Amerikaansche en Nederlandsche honingoogsten.
In verband met de cijfers van Dr. F. VAN EEDEN, in het julinummer “Oude en nieuwe IJmkerij” genoemd, veroorloof 'k mij de volgende opmerking omtrent de bijenweide in Wisconsin.
'n Groot deel van dezen staat heeft 'n wilde flora van waardevolle honingplanten, die op vele plaatsen 'n voortdurende weide vormen, van 't oogenblik dat de paardebloem begint te bloeien tot de vorst de laatste bloemen doodt. Witte- en bastaardklaver zijn zoo overvloedig dat vele landbouwers, die geen belang bij de bijenteelt hebben, groote hoeveelheden zaad voor de markt kweeken, 'n klein graafschap bracht in 1897 alleen voor 'n waarde van f 185,000 aan wit klaverzaad voort, dat ook voor dien prijs verkocht werd, bovendien verscheidene waggonladingen klaverhooi. De linde bedekt bijna den geheelen staat en geeft waggonladingen van den blanksten honing. Waar 't bosch omgehakt is, is de bodem bedekt met tal van soorten honinggevende planten. In Centraal Wisconsin worden groote oogsten boekweithoning gewonnen (N.E. FRANCE, Wisconsin Beekeeping, 1902, blz. 1.)
Men heeft in Wisconsin succes met elke bijen woning (ibid blz. 2.)
't Volgende staatje komt mij sprekender voor dan dat wat Dr. VAN EEDEN geeft.
FRANCE geeft 't op blz. 31 van bovengenoemd werkje om aan te toonen, dat over 'n groot aantal jaren gerekend Wisconsin 'n grooter gemiddelden oogst geeft dan Californië, 't paradijs van den ijmker, en vele andere staten.

Wie zich de moeite geeft eenige optel-, vermenigvuldig- en deelsommetjes te maken, zal bemerken, dat de cijfers, door Dr. VAN EEDEN voor 1886 en 1888 gegeven, kloppen met die in bovenstaand staatje. Klaarblijkelijk doen vader en zoon samen. Maar als Dr. VAN EEDEN 1888 een zeer slecht jaar noemt, slechter waren toch nog 1887, 1892, 1894, 1895, 1896, 1899 en 1900. Vooral 1992, 1895 en 1900 doen de deur dicht. De opgaven voor deze jaren maken 't staatje in alle opzichten geloofwaardig.
De ijmker, die durft opgeven dat hij in 1892 van 620 volken absoluut geen honing won en tegelijk gedwongen werd 't aantal zijner kolonies tot 323 of met bijna 50 pct. te verminderen, vertelt geen humbug. De gemiddelde honingoogst per jaar en per volk is dan ook niet zoo verbazend hoog. Uit kolom 4 is te berekenen, dat hij 54 Eng. ponden of nog geen 25 kilogram bedraagt.
'n Bekend Nederlandsch broodijmker met lange praktijk berekende z'n opbrengst op gemiddeld 20 K.G. per jaar en per volk. Hij trekt echter reeds 7 jaar van de klei naar de hei. Aanvankelijk werkte hij met Gravenhorster boogkorven (meest 16-raams), later met Tukkers Hollandsche Magazijnkast, die op 't zelfde denkbeeld berust, als de Heddonkast, door FRANCE gebezigd.
De heer PANNEKOEK te Eerbeek heeft indertijd in 't "Nieuws van den Dag" als gemiddelde opbrengst van 'n ronde korfkolonie op de Veluwe f 5.- opgegeven. Rekenen wij 't was op f 1.-, dan blijft er f 4.- over voor den honing, wat, als wij den prijs van den pershoning op 40 cents per KG. stellen 'n gemiddelde opbrengst van 10 KG. per kolonie vertegenwoordigt. De Veluwsche ijmker moet dus met 'n veel grooter volk in een Amerikaansche kast, dat hij niet behoeft te laten zwermen, dat geen overmaat van darren behoeft voor te brengen en te voeden, en dat weinig of niets behoeft te bouwen (de bijen gebruiken voor de vervaardiging van 1 K.G. raat l0-20 K.G. honing) ook gemakkelijk 'n gemiddelde oogst van 20 kilogr. per kolonie kunnen verkrijgen.
De voor Nederland gegeven en berekende opbrengsten naderen dus vrij wel de Amerikaansche van bovenstaand staatje, ook al kunnen wij van de Nederlandsche flora niet zoo'n gunstig beeld ophangen, als van die van Wisconsin.
Maar welke Nederlandsche ijmker geeft ons nu eens ’n staatje als FRANCE gaf voor Wisconsin? Niet allemaal tegelijk!
F.C. VAN BRUSSEL, Santpoort, 17 Juli '04.