. Op den derden dag, voor er vier dagen verloopen, zijn de gelegde eieren het, meest geschikt om in een moederloozen stok te worden overgebracht. Men ontneemt 18 uur voor dat de eieren uitkomen de koningin aan een goede kolonie. Den volgenden dag worden alle broed- en ledige raten verwijderd en daarvoor brengt men raten met honing en stuifmeel in de plaats.

De raat met eieren uit den stok, die voor de voortteeling bestemd is, wordt tot reepen gesneden, komt midden in den boven besproken kweekstok. Die raat wordt zóó gesneden, dat de snede om de andere door een rij cellen gaat. In de heel gebleven rij worden de eieren ook om het andere met een luciferhoutje uitgeboord. Dit is om te voorkomen, dat de moercellen elkaar in den weg zullen zitten. In een raam, volgens zijn grootte hangt men er twee van die reepen in, en in sterk volk dan drie ramen, maar alleen voor het aanzetten van koninginnecellen. Een sterk volk laat men, nadat de cellen aangezet zijn, maar een enkel raampje verzegelen.
Men snijdt uit een oude, leege broedraat ongeveer de helft met een bolvormige snede uit en kleeft de reepen van onder zoo aan de raat vast, dat de ingekorte cellen met de opening naar beneden staan. Daarvoor smelt men was op een petroleumtoestel, maar draagt daarbij zorg, dat het niet te heet wordt. Men houdt de halve broedraat in de linkerhand het onderste boven, en met de rechterhand doopt men het niet ingekorte gedeelte van de reep met broedeieren in het was en kleeft die aan de raat vast, zoodat de vlak of juister in een hoek afgesneden cellen naar onderen. staan, terwijl het middelste deel lager komt te hangen dan de beide einden.
Na verloop van 48 uren komen de aangezette cellen boven een rooster, d.w.z. in een verdieping door een rooster gescheiden van een broednest, waarin zich een eierleggende koningin bevindt. Moerlooze bijen mogen altijd maar een stel koninginnecellen opkweeken. Voor enkel aanzetten van koninginnecellen kan een moerloos volk tweemaal dienst doen. Tusschen den vierden en vijfden dag, nadat de eieren geplaatst zijn, moeten bijna al de koninginnecellen verzegeld zijn. Na acht dagen beginnen de koninginnen uit te loopen, om dezen tijd kan men dan van de dopjes gebruik maken.

Dit volgens ALLEY. De manier van doen is nog voor verschillende wijzigingen vatbaar, ook al naar de bijenwoningen, die men gebruikt. In plaats van een volk de koningin af te nemen, kan men, als men over een verplaatsbaar honingruim beschikt, dit op een broednest zetten, geheel of gedeeltelijk vol hangen niet raten vol broed, die men uit andere volken genomen heeft. Na 8 of 9 dagen zullen deze raten meest verzegeld zijn en buitendien bezet met veel jonge bijen. Dit is het geschiktste tijdstip om koninginnecellen aan te laten zetten. Men neemt de verdieping van het broednest en geeft haar een andere plaats; de bijen gevoelen zich moerloos en laten dit blijken. Na eenigen tijd in dien toestand te hebben verkeerd, b.v. van 's middags tot 's avonds, worden de kweekcellen met eieren of maden er bijgevoegd. Als men maden heeft gegeven - want men kan ook cellenreepen met maden versnijden - moet na verloop van 12 tot hoogstens 18 uren de verdieping weer teruggezet worden, maar nu boven een rooster.
Men moet nooit den invloed eener oude koningin op de verpleging van koninginnecellen buiten den rooster te gering schatten. Bij voederen nooit 't stuifmeel vergeten. Wil het met de bijen niet opschieten - soms bij slecht weer - dan werpen zij de bijgevoegde, eieren en maden uit de cellen. In plaats van de reepen met eieren op raat in ramen te plakken, kan men ook ledige stukken raat op latjes bevestigen, die juist in de gebruikte ramen passen. In een raam gaan twee of meer van die latjes. Die op een bescheiden schaal een proef wil nemen, kan uit een ledige raat aan een zijde drie rijen cellen tot op de basis uitsnijden ter lengte van eenige centimeters, wat vloeibaar was in de ontstane opening druppelen en daarin een passend gesneden cellenrij voegen, die klaar gemaakt is, zooals boven aangegeven werd, met dit onderscheid, dat de cellen, die tegenover de hoekig ingekorte cellenrij met maden staan, bijna vlak tot aan den middenwand worden afgesneden. Dit kan men gemakkelijk toepassen in BERLEPSCH kasten.
Eens voor al zij opgemerkt, dat al die bewerkingen moeten gebeuren in een verwarmd vertrek. Bij het transporteeren van broedraten, eieren en maden buiten den stok moet men zorg dragen steeds gebruik te maken van een goed dicht, desnoods verwarmd transportkastje.

Na verloop van een paar dagen kan weder een raam met op de een of andere manier gewonnen jonge koninginnecellen in dezelfde honingruimte tusschen twee broedraten geplaatst worden, eenige dagen later op nieuw, zoodat een raam met koninginnecellen steeds met een broedraam afwisselt. Van tijd tot tijd geeft men nieuwe raat met broed bij, dit behoeft nu niet meer verzegeld te zijn. Daar er veel jonge bijen aanwezig zijn, worden de koninginnecellen goed verzorgd en in het eigenlijke broedruim, legt de oude koningin gewoon hare eieren, zonder aan zwermen te denken, en het volk zal er niet minder honing om winnen.

Wanneer de koninginne-dopjes na verloop van 11 of 12 dagen rijp geworden zijn, worden zij met de ramen verwijderd, en de doppen gebruikt men voor de zoogenaamde bevruchtings-afleggers, die men kan maken met een paar broedraten met bijen uit de verdieping van den kweekstok, of ook met een zwerm zonder koningin.

Later zullen wij nog kennis maken met de nieuwste manieren om tot bevruchting der koningin te geraken.
De bovenbeschreven methode ALLEY wordt heden nog veel aangewend door personen, die voor hun eigen grief de moderne koninginneteelt toepassen, en die zich niet gaarne wagen aan het bezwaarlijke overbrengen der bijenmaden. Dit, het "Umlarven" der Duitschers is door WEIGANDT te Flacht in ruimen kring bekend gemaakt, MERRING de uitvinder van de kunstraat paste het reeds toe. Zoo gezegd, werd deze vinding door DOOLITTLE uit Boradino, Onondago Co. N. Y. op een gelukkige manier voor zijn teeltwijze in toepassing gebracht en zijn dege- lijk werk "Scientific Queen Reering" (Wetenschappelijke koninginneteelt) heeft in breeden kring veel opgang gemaakt.
(Wordt vervolgd).

L. VAESSEN-GRUBBEN, Maasbree.