DE BIJENTONG.
Al eenige weken geleden deed een der lezers van het "Maandschrift" aan de Redactie de vraag om een duidelijke uiteenzetting te geven van den bouw en werking der bijentong. Zonder afbeeldingen blijft dat altijd maar half werk en, al zullen die afbeeldingen later komen en al zal dan daarbij een degelijke beschrijving gegeven worden, op het oogenblik kunnen wij er nog niet over beschikken en zullen de daarin belangstellenden, want we vertrouwen, dat 't er meerdere zullen zijn, met ons half werk genoegen moeten nemen.
We raden aan om een werkbij te nemen en de monddeelen onder een vergrootglas te bekijken.
Aan den bovenkant zien we de bovenlip en een stel kaken. De onderlip is een meer samengesteld orgaan, ze is met de mondopening verbonden door hoornachtige deelen van eene bruine kleur. Haar langste deel ligt in 't midden en is overal nagenoeg even breed, 't wordt de tong genoemd. De bij gebruikt ze bij het opslurpen van het honingsap. Ze is met lange, helder bruine haren bedekt en heeft zeer fijne groefjes, is bijna kleurloos en doorschijnend. Haar uiteinde wordt het lepeltje genoemd en heeft, sterk vergroot, ongeveer de gedaante van de palm eener hand. Aan den voet der tong, die ze daar even omsluiten, ziet men twee kleinere deelen, de paraglossen; de aangrenzende buitenste deelen zijn de liptasters of -voelers. Die tasters hebben vier geledingen en zijn dun met haren bezet.
Aan de basis der onderlip ziet men de onderkaken, de vorm daarvan is bij de bijen, vergeleken met die van andere insecten, zeer gewijzigd, 't zijn andere organen geworden. Zij hebben iets van een weversspoeltje, zijn aan de buitenzijde bolrond, en omsluiten met de binnenzijde de lip zoo eng, dat zij een soort slurf vormen, die in rust met de tong omgebogen wordt. Het benedendeel van de kaak wordt door een hoornachtig vlies gevormd en is aan den binnenkant bedekt met haren, die geleidelijk minder worden. Het bovendeel lijkt op een spoeltje, de binnenzoom daarvan is S-vormig en het ondereinde is met lange haren bedekt. Aan den voet van het spoeltje aan den binnenzoom is een onderkaaksvoeler, maar weinig ontwikkeld, met een enkele geleding, het heeft wat van een menschelijken duim.
Niet alleen de tong, maar ook de aangrenzende deelen vormen, als 't ware, een geultje, waardoor het honingsap opgeslurpt wordt, bij welke verrichting waarschijnlijk de kaken dienst doen.
In rust is de tong gevouwen, haar uiteinde past in het bovengedeelte, de bij brengt haar naar voren door toevoer van bloed.
De tong der koningin is minder groot, de darren hebben nog kleinere tongen.