Oude en nieuwe IJmkerij.
II (deel I, Juni ’04)
Er zullen er wel onder de lezers geweest zijn, die mij een weinig van "opsnijden" hebben verdacht. Vijftig tot honderd pond van één volk, in een streek zonder boekweit of goede hei - dat is voor een oude ijmker zware tabak.
Maar sinds ik het vorig artikel schreef, ontving ik de nieuwe editie van Root's A.B.C. der bijenkultuur, naar mijn weten het mooiste praktische standaardwerk, en daarin vind ik de volgende staatjes van E. France te Platteville, Wisconsin.
Bijenstal te:

Nu verzoek ik mijn lezers een potloodje te nemen en te gaan rekenen, in aanmerking nemende de Hollandsche honigprijzen. . . . .
Een goede Dadant-Blatt kast komt op ongeveer f 10.-, met volk en raten misschien totaal op f 20.- à f25.-.
Dat beteekent dus een jaarlijksche opbrengst van 50 tot 80% van de waarde, in den slechtsten zomer.
Terwijl ik ook een gemiddelde opbrengst vind van 130 pond en zelfs op pag. 246 lees ik van een gemiddelde van driehonderd pond per kast. De detailprijs in Holland voor goede slingerhonig is minstens 12 stuiver. Een stal van tien zou dus kunnen opbrengen achttienhonderd gulden bruto, dat beteekent bijna 700%.
Nu kan men wel zeggen: "Nou ja, dat is weer Amerikaansch!" maar dat is goed beschouwd een flauwe uitvlucht.
Dit zijn cijfers van reeds twintig jaar geleden en door betrouwbare schrijvers gestaafd. De bijen werken in Amerika niet harder dan hier en aan bloemen is hier evenmin gebrek. Zou het nu waarlijk niet de moeite waard zijn om eens te beproeven, na twintig jaar bij 't buitenland ten achter te zijn, om onze schade in te halen?
Ook uit Frankrijk heeft men volkomen dezelfde berichten. Ook daar hoor ik en lees ik van dezelfde fabelachtig hooge opbrengsten. Hoe lang moeten wij nog dure honig - en slechte - uit het buitenland betrekken, en onze eigen honig - duizende, ja millioenen ponden - laten verdrogen op 't veld, in de verbeelding dat de bijenteelt niet rendeert?
Reeds in 1897 schreef ik (Studies, derde reeks, pag. 595) dat in plaats van de 900000 K.G. honig, die Nederland 's jaars produceert, er zes millioen kon gewonnen worden, en ik durf nu, op grond van ervaring, dit cijfer nog veel te laag noemen.
En ik durf ook beweren, dat de bijenteelt, op bijna alle plaatsen van ons land, tot de meest rendabele landbouw bedrijven kan behooren. Het bedrijfskapitaal is zeer gering, het mogelijk percentage winst buitengewoon hoog, en de arbeid werkelijk minimaal.
Maar . . . . dan moet men de nieuwe methode volledig, consequent en praktisch toepassen. En naar hetgeen ik er van gezien heb, staat het daarmede in ons land nog zeer slecht. Men scharrelt meestal nog zoowat tusschen twee methoden in, en kent feitelijk nog niet de mogelijkheden van een goede nieuwe praktijk.
Vooreerst worden de oude ijmkers afgeschrikt door de catalogussen der bijengereedschappen. Die zijn ingericht voor rijke liefhebbers en berekend op het voordeel van den leverancier. Ik kan getuigen dat bijna al die snorrepijperij overbodig is. De eenige speciale gereedschappen die men noodig heeft, zijn de rooker, de slinger en de werktuigjes om kunstraat in de raampjes te zetten. De rest kan ieder handig mensch zich zelf verschaffen, een ganzewiek, een sluier, een nijptang, een plat scherp mes - ziedaar ongeveer de heele uitrusting - voor geen twintig gulden bij elkaar.
