Waarop te letten bij woningen voor lossen bouw.
(Vervolgartikel van febr. 1903)
De heer A. WILKENS uit Miesau bespreekt de “bijenwoning der toekomst voor de Paltz" in de "Pfälzer Bienenzeitung" van Oct. l.l. ‘t Is niet ons voornemen om op die woning, 't is een kast met broed- en honingruim, een magazijnkast in 't bizonder de aandacht te vestigen, maar wel op eenige opmerkingen, die daarbij gemaakt worden, waarmede ieder rekening kan houden, die een bijenwoning bekijkt of er over denkt, om er een samen te stellen.
Wij lezen daar: 't Is merkwaardig, dat sedert de invoering van den lossen bouw de bijenteelt in vele streken achteruit is gegaan. De oorzaak van dit verschijnsel is gedeeltelijk daarin te zoeken, dat vele bijenhouders met de levensvoorwaarden en wetten van een bijenvolk maar weinig of niet vertrouwd waren en daarom dikwijls wat met hunne volken aanvingen, dat meer schade deed, dan 't nut aanbracht. Dat men bij een verkeerde behandeling maar zelden tot iets goeds komen zal, dat zoo de liefde en lust voor de zaak spoedig verdwijnen, is gemakkelijk te begrijpen.
Hoofdzakelijk zijn echter de ondoelmatig ingerichte bijenwoningen, die men op vele bijenstanden zien kan, de oorzaak van den achteruitgang der bijenteelt. Omdat vele bijenhouders met VAN BERLEPSCH van meening waren, dat een bijenvolk ‘s winters maar heel weinig lucht noodig heeft, lette men bij het vervaardigen van bijenwoningen zoowat niemendal op de luchtverversching. Wordt daarin echter niet voldoende voorzien dan kan dat niet anders dan slechte gevolgen voor de bijen hebben. De stok wordt daardoor vochtig en niet alleen een goede kweekplaats voor de vuilbroedbacillen, maar daarin ontstaat ook dikwijls de loop. Hebben die woningen dan bovendien nog kleine ramen, zgn. halframen (het Duitsche normaalraam is 22.3 c.M. breed, 37 c.M. hoog, een half raam 18.5 c.M. hoog), zoo is een behoorlijke ontwikkeling van de volken in ieder geval onmogelijk, nog daargelaten, 't tijdroovende van ‘t werken met zoo'n woning. Een van de belangrijkste eischen, waarop bij de samenstelling van een bijenwoning gelet moet worden, is, dat ze voldoende ruim is voor de ontwikkeling van het bijenvolk en dat het broedraam het noodige aantal groote raten moet bevatten, zoodat de toename van het broed door niets belemmerd wordt. Halve ramen moeten om deze reden in het broedruim vermeden worden. Algemeen is men van oordeel, dat men in streken, die een rijkere dracht opleveren, breedere ramen moet hebben, is de dracht er armer, smaller. Voor een honingarme omgeving zou het Duitsche normaalraam misschien passend zijn, maar toch zou ik (de heer A. WILKENS) wel overal en meerdere breedte aanraden en wel om de volgende redenen: Hoe dikwijls is er reeds geklaagd geworden, dat 's winters bij langdurige koude de volken - en vooral die met normaalramen - den honing rondom den tros opteerden, maar tengevolge van de strenge koude zich toch niet konden verplaatsen en zoo met gevulde honingraten voor en achter den tros verhongeren moesten. Dit gevaar bestaat veel minder, als de raten breeder zijn, want in dit geval kan er meer honing om den tros verzameld worden. Maar ook het broed kan op breede raten sterker toenemen, waardoor zich de volken spoediger ontwikkelen. REIDENBACH verkoos voor de ramen een breedte van 27 c.M. De raat heeft dan een oppervlakte van 27 maal 37 = 999 C.M2., wat ongeveer overeenkomt met die welke op het Parijssche Congres voor Bijenteelt werd bepaald, nam een grootte van minstens 1000 c.M2. (De redactie vond in de verhandelingen van dat congres (1900) daaromtrent geen bepaling, waarschijnlijk wordt hier het vroegere Congres te Brussel bedoeld; elders is opgegeven : Breedte 31.2 c.M., hoogte 41.2, of breedte 36.2, hoogte 36.2 c.M., oppervlakte 1200 of 1225 C.M2.) Wordt het broednest in den nazomer kleiner, dan verzamelt het bijenvolk in die breede raten den honing om ’t broed, maar ook daar achter, en het gevaar voor verhongeren wordt zoo geheel opgeheven.
Menigeen zou nu kunnen denken, dat die volken op die grootere raten in slechte honigjaren al den honing voor 't broed noodig hebben. Maar als men bedenkt, dat die schrale jaren toch maar zelden voorkomen en dat het broedruim dikwijls voor een groot deel met bijenbrood wordt bezet, dan kan dat gevaar toch zoo heel groot niet zijn. Bovendien de sterke volken, die op deze raten gekweekt kunnen worden, kunnen in enkele dagen verbazend veel halen. Men kan ook de broedraten met veel honing in het honingruim overbrengen en ze na het uitkomen van het broed uitslingeren om zoo te voorkomen, dat het broed den honing opteert.
De heer WILKENS vindt kouden bouw te verkiezen. Bijen, die hun eigen gang gaan, dat is den door den natuur aangewezen weg volgen, zullen meestal de raten op deze wijze bouwen. De vlucht bijen kunnen van tusschen de raten dadelijk en langs den korsten tijd naar 't vlieggat komen, en omgekeerd hun buit naar binnen dragen. De toevoer van frissche lucht is veel makkelijker mogelijk dan bij warmen bouw. Daardoor is zoo'n volk meer met de buitenwereld in verbinding dan andere. ‘s Winters kan het heel gemakkelijk van elke gelegenheid tot een reinigingsvlucht gebruik maken.
Nog nader wordt ingegaan op bizonderheden omtrent den bouw van deze kast, die wel niet van belang afwijken van 't geen bij de inrichting van elke goede bijenwoning in acht genomen wordt. Ook de behandeling van de volken daarin wordt besproken, waarbij vermeld wordt, dat 't een voordeel is, dat de ramen voor het broed- en honingruim dezelfde afmetingen hebben. Op die afmetingen hebben wij door 't hier medegedeelde vooral de aandacht willen vestigen.