TEELTKEUS.


(vervolgartikel van febr. en mrt 1903)
Hoewel men bij 't overbrengen der maden gebruik kan maken van leege moerdoppen uit raten gesneden, leerde DOOLITTLE ons die kunstmatig te vervaardigen. Men neemt daarvoor een passend staafje, liefst van vorm als fig. 1, doopt dit, goed nat gemaakt, ter diepte van 10 à 12 m.M. in gesmolten, niet te heet was. Men herhaalt dit eenige malen en steekt het dan telkens minder diep in, totdat de cellen, vooral aan de basis, de vereischte stevigheid hebben verkregen.


Het staafje met de cel er om heen legt men in koud water, terwijl men doorgaat met een ander in was te doopen. Als de wasdopjes wat afgekoeld zijn, laten ze gemakkelijk van den vorm los. Heeft men een voldoenden voorraad dopcellen, dan kan men die in een of twee rijen met gesmolten was op een raamlat bevestigen op een onderlingen afstand van 20 m.M. De lat moet in de ramen passen, die men gebruikt. Nu kan men met het overbrengen der maden beginnen. Daarvoor is noodig: koninklijk voedersap, zoo mogelijk uit moercellen van den stok, waarvan men wil kweeken; een broedraat welke de bijenmaden leveren moet; een stiftje om voedersap en maden over te brengen, men heeft daarvoor iets, dat op een standenstoker lijkt (in het Engelsch picking = uitpikker, madenuitpikker, madenpikker (?) Red.) fig. 2, met omgebogen punt en aan het andere einde lepelvormig.


Er werd reeds opgemerkt, dat het broed geen warmte mag verliezen. In 't vertrek waar men arbeidt, moet een temperatuur van 25° tot 28° Celsius heerschen. Na de made verwijderd te hebben uit de moercel die het voedersap zal leveren, schept men met het lepeltje van het gereedschap een druppel voedersap daaruit en brengt dit in ieder der kunstdopjes over, die op de kweeklat zijn bevestigd. Vervolgens neemt men de broedraat ter hand en door de punt van het werktuigje voorzichtig onder een made in de bijencel te schuiven, neemt men deze er uit en brengt ze op het voedersap in het kunstdopje over. Dit gaat gemakkelijker als men den wand der bijencel met het gereedschap een weinig openscheurt, ook als men den geheelen rand der cellen inkort met een dun, verwarmd mes. Men moet als regel aannemen, dat de made niet ouder dan 24 uur moet zijn. Hoe jonger de made des te gemakkelijker wordt ze overgebracht en is de kans ook grooter, dat het slagen zal. Ook heeft de ondervinding geleerd, dat de koningin stelselmatig opgekweekt uit de jonge bijenmade, volstrekt niet minder zal zijn, dan die, welke voorkomt uit het ei, dat door de koningin in een moercel is gelegd. Volgens de wetenschappelijke onderzoekingen van Von PLANTA is de kwaliteit van het voedersap, dat de bijenmade gedurende de eerste drie dagen krijgt, gelijk aan dat der made in de koninginnecel.


De kweeklat voorzien van bezette - aangeslagen - moerdoppen wordt nu in een raam bevestigd, waarvan de bovenste helft met bijenraat is gevuld (fig. 3). Met dit raam kan nu gehandeld worden als met de volgens de methode ALLEY aangezette moercellen. Men heeft immers met het overbrengen der maden bereikt wat bij aanwending der methode ALLEY door de moerlooze bijen wordt verricht, n.l. het aanzetten van koninginnecellen. Men kan nu ook de verdere verpleging der moercellen overlaten aan een moerloos volk of aan een volk, dat zijn afgeleefde koningin wil vervangen. Zekerder en voordeeliger handelt men, als de moercellen tusschen broedraten worden gehangen door een koninginnerooster afgescheiden, 't zij boven of in het broedruim. Omdat het opkweeken in het broedruim eenige voordeelen aanbiedt, vooral in 't voorjaar bij lage temperatuur, beschrijven wij in 't kort een kweekstok met Dadant-Blatt ramen (27 X 42 X 16) aan de hand der brochure van GIRAUD-PABOU, waaraan de bijgaande teekeningen zijn ontleed.

Het volk, dat voor de koninginnenteelt bestemd is, moet van eerste hoedanigheid zijn, dan draagt alles bij om 't voordeel te bestendigen, dat 't aankweeken van afstammelingen van een uitgezochte koningin oplevert. Door speculatief voederen zorgt men, dat de broedaanzetting bevorderd wordt, en zoodra de kolonie 10 Dadant-Blatt ramen kan betrekken, wordt zij overgebracht in een kast met 18 ramen, die door een rooster-afsluiting in tweeën kan worden verdeeld. De broedraten worden aan beide zijden der afsluiting gehangen, waarbij men goed oplet, waar de koningin zich bevindt. De stok blijft zoo 2 à 3 dagen staan om aan den nieuwen toestand gewoon te raken. Men voedert, als er niets te halen valt. De bijen kunnen reeds boven het bijenbroed in de moerlooze afdeeling moercellen aangezet hebben. Wij kunnen dan de boven beschreven reeks kunstmatige cellen klaar maken. Het raam met de kweeklat (figuur 3) wordt in de moerlooze afdeeling tusschen 2 broedraten gehangen. Den derden dag kan men oordeelen hoeveel cellen er aangenomen zijn. Terzelfder tijd wordt de kweeklat overgeplaatst in een ander raam (fig. 4) dat een weinig verder weder tusschen twee broedraten zal worden gehangen.



Er mogen zich nooit minder dan vier broedraten in deze afdeeling bevinden. Om een volgend stel kweekcellen te plaatsen, nemen wij uit de laatst aangezette dopjes het noodige voedersap, hetwelk zoo overvloedig voorhanden is, dat één dopje genoeg oplevert voor een twintigtal nieuwe kweekcellen. Zoo doende kan men, als de behoefte 't meebrengt, alle twee dagen een nieuwe reeks koninginnecellen laten aanzetten, maar dan is 't noodzakelijk de koningin elke week van afdeeling te doen verwisselen.

(Wordt vervolgd.)

L. Vaessen-Grubben, Maasbree.