Wil men de eigen was omsmelten, wat zeker voordeelig is, dan komt er een gietvorm bij. Nieuwe kunstraat, liefst vastgemaakt in de raampjes, bestelt men het voordeeligst bij groote firma's, die er op ingericht zijn. Ook betwijfel ik of de handigste timmerman een kast zelf zoo goedkoop in elkaar kan maken als die door de groote fabrieken geleverd wordt.
En wat de arbeid betreft, daaromtrent is het laatste woord nog niet gesproken. De ouderwetsche ijmker leeft in den waan, dat er verschrikkelijk veel gedoe en gescharrel bij die nieuwe ijmkerij te pas komt. Ook hier ontbreekt stellig in ons land de noodige practische ervaring en voorlichting. Er wordt allerlei uit buitenlandsche boeken en handleidingen verteld, over koninginnekweekerij en dergelijke, wat een zeer omslachtigen indruk geeft. De eenvoudige praktijk der nieuwe methode is niet bekend. Het meeste wat men er van verteld is berekend voor liefhebbers, onderzoekers of speciale inrichtingen voor fokkerij.
Zoo werd mij geleerd dat ik om de acht dagen elke kast moest openen en nakijken. Maar ik heb geleerd zonder bepaalde reden geen enkele kast te openen, al is het maanden lang. Er behoeft veel minder gepeuterd te worden aan de natuurlijke gang van zaken dan men gewoonlijk denkt. Men moet de natuur ondersteunen, maar vooral niet meer dan strikt noodig is.
En dit staat voor mij vast dat de nieuwe methode véél, véél minder arbeid kost dan de oude, en dat geen arbeid in den landbouw zoo duur betaald wordt.
In het handboek van Root wordt het een noodelooze verkwisting genoemd den ganschen dag in den zwermtijd bij de korven te waken. De handige ijmker krijgt zoo min mogelijk zwermen, en als hij ze krijgt weet hij wannéér, zoodat hij geen tijd verliest met afwachten.
Voor het ververschen der koninginnen zorgen de bijen zelf. Nu het redelooze "slachten" vervalt, houdt ook de toenemende achteruitgang van het ras op. Het "slachten" der bijen kan men in waarheid vergelijken met het elken herfst omhakken van de mooist dragende vruchtboomen, alleen om er de appeltjes af te kunnen halen.
Alleen bij stoornissen, slecht werken, ziekte of moerloosheid alsook tot het voorkomen van zwermen moet de kast worden nagezien. Dat kan geschieden in vijf minuten tijds. Weinige arbeidsduur wekelijks volstaan voor een grooten bijenstal. Het tijdroovende voederen is maar in zéér zeldzame gevallen noodig. Het uitslingeren van den honig neemt nog den meesten tijd. En die is wel besteed. En waar is de plek in ons land waar geen honigdragende bloemen zijn? Voor den ouderwetschen ijmker waren de voorjaarsbloemen van onvoldoende beteekenis, omdat hij dan pas begint te fokken. Maar voor den modernen ijmker die het seizoen begint met stampvolle kasten, en in April al zijn honigruim opzet, zijn wilgen, woud- en vruchtboomen, en alle voorjaarsbloemen, bronnen van verkoopbaren honing, en is de tijd van dracht vrijwel onverschillig.
Hij is altijd gereed, in vóór en najaar. En zoowel de kleistreek met lucerne, boonen, koolzaad, als de veenstreken met steenklaver en paardebloem zijn hem even goed, zoo niet beter, dan de zandstreken met boekweit en heide. Overal waar bosch, weiland of akkers zijn kan in ons
land de bijenteelt even rendabel zijn als in heide en wildernis.
En als de nieuwe ijmkerij in onze duinstreek wordt toegepast, waar de thijm den ganschen zomer weelderig bloeit, dan zal men daar de fijnste slingerhonig winnen, die voor den beroemden Hymettos-honig niet onderdoet.
DR. F. VAN EEDEN, Walden, 22 Juni 1904.