UIT DE PRAKTIJK.
Een en ander over heidehonig. Van 't geen in 't Meinummer ('n Voorjaarsziekte) en in 't Novembernummer (Het vereenigen van volken) van heidehonig gezegd wordt in verband met een ziekte onder de bijen in 't noorden van ons land, die zelfs praktische ijmkers aan 't gebruik daarvan toeschrijven, begrijp ik niets.
Was dat 't geval op de heidedorpen in Noord-Brabant, dan zou 't er hier treurig met onze bijen uitzien! We denken , dat vele van onze stabielijmkers 't met tegenzin zullen gelezen hebben, en wel, omdat in de Meierij, in Peel- en Kempenland, ja zelfs op vele plaatsen in Limburg meestal, dikwijls zelfs uitsluitend, 't van de heide komen moet en de bijen over 't geheel goed overwinteren, er is hier maar weinig sprake van ziekte. Mijn vader heeft een ondervinding van 50 jaar en weet maar van één jaar, dat 't grootste deel slecht overwinterde, 't ongelukkigste jaar, dat hij beleefd heeft, was 1860. Zijn er soms lezers, die zich dat jaar nog herinneren?
1861 was dés te beter!
Hier heeft men dan geleerd, dat heidehonig de eerste plaats inneemt, er zullen geen ijmkers gevonden worden, die van heidehonig kwaad zullen spreken, hij is onze honigoogst, hadden wij in deze streken geen heide, dan zou de liefhebberij niet lang duren.
Ik en velen met mij, hoop ik, dat 't er over eens zullen zijn, dat de heidehonig in ‘t noorden of in 't zuiden van ons land toch wel van dezelfde kwaliteit zal zijn en dat hij geen ziekte onder de bijen veroorzaakt. Was dat 't geval geweest, dan zouden wij de latere jaren niets van onze bijen over gehouden hebben. 5 à 6 jaar was 't hier tamelijk goed met de heide gesteld, behalve in 1897, hebben ze 't meest op de heide gehaald. Het zeggen is hier: 29 Juni is het voeren gedaan, maar dat zeggen is van weinig waarde. Het gebeurt wel dat 't een maand langer duurt. Wie met St. Jan (24 Juni) zijn honig opgevoerd heeft, is met zijn bijen aan den arme. Het vorig jaar hebben wij ze nog flink gevoerd vóór we ze naar de heide brachten, en ze hadden 't toen noodig, ofschoon ze in 1902 goed waren. Van de 52 stokken, die we hadden, wogen er 50 1441 pond, waarvan 6 beneden 23, 1 beneden 20 - de lezer kan nu uitrekenen wat ze door elkaar wogen. We hebben zelden bijen beter overwinterd dan dezen winter, weer een bewijs dat heidehonig geen slechten, maar wel een goeden naam verdient.
Men zal vragen: van hoeveel opzetters waren die 25 stuks? Van 13 opzetters, waarvan een maar eens zwermde. Weer een bewijs dat men ze niet zoo kort behoeft te houden.
De schrijver uit de omstreken van Roermond verdedigt in 't Juninummer wel den heidehonig, maar niet zooals hij dat verdient, ik houd 't er voor dat de kwaliteit overal dezelfde moet zijn. De vochtigheid van stallen of standplaatsen zou een oorzaak kunnen zijn. Heeft men last van die ziekte, zooals de heer VAN BRUSSEL er over klaagt, dan zou mij 't beste middel lijken, dat men zich bijen uit deze omgeving aanschaft, ze ondervinden geen nadeel van de heide. De boeren zeggen hier ook wel: van zaaigoed veranderen is goed - dat zou met de bijen
ook wel 't geval kunnen zijn, en 't is een kleine moeite. Ik had verwacht dat er ijmkers geweest zouden zijn, die hun honig verdedigd zouden hebben, beter dan ik op de hoogte, want ik kan makkelijker de zeis en de ploeg hanteeren, dan de pen op 't papier. 't Zal nog waar zijn, dat ze Gods water over Gods land laten loopen, ze trekken hun slaapmuts over de ooren en slapen maar raak. ‘t Is treurig!
J. H. M. te L.
-------
Het vereenigen der bijen in het najaar en nog wat. Reeds lang is het geleden, lang voor de vereeniging gevormd werd, dat ik bij toeval wat vernam over het vereenigen der bijen in het najaar. Dit leek mij zoo mooi, dat ik er dadelijk werk van maakte, al deed ik 't in 't begin ook op heel primitieve wijze, n.l. door bedwelming (gereedschappen, zooals een berooker, enz. waren mij nog onbekend), maar 't ging, en zoo stopte ik mijn opzetters vol met bijen. Dit heb ik eenige jaren volgehouden, doch zonder voordeel, toen heb ik het gedaan zonder bedwelming, dit zou beter zijn, maar ook hiermede ben ik zeer teleurgesteld. De bijen waren in het voorjaar niet alleen volkrijker, maar ontwikkelden zich ook langzamer dan die, waaraan geen bijen toegevoegd waren. Hierover ben ik het dan ook geheel eens met den heer VAN DER MEER in het novembernummer 1903 en zie daar geheel van af.
