BOEKBESPREKING.

Handboek over Bijenteelt,
omvattende: De Physologie en teelt der Bijen,
zoowel in stabielbouw als mobielbouw enz.,

door J.L.J. Opmeer te Bennekom.


Een nieuw boek over bijenteelt: een boek dat bij eerste kennismaking aantrekt, door passend formaat en heldere letter op deugdelijk papier, terwijl een aardig plaatje, tusschen den tekst, ook het zijne daartoe bijbrengt.
Onze Vaderlandsche lectuur is in de "afdeeling" Bijenteelt, niet zeer uitgebreid, en elke poging om die lectuur te vermeerderen of te verrijken, verdient, daarom steeds, steun en aanmoediging.

"Ter recensie" ontving ik bovengenoemd werk van de geachte Redactie van dit Maandschrift.
Ik vind, dat de schrijver, met uitzondering der Hoofdstukken 1, 2, 12 en 18 meer de practijk der bijenteelt, dan haar theorie, heeft geraadpleegd. Op zichzelf niet te misprijzen, doch het is vaak moeilijk in vakschriften, door vaktermen te gebruiken, zich juist en duidelijk uit te drukken. In 't algemeen beschouwd, geeft dit boek den indruk, dat de dictie van den schrijver vaak niet aan zijn visie beantwoordt, m.a w. goed gezien en gevoeld maar minder juist uitgedrukt.

Niet voor de hoofdstukken 1 en 2 mag dit verwijt gelden. De daar behandelde onderwerpen: Natuurlijke Historie en Ontleedkunde der bijen, uit haren aard zeer ingewikkeld, zijn in beknopten vorm, op bevattelijke - voor ieder verstaanbare wijze - weergegeven.
Hoofdstuk 3 behandelt, in 't kort, het leven der bijen uit wetenschappelijk oogpunt beschouwd.
Met hoofdstuk 4 begint de schrijver de eigenlijke bijenteelt en wel eerst den stabielbouw te behandelen.
Een goede gedachte lijkt het mij, dat de schrijver den vasten bouw toch ook minstens zijn recht laat wedervaren en dezen niet, zooals in sommige andere handboeken, bijna of geheel negeert.
Een paar opmerkingen: De zin "Goedkoop is duurkoop", zijnde etc. op pag. 26 is vrij onverstaanbaar.
Evenzoo op pag. 30 bij de beschrijving der raten de zin: "een kopvlak van een zijvlak gemeen hebben" . . . Is die uitdrukking wel juist??
Bovenaan op bladz. 34 geeft de schrijver de stellige - geheel onjuiste - bewering dat "koud geworden, gestorven broed de bijenpest veroorzaakt."
Kan veroorzaken, ware m.i. juister en voorzichtiger geweest.
In de paragraaf over "het zwermen” schijnt de schrijver zich zeer vergist te hebben.
Pag. 38 is bijna geheel onjuist.
In normale omstandigheden is de "oude" koningin, altijd reeds ettelijke dagen uit den zwermstok - met den brandzwerm - vertrokken, voordat de jonge koninginnen in de cellen beginnen te roepen".
Voor het zwermen kan dit roepen, alleen als waarschuwing dienen, dat de nazwermen in aantocht zijn.
Op pag. 42 staat: "Maagdelijke voorzwermen". Een eerste zwerm van een brandzwerm, heet "Maagdezwerm", zonder meer.
Verder: "De moer n.l. staakt in de laatste week voor het afvliegen, het eierenleggen". Is dat waar??? Ook dat "botsen" op pag. 51 schijnt me wel wat al te eenvoudig voorgesteld.
Op pag. 53, doet de schrijver onderstellen, dat alle suiker tot bijenvoeder is. De practijk toch prefereert en eischt rietsuiker.
Op pag. 54. "Bij speculatief voederen geeft men grootere hoeveelheden tegelijk, dan bij het gewoon voederen tot levensonderhoud". Ervaren ijmkers vinden juist den omgekeerden regel beter.
Qp pag. 106 lees ik: "Totale voeding met heidehoning, zonder eenige andere honingsoort, werkt niet al te gunstig op den gezondheidstoestand der bijen". Ik meen deze stelling te mogen bestrijden, doch verwijs dienaangaande, om onnoodige herhalingen te vermijden, naar het uitgebreide artikel: "Nogmaals heidehoning" in dit Maandschrift no. 7 pag. 109 van den vorigen jaargang.
Naar aanleiding van pag. 125 en vgl. zou ik willen vragen: Is die goedaardige pest niet eene gefingeerde of gefantaseerde ziekte? Zijn de opgegeven middelen tegen de kwaadaardige (het vuilbroed) wel afdoende? Overigens mocht dit Hoofdstuk "Bijenziekten" meen ik, wel wat uitvoeriger geweest zijn.

Het is meer dan tijd de opmerkingen te staken; er valt ook te prijzen.
Doorloopend geeft de schrijver in het werk, zoowel in dier-, plant-, als ontleedkunde, de wetenschappelijke, latijnsche eigennamen, naast de gewone. Dit is een verdienste en bespaart den gebruiker veel tijdroovend zoeken en verwarring.
De behandeling van en het ijmkeren met den Gravenhorster boogkorf wordt door den schrijver uitvoerig, zakelijk en duidelijk geschetst. Het vervoer der bijen is eveneens flink en degelijk behandeld.
De Hoofdstukken 12, 13, 14 en 15 behandelen resp.: Botanie, Honing en was, Bijenfamiliën en Boekhouden op eene duidelijke en onderhoudende wijze en sluiten het werk.
Den geachten schrijver wensch ik veel succes en zijn boek - zoo mogelijk herzien en verbeterd - in handen van veel Nederl. ijmkers.

W.A. Otten, Maren., Febr. '03.