Maar met de overwintering zijn wij hier niet altijd zoo gelukkig als de heer VAN DER MEER, die nooit over doode bijen te treuren heeft, wat hier nog wel eens het geval is. Wel dikwijls heeft de imker hieraan zelf schuld, maar als het weer in langen tijd niet toelaat, dat de bijen zich buiten kunnen ontlasten en hunne natuurlijke behoeften binnen de woning moeten doen, die dan een alles behalve aangenamen reuk krijgt, zoodat men 't op een afstand ruiken kan (waardoor niet zelden opzetters ten gronde gaan), dan staat de imker er toch bijna geheel machteloos voor om zijn bijen te redden.
Dat heidehonig niet goed zou zijn om te overwinteren wil er bij mij maar niet zoo goed in, hadden wij hier, in Limburg, geen heide en bijgevolg geen heidehonig, dan konden wij onzen. bijenstand wel voor goed opdoeken.
J. R. te B.
-------
Maak geen bijen dood In een van de vorige jaargangen is onder dit opschrift een stukje geplaatst, ik meen van den heer KELTING, Santpoort, waarin het bovenstaande verdedigd werd. Nu komt in het Novembernummer een artikel voor van den heer M. v.d. MEER onder den titel: "Het vereenigen van volken in 't najaar" en verder hetzelfde opschrift, waarin de schrijver beweert dat vereenigde volken nadeelig zijn voor den ijmker. De heer v.d. MEER zegt dat de vereenigde volken in 't voorjaar, wanneer er dracht komt, niet beter zijn dan de andere en nog meer honig gekost hebben, en zoo is hij er toe gekomen om weer tot zijn ouden sleur terug te keeren, te koopen, te zwavelen, enz.
Zoo gaat het met de meesten, de oude manier of sleur zit er te diep in, ze is moeielijk te overwinnen. Ik geloof zeker dat daardoor de losse bouw ook niet meer veld wint.
Ik zou den heer v.d. MEER wel eens willen vragen: Hoe hebt U uw proeven genomen? Zeker ze vereenigd toen alle dracht voorbij was, niet waar? Nu dit raad ik niemand aan.
Sedert 1866 is steeds mijn leuze geweest "maak geen bijen dood", maar daar kwam bij "kweek geen onnutte eters." Hoe kan dit, zult u vragen? Ik zal trachten 't u duidelijk te maken.
Het vermeerderen of zwermen beperk ik de meeste jaren tot 50 à 60 procent, bij uitzondering, wanneer het een bizonder gunstig voorjaar is, wordt het 100 procent, of van ieder één. Dat kunnen we hier in Brabant niet, zult u zeggen. Ik zou niet weten waarom niet. Wel weet ik dat u nu in te kleine korven ijmkert en veel te veel vermeerdert, waardoor u wel lange rijen korven hebt, waarin echter geen bijen zijn. Maar, zult u vragen, hoe krijgen wij dan in 't najaar honig? Wanneer u eene vermeerdering hebt van 100 procent of van ieder overwinterd volk één zwerm, dan hebt u in 't najaar toch nog zooveel uit te breken, als u winterstokken hebt. Wanneer deze nu 40, 50 of 60 pond wegen, dan dunkt mij dat u nog al wat oogsten kunt. Maar ik dwaal geheel van mijn onderwerp af, daarom ter zake.
Opdat u mij goed begrijpe, moet ik in de eerste plaats zeggen, dat ik lossen bouw heb - met de oude korven is het omslachtiger werk, maar ook zeer goed uitvoerbaar.
In den zomer, d.w.z. Juli of begin Augustus, zoek ik mijn opzetters uit. Door nauwkeurig boekhouden weet ik welke de beste koninginnen en volken zijn voor mijn doel. Hiernaar regel ik mijn werk. U ziet, er komt ook al weer schrijven bij te pas, maar juist hierdoor kan men veel bereiken. Bij later nazien van 't geen men opgeteekend heeft, kan men b.v. weten welke de beste koningin is voor 't broeden, voor 't honigverzamelen, voor 't zwermen, enz. enz. Voornamelijk is 't de koningin, waarop men letten moet, want deze vertegenwoordigt een geheel volk.
Wanneer ik nu weet welke ik voor opzetters wil bewaren, houd ik daarop bijzonder 't oog gericht. Zoodra de heide half afgebloeid is, ruim ik al de overtollige volken op. Dit doe ik op de volgende wijze: Eerst vang ik er de koninginnen uit en maak ze dood, dan neem ik broed weg en plaats dit bij de opzetters. Ik laat den standstok nog een of twee dagen staan en neem dien dan met den voorraad honig weg. De bijen hiervan laat ik in een opzet met ledige ramen (natuurlijk uitgebouwde raten daarin) en plaats deze boven een koninginnerooster op de opzetters. Hierdoor worden de opzetters sterk van bijen en broed, wanneer er nog een dag of wat goede dracht is, kunnen zij nog flink wat voor den ijmker verzamelen. Bij deze wijze van werken heb ik dikwijls verwonderd gestaan over den korten tijd, waarin een sterk volk, mits het geen gebrek aan ledige cellen heeft, een goeden voorraad honig verzamelen kan.
Later beschrijf ik mijne vroegere wijze van werken met ronde korven wel eens.
R. TUKKER Jr, Breukelen.